De SP, ook voor hoogopgeleiden

De tomaat voorbij

De SP scoort goed onder intellectuelen die voorheen niks met de ‘radicaal linkse, populistische volkspartij’ te maken wilden hebben. De partij onder Emile Roemer is salonfähig, mét steun – openlijk, schoorvoetend of stiekem – van de radical chic.

Zondagochtend, 19 augustus. In het Openluchtmuseum in Arnhem stromen in de tropische hitte mensen samen voor de aftrap van de verkiezingscampagne van de SP. Ze nippen aan hun welkomstdrankje – een glaasje prosecco – of likken aan een tomatenijsje. Muziek van de band Spic ’n Span schalt over het stoffige terrein. Als ze de gouwe-ouwe-hit Zeven dagen van de Eindhovense band Bots inzetten – ‘Er is genoeg voor iedereen, dus drinken we samen’ – begint een groepje vrouwen op leeftijd uitbundig te swingen.

Dan neemt op het podium presentatrice Carrie het woord. Ze is ‘gewoon Carrie uit Rotterdam’, heeft een knalrood windhooskapsel en cultiveert voortvarend haar rol als snedige volksvrouw. ‘Arnhem is een fucking end weg.’ De directeur van het Openluchtmuseum, die in een strak grijs pak in onberispelijk abn iedereen welkom heet, introduceert ze als ‘iemand die in de fucking usa heeft gestudeerd’. Ze kent de SP uit de tijd ‘van anderhalve zetel en een paardenkop’ en was jong ‘toen links in was, maar er bij het gestaalde kader geen lolletje af kon’. Maar de SP is ‘vriendelijk en gemoedelijk Brabants’. Nadat een afgeslankte Jan Marijnissen in zwart T-shirt en kaki afritsbroek het publiek heeft toegesproken – ‘Hallo mensen, we doen het goed en daar worden anderen zenuwachtig van. Maar geloof niet de praatjes die zij over ons verkopen!’ – knalt Carrie door de microfoon: ‘Wat is-ie toch een lekker ding.’

Renske Leijten, nummer twee op de lijst en belast met het zorgdossier, legt vlot uit wat het afschaffen van de marktwerking in de zorg zou opleveren. In totaal drie miljard. Een vet applaus volgt. Maar niemand vraagt hoe dat bedrag berekend was. Na afloop is het tijd voor een foto met haar fans. Een man in een rolstoel. Een dame zegt: ‘Ik sta op de kiek met een aanstaande minister.’

Ruim 2500 partijleden slenteren, gekleed alsof ze op de camping zijn, urenlang over de lommerrijke paden van het ‘land van opa en oma’ naar zaaltjes waar debatten zijn. De stemming is opperbest, ondanks de economische crisis, waarvan, zo valt telkens te horen, de klappen hard aankomen. Een bleke man vertelt dat hij slager was en is afgekeurd. Een verpleegkundige ‘kan niet slapen vanwege al die bezuinigingen in de zorg’. Een jonge jurist is al jaren ‘in ­between jobs’ en vindt ‘de wereld oneerlijk’. Maar er gloort hoop. Als Emile Roemer gaat regeren zal het tij keren: er komt een einde aan het neo­liberale tijdperk en Nederland zal weer ‘sociaal en menselijk’ worden. Het collectieve optimisme draagt men uit met de bevindelijke retoriek van believers. De sfeer van een familiedag, een gevoel van heimwee naar een gezellige samenleving – je zou zo op een EO-landdag kunnen zijn.

Dit geloof zonder God wordt gepredikt door de enige onversneden linkse politieke partij in Nederland, een partij die werd geboren in 1972 als de Socialistiese Partij op de fundamenten van de eerder turbulent tot stand gekomen Kommunistiese Partij Nederland/Marxisties Leninisties (kpn/ml). De SP heeft zichzelf sindsdien gestaag op de kaart gezet door vast te houden aan haar socialistische beginselen en het keurslijf van één straffe ideologie langzaam af te schudden. Van oudsher is de partij anti-intellectueel en wars van een bestuurselite. Zij opereert actiegericht op wijkniveau. Vanuit een strakke partijdiscipline wordt een landelijk netwerk aan vrijwilligers op de been gebracht. Zij zetten zich behalve voor de partij ook in voor de maatschappij – minima helpen bij het invullen van formulieren of helpen bij de voedselbanken. Deze caritas is kenmerkend voor de SP: geen abstracte theorieën van bovenaf, maar op straatniveau iets dóen voor de samenleving, zonder dat die inspanning direct wordt gekoppeld aan de partij zelf. De stille aanpak is een verkapte vorm van zieltjes winnen.

