Hoofdcommentaar: Europa-top

De top van de angst

«Heel behoorlijk.» Zo noemde Jacques Chirac het resultaat van de Europese topontmoeting van het afgelopen weekeinde in Nice. Zelfs de getergde Belgische premier Verhofstadt, die tot het allerlaatste moment dreigde zijn veto te gebruiken, toonde zich na afloop min of meer tevreden. In de verklaringen van alle regerings leiders werd vastgesteld dat er op een of andere wijze «vooruitgang» is geboekt. Bij nader inzien verwezen ze voornamelijk hoopvol naar de toekomst en niet naar het nu bereikte akkoord.

Zulke verklaringen hebben dezelfde waarde als de handel op het Waterlooplein: het is maar wat een gek ervoor geeft. Degenen die vreesden voor een onherstelbare breuk in de Europese eenheid kunnen tevreden zijn. Het risico was niet denkbeeldig dat de overvraagde en oververmoeide onderhandelaars (die in hun vaderland die meest uiteenlopende «harde» verkiezingsbeloften moeten nakomen) halverwege vechtend uiteen zouden stuiven. Dat gevaar is bezworen, maar daar is alles mee gezegd. De verhoopte radicale bestuurshervorming die de EU klaar moet maken voor de toe treding van nieuwe lidstaten is mislukt. Zoals De Standaard een dag later schreef: «Geen kat gelooft dat het ‹Verdrag van Nice› waarover de staats- en regeringsleiders maandagochtend een akkoord bereikten, de Unie gereedmaakt voor de uitbreiding.» Het is zelfs de vraag of de Unie een functionerende organisatie kan blijven als de twaalf nieuwelingen straks in Brussel hun opwachting maken. De Europese Commissie en de ministerraden zullen dan bestaan uit 27 leden. En dit buitengewoon logge apparaat moet de coördinatie gaan verzorgen tussen lidstaten die ook nog eens verdeeld zullen zijn in verschillende «kopgroepen» en «achterhoedes» van achtereenvolgens de rijke en arme lidstaten.

Het fiasco van Nice is vooral te betreuren omdat een bestuurshervorming ook een prachtig breek ijzer zou kunnen zijn om het democratisch gehalte van de Europese besluitvorming te vergroten. Een eerste stap zou het opengooien van de ministerraadsvergaderingen voor een groter publiek kunnen zijn; als deze organen toch een stuk groter worden dan nu, zouden ze enigszins als parlement kunnen gaan functioneren, zodat publieke controle op hun werkwijze en besluitvorming mogelijk wordt. Misschien moeten we ons er bij neerleggen dat onze regerings leiders niet in staat zijn zoveel visie te ontwikkelen, althans in deze samenstelling. In de maanden lange aanloop naar de top wisten ze al zo weinig enthousiasme, crea tiviteit of zelfs maar flux de bouche op te brengen dat je er Euromoe van zou worden. Een maal in Nice waren ze geen moment bezig met de vraag hoe Europa er de komende 25 jaar moet uitzien, alleen met de vraag hoe ze heelhuids dat vermaledijde weekeinde doorkwamen. Deze top werd geregeerd door angst voor verlies van macht, kiezers en prestige.

Maar zijn de hoopvolle toekomstverwachtingen dan misschien gerechtvaardigd? Komt er na jaren van uitstel, Frans-Duitse koehandel en Britse intimidatie tenminste enige beweging in de starre onderlinge verhoudingen als de nieuwe lidstaten eenmaal toetreden? En het belangrijkst van alles: komt het beloofde Europa van de burger een stap dichterbij of moeten we het de komende jaren doen met meer van hetzelfde? Helaas, we krijgen waarschijnlijk meer van hetzelfde. Dit akkoord is niet meer dan een doekje voor het democratisch bloeden en het traject voor de naaste toekomst dat erin wordt uitgezet, biedt ook al geen perspectief. Er zijn geen fundamentele keuzes gemaakt, geen tegenstellingen overbrugd, geen nieuwe inzichten gewonnen. De obstakels op de weg naar uitbreiding van de EU zijn in formele zin genomen, dat is alles.

In feite komt het moeizaam bereikte compromis van de vijftien neer op een marginale verandering in procedures en structuren die allang achterhaald zijn. De grote lidstaten zullen over enkele jaren hun extra commissaris (en dus hun extra invloed in de Europese Commissie) opgeven. In ruil daarvoor krijgen ze een groter stemgewicht in het machtigste Europese bestuursorgaan, de Raad van Ministers. Er is dus sprake van een nieuwe machtsverdeling tussen de regeringen van de lidstaten, een herverdeling waardoor de macht van de grote landen ten opzichte van de kleine landen wordt versterkt en de dominante positie van Duitsland in Europa wordt bevestigd. De besluitvorming wordt enigszins gestroomlijnd, maar de nieuwe procedures en machtsverhoudingen zullen nieuwe conflicten oproepen, bijvoorbeeld tussen de grote en kleine lidstaten. Over de diplomatieke consequenties zullen de experts zich de komende maanden naar hartelust kunnen buigen.

Het schreeuwend tekort aan democratie, openheid en parlementaire controle wordt er niet mee verholpen. Het impliciete uitgangspunt van de besluitvorming blijft dat de burgers van een en dezelfde lidstaat meer met elkaar gemeen hebben dan met burgers van een andere lidstaat, ook al is dat in de praktijk allang niet meer zo. De tegenstellingen die in de Europese top worden uitgevochten, zijn vaak onoplosbaar of irrelevant omdat ze berusten op een beperkte opvatting van zogenaamde nationale belangen, belichaamd door de regeringen en hun diplomatieke vertegenwoordigers. In werkelijkheid hebben de Europese burgers veel meer gedeelde dan tegengestelde belangen. Waarom is bijvoorbeeld de BSE-crisis, waarin het gezondheidsbelang van de overgrote meerderheid van Europeanen tegenover de winst van een kleine groep producenten stond, niet binnen de kortste keren bevredigend opgelost? Omdat nationaal prestige en kortetermijnbelangen veel te zwaar wegen binnen de huidige bestuursstructuur. Daar om durfden de vijftien lidstaten afgelopen weekeinde geen van alle af te zien van hun vetorecht. Het vetorecht is een noodzakelijke bepaling in het verkeer tussen staten, in het verkeer tussen burgers is het een belemmering. Zolang de gezamenlijke belangen van Euro pese burgers niet worden ver te gen woordigd door een soeverein Europees parlement, legt de Euro pese gedachte het af tegen procedures en protocollen.