Groeiende weerstand tegen Johannesburg

De top die zichzelf niet kan redden

De weg naar duurzaamheid die op de VN-top in Johannesburg onderwerp van gesprek was, ondervindt groeiende weerstand. Vooral van voormalige supporters die afwillen van de zogenoemde «trickle-down-formule». Ze stellen zich steeds militanter op.

Toen Rio de Janeiro in 1992 gastheer was van de eerste VN-top over milieu en duurzame ontwikkeling, was er zoveel goodwill voor die gebeurtenis dat ze, zonder enige ironie, de bijnaam kreeg van «de Top om de Wereld te Redden». Deze week in Johannesburg, tijdens de follow-up-conferentie die bekendstaat als Rio+10, is er niemand die beweert dat de World Summit on Sustainable Development (Wereldtop over Duurzame Ontwikkeling) de wereld kan redden — de vraag is of de top zelfs in staat is zichzelf te redden.

Het heikele punt is wat bureaucraten van de Verenigde Naties «implementatie» noemen en wat bij ons «iets doen» heet. De schuld voor de «implementatiekloof» wordt grotendeels voor de deur van de Verenigde Staten gelegd. Het was George W. Bush die de enige betekenisvolle milieumaatregelen die uit de Rio-conferentie voortkwamen — de Kioto-overeenkomst over klimaatverandering — verwierp. Het was Bush die besloot niet naar Johannesburg te komen (zelfs zijn vader verscheen in Rio), daarmee aangevend dat de kwesties waarover in de Zuid-Afrikaanse hoofdstad wordt gepraat — van fundamentele gezondheidszorg tot schone energie — voor zijn regering weinig prioriteit hebben. En het is de Amerikaanse afvaardiging die het meest agressief alle voorstellen blokkeert die betrekking hebben op het direct reguleren van multinationale bedrijven of het vrijmaken van substantiële nieuwe fondsen voor duurzame ontwikkeling.

Maar op Bush inhakken is te gemakkelijk. De top mislukt niet vanwege dingen die nu gebeuren in Johannesburg; hij mislukt omdat vanaf het begin een bom onder het hele proces heeft gelegen.

Toen tien jaar geleden de Canadese ondernemer en diplomaat Maurice Strong werd aangewezen om de top in Rio voor te zitten, had hij een massale bijeenkomst voor ogen die alle «aandeelhouders» om de tafel zou brengen — niet alleen regeringen maar ook non-gouvernementele organisaties (milieuactivisten, inheemse groeperingen, lobbygroepen) en multinationals.

Door de aanpak van Strong was er veel meer participatie vanuit de burgermaatschappij dan in alle VN-conferenties tot dat moment, terwijl tegelijkertijd ongekende hoeveelheden corporatieve fondsen werden geworven voor de top (het hielp dat Coca-Cola zijn marketing team doneerde en Swatch een limited edition Earth Summit-horloge produceerde). Maar het sponsorschap had een prijs. Bedrijven kwamen naar Rio met duidelijke voorwaarden. Ze zouden ecologisch duurzame praktijken aanvaarden maar alleen vrijwillig — door niet-bindende regels en «best practices»-partnerschappen met NGO’s en regeringen. Met andere woorden: toen het bedrijfsleven in Rio aanschoof, werd de directe regulering van bedrijven aan de kant gezet.

In Johannesburg zijn die «partnerschappen» een parodie van zichzelf geworden: het conferentiecentrum staat propvol reclame voor «schone auto’s» van BMW en bill boards voor De Beers-diamanten die verkondigen dat Water Voor Altijd is. De grootste sponsor van de top is Eskom, het nationale energiebedrijf van Zuid-Afrika dat binnenkort wordt geprivatiseerd. Volgens een recent onderzoek zal door de herstructurering van Eskom elke maand in veertigduizend huishoudens de stroom worden afgesloten. En dat raakt de kern van het werkelijke debat rond de top.

De World Business Council for Sustainable Development (Wereldbedrijfsraad voor Duurzame Ontwikkeling), een corporatieve lobbygroep die werd opgericht in Rio, benadrukt dat de weg naar duurzaamheid dezelfde trickle-down-formule is die nu al wordt gehanteerd door de Wereldhandelsorganisatie en het IMF: arme landen moeten zichzelf openstellen voor buitenlandse investeringen, meestal door het privatiseren van fundamentele voorzieningen, van water tot elektriciteit tot gezondheidszorg. Net als in Rio promoten deze bedrijven vrijwillige «partnerships» in plaats van wetten die «bevelen en besturen».

Maar vandaag klinken die argumenten anders dan een decennium geleden. Nu, in het post-Enron-tijdperk, is het al moeilijk genoeg om te geloven dat bedrijven kan worden toevertrouwd hun eigen boekhouding te doen, laat staan de wereld te redden. En anders dan een decennium geleden wordt het economische model van laissez-faire-ontwikkeling militant verworpen door volksbewegingen over de hele wereld. Met name in Latijns-Amerika, maar ook in Zuid-Afrika. Deze keer zitten veel van de «aandeelhouders» niet aan de officiële tafel, maar staan buiten op straat of organiseren tegen-topconferenties om heel andere wegen naar ontwikkeling te bedenken: kwijtschelding van schulden, stoppen met privatiseren van water en elektriciteit, herstelbetalingen voor misdaden tijdens de apartheid, betaalbaar wonen, landhervormingen. Het meest ambitieus is de Week van de Landlozen, een parallelle gebeurtenis waar wordt gesteld dat het niet nakomen van de belofte van substantiële landhervormingen — in Zuid-Afrika en overal elders in de postkoloniale Derde Wereld — het allergrootste obstakel is geweest voor mondiale duurzame ontwikkeling.