Op de partijdag in Arnhem sijpelt hierover kritiek door. Een man van de Amsterdamse SP-afdeling had een tijd geleden een forse aanvaring met Renske Leijten. Hij vertelt over een bijeenkomst waar alle politieke partijen aan deelnamen, hoe Leijten de regie even overnam. Ze ‘zette mensen met SP-T-shirts vooraan in de zaal. Ik vond dat niet fair. Het werd bonje.’ Hij bespeurt ‘regenteske neigingen’ binnen de top met ‘persoonsverheerlijking van de leiders’. Een andere man, actief voor de partij in Rotterdam, fluistert over ‘de uitbuiting door het kader van de vrijwilligers’.

In de geschiedschrijving van de partij krijgt die vrijwilliger doorgaans de hoofdrol. Zo is Het geheim van Oss, waarin journalist en SP’er Kees Slager de geschiedenis van de meest succesvolle partijafdeling beschrijft, een heldenepos waarin de colporterende, stencilende enthousiasteling op het schild wordt gehesen. In De rode Jehovah’s: Een geschiedenis van de Socialistiese Partij noemt historicus Gerrit Voerman dit ‘een erfenis van het maoïstische concept van de “massalijn”. Volgens deze leerstelling moet een arbeiderspartij zich “als een vis in het water” onder de bevolking begeven en haar wensen politiek vertalen, in plaats van een politiek program van bovenaf te presenteren om vervolgens hiervoor steun te vergaren.’ Jan Marijnissen organiseert bijvoorbeeld maandelijks gesprekken met wisselende doelgroepen, zoals verpleegkundigen, politieagenten of leerkrachten. Praten met de samenleving, noemt hij dat.

Door deze strategie ligt het anker diep in de Hollandse klei. En dat vormt nu een stevige basis voor de opmars naar het Haagse pluche, een ontwikkeling die gepaard is gegaan met het afschudden van de radicale veren: in 1991 – twee jaar na de val van de Muur – werden de ­marxistische en maoïstische ideologische beginselen ingeruild voor kernbegrippen die moeilijk aanstootgevend genoemd kunnen worden: menselijke waardigheid, de gelijkwaardigheid van mensen en de solidariteit tussen mensen. In 1994 kwam de SP onder Jan Marijnissen met de verkiezingsleus ‘Stem tegen, stem SP’ met twee zetels voor het eerst in de Tweede Kamer. Bij de verkiezingen in 2006 scoorde zij spectaculair met 25 zetels. Was de SP vroeger een partij van de fabrieken en de provincie, anno 2012 is zij een geoliede machine die de ethiek van de gewone man landelijk tot een kunst heeft verheven.

Niemand verbaast zich er inmiddels meer over dat Roemer in een nek-aan-nekrace met Mark Rutte kans maakt om de verkiezingen te gaan winnen. De harde kern bestaat uit laag­opgeleiden – hetzelfde electoraat als van de pvv – en is goed voor zo’n vijftien zetels. ‘We trekken er nog eens vijftien bij andere partijen weg’, zegt Arjan Vliegenthart, campagneleider en voorzitter van het wetenschappelijk bureau van de partij. Maar wie vormen die extra vetlaag aan kiezers?

Uit verschillende onderzoeken blijkt dat de SP steeds aantrekkelijker wordt voor de stedelijke, kosmopolitische hoogopgeleide kiezer. In Amsterdam gaan de peilingen richting de twintig procent, een ruime verdubbeling ten opzichte van 2010. Onder studenten is de SP de tweede partij, na d66. Ook bij onderzoeksbureau TNS Nipo herkennen ze het beeld dat de SP steeds meer hoogopgeleiden trekt, vooral bij de pvda vandaan. De kandidatenlijst voor de verkiezingen onderstreept dit: ruim tachtig procent van de kandidaat-Kamerleden heeft een universitaire opleiding gevolgd.

Aan de spreekwoordelijke borreltafels hoor je intellectuelen zeggen voor het eerst op de SP te gaan stemmen. Sommigen komen hier graag publiekelijk voor uit. Mohammed Rabbae, oud-GroenLinks-lijsttrekker en voorzitter van het Landelijk Beraad Marokkanen, schreef opiniestukken waarin hij luidop verkondigde voor deze socialisten te zullen stemmen. Iets vergelijkbaars deed schrijver-journalist Bert Vuijsje. Hij schreef onlangs in de Volkskrant dat hij ‘voor één keer op de SP gaat stemmen om Rutte uit het Torentje te weren’.

