Even twijfel ik. Voor een interview ben ik op een lentedag een café binnengestapt en zie dat er nog maar één tafeltje over is. Het staat precies voor een enorme spiegel, een mooie oude, met spannende barsten en scheuren, waarin je jezelf een beetje vervormd terugziet. Ik ga toch maar met mijn rug naar de spiegelwand zitten. Misschien vindt mijn gesprekspartner, een gelauwerd theaterregisseur, het wél prima zichzelf in de spiegel te zien?

Maar als hij een paar minuten later binnenkomt, zie ik dat ook hij wat ongemakkelijk naar de spiegel kijkt. Het eerste wat hij doet is zich op zo’n plek te manoeuvreren dat hij zichzelf niet hoeft te zien. Dus daar zitten we dan, weggedoken aan het cafétafeltje, zodat de enorme spiegel ons beeld niet zal weerkaatsen, terwijl we over zijn nieuwe toneelstuk praten.

Een beetje vreemd vinden we het zelf ook wel. Het is het eerste interview dat ik na de coronalockdown ‘in het echt’ voer, en het is duidelijk dat er in de maanden in afzondering iets nieuws is gebeurd. We hebben onszelf niet meer alleen dagelijks in de spiegel kunnen zien, maar door het vele videobellen hebben we dankzij een klein onopvallend venstertje onderin ook ontdekt hoe de anderen óns zien.

‘Een permanent observeren van jezelf’, noemt de theaterregisseur het, als hij zich in zijn hoekje naast de spiegel manoeuvreert. In het theater is de regisseur een dergelijk verhoogd bewustzijn van de eigen verschijning wel gewend, maar het is nieuw hoe dit nu het dagelijks leven is binnengedrongen. Vroeger werd je alleen ‘bij elk wc-bezoekje met je uiterlijk geconfronteerd’, maar nu ‘zit een flink deel van de Nederlanders onder werktijd constant naar de pixelversie van zichzelf te staren’, zoals een redacteur het op de website van het tv-programma Jinek beschrijft.

Er is daarmee in korte tijd een compleet andere verhouding tussen jezelf en je eigen verschijning ontstaan. ‘Het probleem’, schreef de Franse filosoof Jean-Paul Sartre in 1939 in een essay over het gezicht, ‘is dat ik mijn gezicht niet zie, of in ieder geval niet direct. Ik draag het voor me als een geheim waarvan ik me niet bewust ben, het zijn juist de gezichten van anderen die me iets vertellen over mijn eigen gezicht.’

Dat is met het videobellen voorbij. Het is niet meer de ander die je vertelt hoe je eruitziet als je praat, maar je kunt het zelf zien. Ik zie mezelf gezichten trekken waarvan ik niet eens wist dat ik ze kon maken, ik zie mezelf met een blik in de ogen die ik bij het tandenpoetsen in de spiegel niet had gezien. En precies dat is het, waarom we onszelf in het café nu even niet hoeven te zien. Het is niet zozeer de schroom voor het eigen spiegelbeeld; het is de confrontatie met dit andere deel van jezelf, de blik op jezelf in een sociale situatie, die we willen vermijden.

In het begin van het videobellen blijkt niet alleen de onduidelijke camerahoek en ongeflatteerde lichtval voor de grote schok van de nieuwe techniek te zorgen, maar juist ook deze nieuwe blik op jezelf. Na de eerste maanden van massale videoconferenties in de lockdown vloog er direct een nieuw begrip over het internet: the Zoom-face. Een columniste van The Guardian noemde het Zoom-gezicht een soort ‘omgekeerd Narcissus-complex’, waarbij de permanente observatie van jezelf niet leidt tot eigenliefde, maar ‘tot ontevredenheid en wanhoop’.

Er wordt sindsdien hard geschaafd om de confrontatie ermee te verzachten. De ‘Zoom-Boom’ werd de toename van het aantal ingrepen door plastisch chirurgen sinds de toename van het videobellen al genoemd. Maar ook wie niet direct naar het mes grijpt, heeft de mogelijkheid meer grip op zijn verschijningsbeeld te krijgen. In korte tijd is er een compleet arsenaal aan apparatuur ontstaan: speciale lampen, speciale camera’s, speciale schermachtergronden die de best mogelijke versie van onszelf moeten garanderen. Op YouTube zijn er diverse tutorials te zien over de manier waarop je het beste kunt kijken. Je kunt er leren de wenkbrauwen in een vriendelijk boogje te plooien, de mondhoeken niet te zwaar laten hangen, en ook bij het geconcentreerd luisteren naar de ander vooral niet vergeten begripvol te glimlachen.