Essentieel aan die bewegingen is dat ze niet langer bereid zijn simpelweg te praten over hun wensen — ze handelen ernaar. In de afgelopen twee jaar heeft Zuid-Afrika een golf van directe actie gekend, met groepen als het Soweto Electricity Crisis Committee, de Landless People’s Movement, Durban’s Concerned Citizens Forum en de Cape Town Anti-Eviction Campaign die zich organiseren om uitzettingen tegen te houden, ongebruikt land op te eisen en in de townships water en elektriciteit opnieuw aan te sluiten waar dat is afgesloten.

De massademonstratie van afgelopen zaterdag was dan niet zo massaal als de organisatoren hadden gehoopt, op voorhand was het lot van die mars allerminst zeker. De Zuid-Afrikaanse regering leek te hebben besloten dat als er niets anders uit zou voortkomen, de top in elk geval een mogelijkheid zou zijn om «misvattingen over veiligheid en zekerheid in Zuid-Afrika recht te zetten [en] de aandacht te trekken van buitenlandse toeristen en investeerders», zoals de provinciale politiechef Perumal Naidoo zei.

In de praktijk betekende dit dat afgezanten op borden die langs straten stonden, werden uitgenodigd «het kloppende hart te voelen» van «de Sensationele Stad», Sandton, terwijl de ultra-rijke buitenwijk waar de conferentie werd gehouden was getransformeerd tot een militaire zone, compleet met «megafouilleerpark» en spioneervliegtuigen die vanuit de lucht patrouilleerden. Alle protesten moesten worden beperkt tot een 1,8 vierkante kilometer groot «strijdperk», zoals veel mensen het noemden, en zelfs daar mochten alleen demonstraties plaatsvinden die door de politie waren toegestaan. Verkopers en bedelaars werden van straat geveegd, inwoners van kraakkampen uitgezet (velen werden verplaatst naar minder zichtbare plekken, ver weg van drukke wegen).

Moss Moya, een inwoner van een town ship die uit zijn huis zou worden gezet waar hij al achttien jaar woonde, had weinig hoop dat de top de armen van Zuid-Afrika zou helpen. «Als ze ons moeten gaan helpen», zei hij, «moeten ze ons eerst zien.» Maar toen Moya en zijn buren een bijeenkomst hielden om weerstand te bieden aan de pogingen hen te verhuizen achter een groepje bomen, sloeg de politie toe: Moya, een voormalige ANC-aanhanger, werd in zijn mond geschoten met een rubberen kogel, waardoor hij zes tanden kwijtraakte. Toen hij een klacht ging indienen tegen de politie werd hij in de gevangenis gegooid. Moya en zo’n duizend andere townshipbewoners besloten hun strijd te verplaatsen naar het centrum van Johannesburg. Ze hielden een vreedzame bijeenkomst buiten de kantoren van de premier van Gauteng, de provincie waarin Johannesburg ligt. Recht onder een bord met de tekst: «De mensen van Gauteng heten WSSD-afgezanten welkom in de Slimme Provincie», werden 77 demonstranten gearresteerd, waaronder de gehele leiding van de Beweging van Landloze Mensen. (Op één na — een Amerikaans staatsburger, die nog steeds uitzetting te wachten staat — zijn ze sindsdien allemaal vrijgelaten.)

Op 24 augustus greep de politie zelfs in tijdens een «mars voor vrijheid van meningsuiting» bij kaarslicht, die werd gehouden om te protesteren tegen bovengenoemde en andere massa-arrestaties. De spontaan georganiseerde optocht ging in de richting van een gevangenis in het centrum. Maar voordat de menigte van duizend lokale en internationale activisten één blok had kunnen lopen, omsingelde de oproerpolitie haar en barricadeerde de weg. Zonder waarschuwing werden traangasgranaten afgevuurd op de demonstranten, van wie er drie gewond raakten.

De Top over Duurzame Ontwikkeling zal de wereld niet redden; ze heeft er vooral een overdreven en vervormde spiegel van gegeven. In de exquise restaurants van het superrijke Sandton zaten afgevaardigden letterlijk te eten op kosten van hun bezorgdheid om de armen. Ondertussen, buiten de hekken, werden arme mensen weggeborgen, aangevallen en in de cel gegooid vanwege datgene wat de iconische verzetsdaad in een niet-duurzame wereld is geworden: weigeren te verdwijnen.

Naomi Kleins nieuwste boek is Fences and Windows: Dispatches From the Front Lines of the Globalization Debate (uitg. HarperCollins)

Dit artikel verscheen eerder in The Nation

Vertaling: Rob van Erkelens