De publieke belijdenissen van Vuijsje en Rabbae staan voor een trend. Jan Groenewold, natuurkundige die als onderzoeksconsultant werkt bij diverse bedrijven, werd twee jaar geleden partijlid. ‘Best wel een stap, want je wordt dan meteen actief. Maar ik vond het nodig, als je beseft hoe de crisis is ontstaan.’ Hij koos voor de SP toen de pvda ‘haar ideologische grond­beginselen verkwanselde’. Lange tijd werd hij door zijn omgeving voor gek verklaard, nu hoort hij af en toe dat andere mensen ook SP gaan stemmen. ‘Maar het ís géén modieuze keuze.’ Universitair docent slavistiek aan de Universiteit van Amsterdam Philip Westbroek twijfelt nog, maar zegt dat als het erop aankomt hij zijn vaste kruisje voor de pvda ‘uit strategische overweging inruilt voor Roemer’.

Het heeft wat weg van een coming out tegenover vrienden en kennissen. Binnen academische kringen was het immers not done om op deze ‘extreem linkse, populistische’ partij te stemmen. Nu lijkt het min of meer een geaccepteerde keuze te zijn. De SP, kortom, krijgt in toenemende mate steun van de radical chic – een term gelanceerd in 1970 door de schrijver Tom Wolfe. Hij doelde daarmee op de artistieke en intellectuele kringen die maar wat graag flirten met links-radicaal gedachtegoed. Uit engagement, maar ook omdat het bijdroeg aan hun zorgvuldig gecreëerde imago van eigenzinnigheid.

De maatschappelijke bovenlaag van Nederland was bij de verkiezingen in 2006 – net voor de crisis – al geporteerd voor de SP. Toen koos bijna vijftien procent van de universitair geschoolden voor deze partij. Volgens peilingen van Maurice de Hond is de groep hoger opgeleiden die deze verkiezingen overweegt SP te stemmen twee keer zo groot – al menen zijn collega-peilers dat De Hond zijn oor graag te luisteren legt bij ‘de kletsende klasse’.

De verklaring voor de populariteit ligt voor een belangrijk deel bij de signatuur van de SP zelf. Zoals onlangs emeritus hoogleraar politicologie Meindert Fennema in de Volkskrant schreef: ‘Ongemerkt omarmt de SP het gedachtegoed van de oude pvda’, en daarmee doet het SP-socialisme denken aan de ouderwetse sociaal-democraten. Een brede, linkse volkspartij, die zowel het volk als de elite aan zich bindt, met Emile Roemer als een soort Joop den Uyl. Het succes past ook in een tijd waarin authenticiteit belangrijk is. ‘Echt’ en ‘oorspronkelijk’ zijn veelgehoorde argumenten. En dus doet de partij er alles aan om het beeld van Roemer als working class hero te versterken. Campagnespotjes tonen hem met een schort om het middel roerend in een pan soep. Wetenschappers, ondertussen, halen er graag Max Weber bij. De SP bedient zich van wat de Duitse socioloog ‘zingevingsethiek’ noemde. ‘Het gaat erom dat men ergens hartstochtelijk voor of natuurlijk juist mordicus tegen is’, zo omschreef socioloog Dick Houtman deze manier van politiek bedrijven eerder in De Groene Amsterdammer. En de SP biedt, net als de pvv, ‘een verhaal’. En dat slaat ook aan bij de elite.

‘Mijn moeder stemt dit jaar voor het eerst in haar leven op de SP. En dat is heel wat. Ze is altijd een trouwe pvda-aanhanger geweest’, zegt Arjo Klamer, hoogleraar culturele economie aan de Rotterdamse Erasmus Universiteit. Een lokale SP-wethouder zocht haar een paar jaar geleden op in haar Hilversumse woning. Hoe het ging met mevrouw Klamer, of ze nog iets nodig had? Daarmee had de partij haar hart gewonnen. ‘Het is een zoveelste bewijs van de strategie: luisteren naar wat er speelt’, aldus Klamer.

Voordat het gesprek met Klamer kon beginnen zat de econoom op een tuinstoel midden op het grasveld tegenover een blonde televisie­journaliste die hem, ruim de tijd nemend, bestookte met vragen over het onderwerp ‘vakantie’. De aanleiding was zijn stuk waarin hij met een alternatieve oplossing kwam voor het nationaal begrotingstekort: vakantiedagen inleveren. Als we minder tijd zouden verdoen op Franse campings of aan de Spaanse costa’s zijn onze economische problemen zo de wereld uit, aldus Klamer. Voor de camera trok hij geregisseerd graspolletjes uit het gazon om te laten zien dat hij graag in zijn eigen tuin werkt.