Van een dagelijks geheim is het eigen gezicht een dagelijks project geworden. Maar hoe nieuw deze omgang met de eigen beeldvorming ook is, op zichzelf is het een logische vervolgstap in de lange geschiedenis van het spiegelbeeld.

Ik heb me sinds de literatuurles van de middelbare school altijd een citaat uit de roman Nooit meer slapen (1966) van W.F. Hermans herinnerd. Hermans laat zijn hoofdpersoon, de jonge geoloog Alfred Issendorf, mijmeren over de ‘drie stadia van de mens’. Deze drie stadia hebben volgens hem te maken met de verhouding die we tot onze eigen beeltenis hebben, waarbij het steeds weer de techniek is die onze blik op onszelf bepaalt.

Hermans, een fervent amateurfotograaf, gaat het vooral om de derde fase, die van de uitvinding van de fotografie, maar zijn eerste twee fases zijn niet minder interessant. In het eerste stadium is de mens nog naïef, hij onderscheidt zich maar weinig van een dier. De reden voor deze staat van onschuld, aldus Hermans: hij kent zijn eigen spiegelbeeld niet. Hij valt samen met zichzelf, er is geen beeld van hem of haar buiten zichzelf, dus hoeft hij daar ook niet over na te denken, laat staan zich daar zorgen over te maken.

Het tweede stadium begint bij de ontdekking van het spiegelbeeld. Hermans neemt hiervoor de figuur ‘Narcissus’ als voorbeeld, de jongeman uit de Griekse mythologie die zijn eigen spiegelbeeld prefereerde boven de nimf Echo. Eerst herkent hij zichzelf niet, maar als hij dat wel doet, kwijnt hij weg uit verdriet over de onbereikbaarheid van zijn liefde. Voor Hermans is Narcissus echter geen hardvochtige egoïst, maar ‘de grootste geleerde van de Oudheid’. In de herkenning van zichzelf in de spiegel begint voor Hermans een nieuw menselijk bewustzijn: ‘Voor het eerst ziet “ik” “zichzelf”.’ En ook dat was nog niet direct een probleem: ‘Hij kon ervan houden of niet, maar hij werd niet door zichzelf verraden. Ik en zelf waren symmetrisch, elkaars spiegelbeeld, meer niet.’

Hermans’ indeling is zeer bruikbaar: de opmars van de spiegel heeft historisch gezien een aanwijsbaar effect gehad op het bewustzijn van de mens van zichzelf, maar deze omslag is wel een stuk langzamer gegaan dan hij suggereert. Tegenwoordig heeft ieder huishouden meerdere spiegels, maar dat is een recente ontwikkeling; de eerste spiegels waren zevenduizend jaar geleden donkere oppervlaktes van geslepen steen, ze gaven eerder het vermoeden met een andere, bovennatuurlijke werkelijkheid te maken te hebben.

‘Jezelf’ helder kunnen zien is een sensatie die het grootste deel van de geschiedenis voor de meeste mensen onbekend was. In het Athene van de vijfde eeuw bestaat er weliswaar een enigszins bruikbare metalen spiegel, in het oude Rome komen er spiegels van glas, maar in de Middeleeuwen gaan de technieken weer verloren en ziet men zich weer vervormd en troebel op kleine bolle spiegeltjes. Als vanaf 1450 de technieken weer beter worden en er spiegels uit Venetiaans glas worden gemaakt, begint eigenlijk pas wat Hermans beschrijft: een helderder blik van de mens op zichzelf − letterlijk.

Van een dagelijks geheim is het eigen gezicht een dagelijks project geworden

De zelfportretten van de Renaissance staan in de kunstgeschiedenisboekjes altijd vermeld als de symbolische geboorte van het ‘westerse individu’, maar een stuk minder vaak staat erbij dat ze precies dan opkomen als er ook betere spiegels ontstaan. De dertienjarige Albrecht Dürer, die in 1484 als een van de eerste kunstenaars in de geschiedenis een zelfportret van zichzelf maakte, wílde zichzelf tekenen, maar hij kón zichzelf ook tekenen omdat hij een spiegel bezat waarin hij zichzelf goed kon zien.

