De tonaliteit ontploft

‘ZOU DAT NIET gewoon een karaktertrek zijn?’ peinst Cornelis de Bondt, gevraagd naar de monumentaliteit in zijn muziek. Elke compositie in de vijfdelige cyclus Het gebroken oor, die onlangs op dubbel-cd verscheen, is een vuistslag op tafel die het hout doet kraken. Het gelijknamige stuk ‘Het gebroken oor’ is hard, groots en uitgesproken. Zachtere passages doen zich nauwelijks voor, of het moeten dwingende stiltes zijn. ‘De deuren gesloten’ is onheilspellend van toon. Aan het eind van het stuk wordt een van de meest gekoesterde juweeltjes uit de operaliteratuur, ‘When I’m Laid’ uit Purcells Dido and Aeneas, hardhandig gesmoord in obstinate klappen van de pauken en gekras van een contrabas. Alleen een ouderwetse klaviertijger is in staat het verpletterende ‘Grand Hotel’ te spelen dat klinkt alsof Beethoven, Liszt en Busoni de krachten hebben gebundeld. In ‘Singing the Faint Farewell’ horen we een hortende en stotende machinerie die enorme klankerupties uitspuwt.

De granieten muziek van De Bondt is doortrokken van noodlottigheid en tragiek. Het is niet alleen deze kracht die ontzag afdwingt. Al op het gehoor is duidelijk dat zijn muziek hecht en intelligent in elkaar zit. Je hebt de analysen uit het cd-boekje niet nodig om te ervaren dat proporties juist zijn, de complexe gelaagdheid coherent is en dat aan de details veel zorg is besteed. De Bondt schreef het vijfluik Het gebroken oor tussen 1983 en 1996. Nu zal de compositie Het gebroken oor op 20 februari door het Nederlands Blazers Ensemble in het New Yorkse Lincoln Centre worden uitgevoerd - samen met stukken van Louis Andriessen, Michael Nyman en Purcell. Of zijn muziek ook zal aanslaan bij het Amerikaanse publiek, is maar helemaal de vraag. Cornelis de Bondt: ‘Louis Andriessen geeft veel les in Amerika en hij neemt altijd mijn muziek mee. Het schijnt dat het grote verwarring schept. Het laat ze niet koud, maar de reacties zijn niet bepaald enthousiast. De muziek van Louis valt daar goed. Dat komt misschien door zijn verwijzingen naar Stravinsky en de jazz, terwijl mijn muziek wat chromatischer en wat prikkeldradiger is. Er zit meer afstand in en ze is meer geworteld in de Europese muziekgeschiedenis. Dat is mijn Van Vlijmen-kant, zeg maar.’ JAN VAN VLIJMEN was degene die Cornelis de Bondt (45) indertijd op het Haags conservatorium aannam. Op niet meer dan een paar Satie-achtige stukjes ('Hij is daar een meester in; drie noten is voor hem voldoende om talent te herkennen’). 'Ik wist niets toen ik naar het conservatorium ging. Ik had wel pianoles gehad’, blikt De Bondt terug, 'maar we waren geen gezin dat regelmatig naar concerten ging. Er was ook geen platenspeler. Op een gegeven moment ging ik op zolder wat struinen en ik vond toen zo'n groot rond bruin ding met twee knoppen. Ik heb net zo lang met de draadjes zitten prutsen tot er geluid uit kwam. Toen heb ik van mijn zakgeld voor vijf gulden mijn eerste lp gekocht. Maar het gevoel dat ik een enorme achterstand heb is nooit overgegaan. Op een dag besloot ik dat ik componist ging worden. Ik had al wat stukjes geschreven en die heb ik opgestuurd. Het waren alleen stukjes voor piano want dat kon ik. Maar omdat ik niet zo'n goede pianist was waren het altijd langzame stukjes. Ik werd uitgenodigd voor een gesprek met Jan van Vlijmen en ik nam een bandje mee met eigen opnamen. In zijn kamer had hij zo'n heel eenvoudige bandrecorder staan met twee snelheden. Hij zette het op en zei: “Het is wel erg langzame muziek zeg.” Ik zei: “Ja, maar dit is nog véél te snel”, want hij had het apparaat verkeerd ingesteld. Toen mocht ik op het conservatorium komen. Daar is het pas echt begonnen. Ik kende alleen wat romantische muziek. En op pianoles had ik veel Bach gespeeld want mijn lerares was claveciniste. Ik herinner me dat ze een keer Deux Arabesques van Debussy voorspeelde. Ik wist niet wat me overkwam. Ik zat met tranen in mijn ogen te luisteren. Die kleuren. De eerste keer dat ik Perotinus en Machaut hoorde. Ik was totaal verbijsterd dat dat bestond. Iets voor het eerst horen is zo geweldig. Op het conservatorium verdween dat met een enorme vaart.’ Van Jan van Vlijmen leerde hij de ambachtelijkheid van het componeren en het werken volgens de seriële compositiemethode. Later kwam daar de invloed bij van Louis Andriessen, wiens conceptuele benadering hem aansprak. Hij ging op zoek naar een manier om zijn 'eigen dingen’ te zeggen. De esthetiek van de Tweede Weense School (de passie van Jan van Vlijmen) sprak hem niet aan. Het klankonderzoek van componisten als Varèse, hoe mooi ook, viel af. De middeleeuwse Perotinus had zijn absolute fascinatie, maar in diens stijl schrijven heeft weinig zin in de twintigste eeuw. Op dat punt kon Andriessen echter de helpende hand bieden: het becommentariëren van bestaande muziek - zogenaamde meta-muziek - is zijn specialiteit. ALS EEN TWEE-componenten-lijm kwamen de invloeden van Van Vlijmen en Andriessen bij elkaar. De chemie leverde een meta-muziek op die volgens streng mathematische wetten werd berekend. En daar verscheen De Bondts vader, die een computerbedrijf had, op het toneel: 'Wat zit je daar nu met potlood en gum uit te halen? Onzin. Je moet met een computer werken.’ Het computerwezen stond rond 1980 nog in de kinderschoenen. De Bondt ontwierp een tekenprogramma dat notenbalken en sleuteltjes op de 7-naaldsprinter kon produceren. Zijn eerste rekenprogramma schreef hij voor een computer met een geheugen van 32Kb. 'Soms stond dat apparaat een hele nacht te zwoegen op iets wat een pc nu in 1 seconde uitrekent, maar het was nog altijd vele malen sneller dan wanneer ik het zelf zou uitrekenen’, herinnert hij zich. 'En ik ontdekte dat je op ideeën komt die je anders nooit gehad zou hebben. Door zo'n computer ontwikkel je een ander soort logica: formules die in muziek ook bleken te werken.’ De werkwijze van Cornelis de Bondt in Het gebroken oor komt erop neer dat hij de computer fragmenten van bestaande muziek laat herberekenen. Zo gebruikt hij voor 'De deuren gesloten’ een paar maten uit Dido and Aeneas van Purcell en uit de Eroica van Beethoven. Uit die paar maten destilleert hij een reeks akkoorden en een ritmisch patroon van pulsen. Deze gegevens gaan de computer in en worden volgens canonische principes opnieuw opgebouwd. Een reminiscentie aan het origineel blijft aanwezig en 'toevallig of minder toevallig’ duikt in de loop van dit proces het origineel in duidelijk herkenbare vorm weer op. Als 'onderwerp’ koos De Bondt de tonaliteit, het harmonisch systeem waar alle achttiende- en negentiende-eeuwse muziek op gebaseerd is en dat in de twintigste eeuw onder invloed van het modernisme in onbruik raakte. De Bondt: 'Wat mij raakt in de tonale muziek is de mogelijkheid tot ruimte en diepte. In de tonaliteit hadden de noten een betekenis. Als je in Es groot schreef, had dat op zich al een betekenis. Die stond niet ter discussie. Er lag al een heleboel klaar: niet alleen de vorm maar ook de harmonie. Een verminderd septiemakkoord had een bepaalde lading die iedereen herkende. In de twintigste eeuw was dat allemaal in één keer weg. Componisten nú moeten alles zelf bedenken, de vorm, de noten, alles. Je moet eerst een muzikaal logisch raam bedenken en dan kun je pas een stuk schrijven. En dan verwacht je van luisteraars dat ze ten eerste dat hele raam begrijpen en ten tweede alles wat je daarin zit te doen. Dat is moeilijk. Het is niet verwonderlijk dat er een paar luisteraars weglopen.’ HIJ BESLOOT AL componerend onderzoek naar deze thematiek te gaan doen. Hoe zit het met de betekenis van die noten? Waarom betekent een noot bij Beethoven iets en nu niet meer? Kun je dat manipuleren? Hij begon met de Kammersymphonie van Schönberg 'omdat het probleem daar speelt: de tonaliteit ontploft. Dat moment ben ik gaan bekijken. Dat werd Het gebroken oor. Maar ik kwam erachter dat ik eigenlijk vóór dat moment moest gaan zitten. Als de tonaliteit ontploft, is het al te laat. Toen kwam ik bij Beethoven terecht. In “De deuren gesloten” en later “Grand Hotel”. Dat ging uitstekend.’ En zo baseerde De Bondt 'Singing the Faint Farewell’ op muziek van de zestiende-eeuwse componist Thomas Wheelkes en 'La fine d'una lunga giornata’ op noten van Bach en Stravinsky. Welke conclusie leverde het vijfluik Het gebroken oor op? De Bondt: 'Geen conclusies over de romantiek of over compositiemethoden. Wel over schoonheid. In de achttiende eeuw stond vast wat mooi was en wat niet. De zogenaamde affectenleer. Die bepaalde welke toonsoort welke emotie bewerkstelligde. Dat was een geformaliseerde schoonheid, terwijl onze smaak niet absoluut is. Een van de eerste keren dat ik met de computer werkte, kwamen er allemaal rare riedels uit. Jezus, wat is dit nu? dacht ik, is dit wat ik wil? Er zaten een heleboel kwarten en sexten in terwijl ik juist met kwinten bezig was vanwege Perotinus. Ik ben daarmee naar pianist Gerard Bouwhuis gegaan omdat ik wilde weten of het überhaupt speelbaar was. “Wat een goede noten!” zei hij. Hij vond het prachtig. En ik ging met zijn oren luisteren en ik dacht: Dit is héél goed. Dat leerde mij iets over smaak. In mijn stukken stel ik die smaak ter discussie. Door het uit elkaar vallen van de tonaliteit is er geen hiërarchie tussen de noten meer. Het componeren is additief geworden. Plat. Ik ben op zoek gegaan naar die hiërarchische verhoudingen die diepte mogelijk maken. Die diepte heb ik alleen gevonden in de manier waarop ik de tonaliteit te lijf ga. Dat is een heroïsch gevecht dat op zich dramatisch is, maar de harmonie zelf is niet meer dramatisch zoals zij in de achttiende en negentiende eeuw was. Dus als ik een verminderd septiemakkoord schrijf is dat een “geleende” dramatiek. Dat zoiets bij mij niet klinkt als eclecticisme of neoromantiek komt omdat ik via die computer zo veel verschillende laden opentrek. Met behulp van de computer probeer ik het compositieproces zo veel mogelijk te formaliseren. Daarmee stel je het moment van schoonheid uit. Ik hoop dat die schoonheid zo weer wat objectiever wordt. Dat is zo mooi aan de muziek van Bach of Stravinsky. Ze raakt je, maar is tegelijk afstandelijk. Een gesublimeerde emotie. Uiteindelijk gaat het wel om die dramatiek. Ik hoop de luisteraar te raken. Waar doe je het anders voor?’ Sinds Het gebroken oor is Cornelis de Bondt zich in de live-elektronica en het muziektheater gaan verdiepen. Zo maakte hij (elektronische) muziek bij Ifigineia in Aulis door theatergroep Hollandia. Een grote opera is het doel: lang, veel lagen, veel mensen, veel elementen - De man van smarten. De Bondt: 'Ik ben er al jaren mee bezig. Ik heb een plot en ik heb wat mensen om me heen verzameld - Paul Koek, Lodewijk de Boer en Jan Rispens - met wie ik het stuk gezamenlijk wil gaan ontwikkelen. Ik laat het rustig broeden. Als de tijd rijp is ga ik dat waanzinnige ei leggen.’