Van onder de pergola in zijn tuin benadrukt hij geen partijveteraan te zijn, maar wel grote sympathie voor de SP te koesteren. Het pleidooi voor minder vakantie, zegt hij, past bij de SP. Deze zomer werd partijprominenten dringend verzocht niet op vakantie te gaan. Zo kon optimale inzet voor de campagne verzekerd worden. Ook Klamers afkeer van de gemakzucht waarmee de Nederlander denkt recht te hebben op weken niets doen, sluit naadloos aan bij de ethiek van de socialisten. ‘De SP legt de nadruk op een combinatie van rechten én verantwoordelijkheden.’

Klamer, van origine een pvda-man, koesterde als ‘denker’ lange tijd wantrouwen tegen de SP vanwege het radicale toontje. Toen hij eind jaren negentig terugkwam van een docentschap in de Verenigde Staten kreeg hij een telefoontje van Jan Marijnissen. Of Klamer een keer kennis wilde komen maken. Ze bleken elkaar te liggen. En werden goede vrienden. Klamers vooroordelen smolten een voor een weg. ‘De SP zou vooral conservatief zijn, maar juist in die behoudzucht zat – zeker destijds – de vernieuwende kracht van de partij. Terwijl andere linkse partijen de mondialisering als uitgangspunt namen, bleef de SP uitgaan van gemeenschappen en legde de nadruk op tradities. Dat wordt al snel weggezet als nationalistisch. Ik noem het liever neo-­traditionalisme. Of duid het met het Duitse begrip Kultur: dat wat ons gezamenlijk vormt.’

Hij vindt het verbazingwekkend hoe vaak hij de laatste tijd in zijn directe omgeving hoort: ‘Ik ga deze keer toch maar SP stemmen.’ ‘Ze moeten een flinke drempel overwinnen, want de SP blijft toch de partij van de tomaat die vooral tégen een hoop zaken is. Maar dat juist de elite zich nu laat overhalen komt doordat die partij probeert op te komen voor het gemeenschappelijke. De SP is de partij die zich openlijk afvraagt waar welvaart toe dient. De bedoeling is dat ouderen het goed hebben, dat mensen die het moeilijk hebben op een waardige manier deelnemen aan de samenleving, dat onderwijs mensen vormt tot méér dan beroepskrachten.’ En zegt hij, nadenkend: ‘Er is behoefte aan authenticiteit. Roemer straalt uit wat hij zegt. Een schril contrast met de acteurs bij de pvda.’

Zijn openlijke verbintenis begon tien jaar geleden, toen hij medeauteur was van het manifest Stop de uitverkoop van de beschaving. In dat pamflet keerden linkse kopstukken zich tegen het marktdenken. Formeel ging het om een ‘volkspetitie’ en waren de kartrekkers ‘niet politiek gebonden’. In de praktijk geurde het manifest sterk naar de SP. Opstellers waren onder anderen de inmiddels overleden schrijver Karel Glastra van Loon (‘huisintellectueel’ van de SP), de predikant Huub Oosterhuis (verklaard SP’er), ondernemer en milieubeschermer Wouter van Dieren (goede bekende van Jan Marijnissen) en natuurlijk het orakel van Oss zelf.

Ook de Europa-positie van de socialisten klinkt Klamer – van meet af aan tegenstander van de euro – als muziek in de oren. De partij hanteert het adagium dat toch vooral de eigen tuin moet worden aangeharkt voordat er over de grens gekeken kan worden. ‘Internationale solidariteit bestaat bij de gratie van een stevige lokale basis’, zegt hij. Inmiddels zit er wellicht een ministerspost in voor Klamer, zo laat de econoom doorschemeren. Hoewel, mompelt hij, zijn vrouw vindt het maar niks vanwege de afdrachtregeling. ‘Maar die soberheid is goed, want je haalt hierdoor geen baantjesjagers binnen.’

Zijn verhaal is één lofzang op het beschavingsoffensief van de SP. En waardoor komt die beschaving tot stand onder premier Roemer? ‘In de zorg gaat heel veel veranderen. Maar stap één is een forse verhoging van de belastingen voor de rijken.’ Hij wijst op de grote huizen in de straat waar mensen wonen met ‘belachelijk hoge inkomens’.

Hoe duiden SP’ers zelf het groeiende succes onder de elite waar ze zo’n hekel aan hebben? ‘Intellectuelen gooien hun cynisme overboord’, meent Arjan Vliegenthart, partij-­ideoloog en campagneleider. ‘Er heerst het gevoel dat het nu de laatste kans is om de crisis echt aan te pakken. Zij komen tot het besef dat we in een systeemcrisis zitten, zoals wij al jaren zeggen.’ Vliegenthart, geboren en getogen Amsterdammer, komt uit een arp-nest, de partij van Abraham Kuyper die opkwam voor ‘de kleine luyden’ en sterk moralistisch gedreven was. Die erfenis ziet hij bij zichzelf: idealistisch, activistisch, een beetje drammerig. ‘De Bergrede’ van Aantjes is een van zijn inspiratie­bronnen.

Bruisend van energie zit hij in de eerste klasse stationsrestauratie van Amsterdam. Zijn laptop ligt op tafel. Iets verderop wordt Emile Roemer geïnterviewd voor het tijdschrift van de vijand, de werkgeversorganisatie vno-ncw. Een week na het gesprek zal blijken wat hun voorzitter van de SP vindt. Bernard Wientjes zei afgelopen weekend in een interview met het Algemeen Dagblad dat ‘het partijprogramma catastrofaal voor bedrijven en de export is. Een ramp voor Nederland.’ Hij vindt Roemer ‘een aardige vent, maar zijn programma is gru-we-lijk’. Net als Rutte meent hij dat het Nederland miljarden gaat kosten.

Het kan de partij nauwelijks deren, overtuigd als zij is dat er in de samenleving diepe onvrede zit over de huidige economische modus vivendi die niet overwaait. Vliegenthart trekt een parallel met de stagnatie in de jaren zeventig van de vorige eeuw: ‘De afbraak van de oude industrie en de crisis in het keynesiaanse economische model gaven toen ruimte aan nieuw politiek denken. Nu zitten we aan het einde van het neoliberale model – er heerst wantrouwen in de gevestigde instituties. Twintig jaar lang was de boodschap: zorg goed voor jezelf. Nu betaalt men daar de prijs voor. Ik zie mensen in de grachtengordel voor ons om gaan. Voor hen waren we altijd een boerenpartij. Plat, populistisch, of heel conservatief. Amsterdam is trendvolger.’

In de hoge ruimte rijst Emile Roemer na afloop van zijn interview omhoog. Een enorme man keurig in pak met een blauwe stropdas. En flink gebruind, want hij is net terug van zijn vakantie in Spanje. ‘Ja’, verklaart Vliegenhart, ‘voor hém is het beter om de Tour de France goed uitgerust in te gaan’ – doelend op de uitputtingsslag van het campagnevoeren. In hoog tempo vervolgt hij zijn verhaal over het ‘project SP’. De systematische misstanden in de ouderenzorg moeten worden aangepakt, de collectieve armoede moet worden teruggedrongen.

Collectieve armoede? De verzorgingsstaat staat weliswaar onder druk, maar Nederland behoort samen met Scandinavië tot het meest genivelleerde land ter wereld, met de minste minima en de hoogste werkloosheids­uitkeringen. Vliegenthart valt even stil als gevraagd wordt om een definitie van armoede te geven. ‘Nou, dat mensen niet kunnen deelnemen aan de voorzieningen die er zijn. Dat kinderen niet kunnen voetballen, omdat daar thuis geen geld voor is.’

En al die compenserende regelingen en speciale sport- en recreatiepasjes dan? Hij verklaart zich nader in algemeenheden. ‘De inkomens­verschillen moeten nóg minder worden. Bankiers raken een deel van hun bonus kwijt. Neo­liberalisme is een economische doctrine, maar als sociale component is het een optelsom van individuele zelfredzaamheid – en dat is armoede.’

Aan hetzelfde tafeltje zat eerder die week Ronald van Raak, nummer drie op de kieslijst. Hij komt, zegt hij trots, uit ‘een echt arbeidersnest’ en mocht ‘doorleren’. Hij promoveerde op een onderzoek naar het conservatisme in Nederland. Hij publiceerde onder meer over Bertolt Brecht en onlangs verscheen zijn boek Op zoek naar vrijheid: Een filosoof in de politiek, met daarin een duiding van de samenleving aan de hand van bijna vergeten vaderlandse filosofen.

‘Lifestyle’ is een term die Van Raak graag hanteert om zijn politieke tegenstanders te afficheren. GroenLinks, d66, traditioneel de havens van de linkse, hoogopgeleide kiezers, zijn wat hem betreft partijen waar het aan inhoud ontbreekt. ‘Wij zijn niet modegevoelig en verkondigen al jaren consistent dezelfde boodschap’, aldus Van Raak. ‘Absoluut’ is zijn antwoord op de vraag of zijn partij erin slaagt een hoogopgeleid publiek te bereiken. ‘Die mensen voelen zich links en stemmen uit teleurstelling in de lifestyle-partijen op ons. Maar we zijn niet van het oude linkse type dat met een biertje in de hand wacht tot de revolutie voorbij komt. We willen mensen mobiliseren om samen tot praktische oplossingen te komen. Sinds 2006 hebben we bewust meer de hand uitgestoken. Bij ons zijn de scherpe radicale randjes er wel af. Deze verkiezingen kunnen zomaar een revolutionair moment worden.’

En dan volgt een analyse waarin hij ontegenzeggelijk het gelijk aan zijn kant heeft. Over de schaalvergroting in de zorg, het onderwijs en bij de woningcorporaties. Over de zelfverrijking aan de top van de semi-overheidssector, waarbij de kwestie-Vestia als de ultieme troefkaart geldt. ‘De overheid heeft ondertussen mensen uit elkaar georganiseerd – oud versus jong, gezond versus ziek. Wij willen meer solidariteit, meer zeggenschap en meer democratie.’

Daar is de vijand weer: de rijken. Als het hun straks niet bevalt, dan moeten ze maar naar het buitenland vertrekken. Dat er ook goede rijken zijn die bedrijven leiden waar duizenden mensen een baan hebben, geeft hij best toe. ‘Ach, mensen zijn niet slecht, maar het systeem maakt hen slecht. Bankiers hebben ons land naar de afgrond geduwd. Semi-ambtenaren zijn gaan ondernemen. We zijn niet zozeer tégen de elite, het zijn geen slechte mensen, maar ze zijn tot het slechte gestimuleerd. Echte elite noem ik ­mensen die verantwoordelijkheid nemen voor meer dan enkel henzelf. Dat kan ook een ­politieagent, een leraar of een verpleegkundige zijn.’

Hij begint over ‘de elite’ die zich laat behandelen in ‘privé-klinieken en de kinderen naar privé-scholen stuurt’. Waar die dan zijn? ‘Overal.’ Terwijl het toch een marginaal fenomeen is in ons land. Verwart hij privé-klinieken niet met zelfstandige behandelcentra waar ook iedereen met een kleine beurs gewoon verzekerde zorg kan krijgen?

De ongenuanceerde visie op de neoliberale samenleving die de gewone man en de rijkaards tegen elkaar opzet, wordt verkondigd in een stijl van verdachtmakingen richting het establishment. Dit vormt nog altijd de kern van de missie, maar is ondergesneeuwd door een andere boodschap: de doorgeslagen marktwerking leidt tot collectieve verschraling en ontbindt de samenleving. Mede dankzij de economische crisis gaat het erin als koek.

‘Mensen beginnen in te zien dat ondanks de crisis de financiële sector nauwelijks wordt aangepakt’, zegt Renske Leijten tijdens een gesprek op een terras bij de Vrije Universiteit in Amsterdam. ‘Ze zijn er wel, maar ze maken zich niet graag bekend’, zegt ze over de nieuwe sympathisanten die zich ophouden in de Nederlandse elite. ‘Er is nog veel schroom om ervoor uit te komen.’ Toch ziet Leijten dit langzaam veranderen. Ze wordt regelmatig benaderd door nieuwe enthousiastelingen die komen vertellen dat ze zich tot haar partij hebben bekeerd. ‘Alsof het een soort biecht is’, lacht ze.

Later die middag krijgt Leijten de kans om zich aan de toekomstige bovenlaag te presen­teren tijdens het verkiezingsdebat op de VU. ‘Ik spreek deze mensen niet alleen als student, maar vooral als onderdeel van de samenleving’, zo licht ze haar strategie toe. Hoewel er slechts een enkel SP-shirtje in de zaal te zien valt, tegenover veel meer cda-, d66- en pvda-jongeren, krijgt ze regelmatig de handen op elkaar. Marijnissen zei ooit in een interview met het partijblad dat de SP meer moest investeren in de intellectuele elite. De nummer twee van de socialisten lijkt die boodschap ten volle te onderschrijven.