De spiegel is dan nog wel alleen weggelegd voor de hogere klassen, en het afbeelden van jezelf aan hen met het talent en de opleiding ervoor. Pas eind negentiende eeuw wordt de spiegel een normaal gebruiksvoorwerp voor de middenklasse, pas dan begint wat wij inmiddels zo gewend zijn: permanent omringd worden door beelden van jezelf. Het is de tijd van steeds meer spiegels, van steeds meer winkelruiten, en ook nog eens van de verspreiding van de fotografie. Hermans heeft het gevolg van deze toenemende beeldenvloed in zijn driedeling van de geschiedenis niet expliciet vermeld, maar al wel aangeduid.

Als derde stadium van het menselijk zelfbeeld wijst de schrijver de fotografie aan, en daar beginnen de problemen volgens hem pas goed. In de sarcastische woorden van Hermans is het zelfbeeld na de uitvinding van de fotografie nooit meer hetzelfde geweest: ‘Het voordien vrij zeldzame twijfelen aan zichzelf, laait op tot radeloosheid.’ Want, zegt Hermans: ‘Hoe dikwijls gebeurt het dat er een pasfoto van ons gemaakt wordt waarvan wij evenveel houden als van ons spiegelbeeld? Hoogst zelden! Voordien, als iemand zijn portret liet schilderen en het beviel hem niet, kon hij de schuld aan de schilder geven.’

De schok van de fotografie heeft te maken met de belofte die de nieuwe uitvinding met zich meebrengt. De fotografie geldt in de eerste decennia na de uitvinding in 1839 als een techniek die de ‘waarheid’ weet vast te leggen. De camera is geen schilder die kiest en aanpast, maar hij zou ‘objectief’ zijn. Maar al snel blijkt dat deze objectiviteit toch erg relatief is. Een foto is zeer afhankelijk van lichtval, schaduwwerking en andere toevalligheden. Deze relativiteit heeft echter ook een flink voordeel: je kunt een foto ook sterk manipuleren.

De opkomst van de fotografie betekent daarom óók het begin van een nieuwe fase in de controle van het eigen zelfbeeld. Het negentiende-eeuwse fotoatelier wordt als ‘een toneel’ waarin de hoofdpersoon ‘een toneelstuk voor een imaginair publiek kan opvoeren’, schrijft historicus Alain Corbin. Vanaf de twintigste eeuw zullen nog meer mensen leren aan het eigen beeld te schaven. De twintigste-eeuwse mens verandert zijn houding al als hij weet dat er ‘door een lens naar hem wordt gekeken’, schrijft filosoof Roland Barthes in de jaren vijftig. Met andere woorden: de techniek zorgt in de geschiedenis niet alleen voor een andere omgang met het eigen beeld, maar zorgt er ook voor dat we het beeld van onszelf ook steeds beter leren corrigeren.

Met de opkomst van de digitalisering in de 21ste eeuw is precies dit tot een voorlopig hoogtepunt gekomen. Hermans heeft het niet meer meegemaakt, maar het is duidelijk dat hier iets nieuws aan de hand is. Hoe sarcastisch hij het ook zou hebben geïnterpreteerd, je kunt gerust van een vierde stadium spreken, na de uitvinding van de spiegel en de fotografie, dat van het zelfbeeld in het digitale tijdperk.

De vraag wat we eigenlijk zien als we naar onszelf kijken, is nooit helemaal veranderd sinds er bruikbare spiegels zijn. Een spiegel is zowel ‘waarheid als leugen’, zegt de schilder David Hockney. De spiegel biedt een beeld van jezelf, maar toch ook weer niet, omdat het spiegelbeeld vervormt, omdat het jezelf spiegelverkeerd weergeeft, en omdat het natuurlijk ook maar alleen het uiterlijk is wat het weergeeft.

Is de spiegel een instrument voor zelfkennis? De beste spiegel, zei Socrates, vormen de ogen van de ander. Letterlijk in de pupillen van de ander zie je jezelf, maar figuurlijk laat de reactie van de ander ook zien wie je echt bent − of wat er van je geworden is. Maar om diezelfde reden zag Socrates de spiegel toch als een nuttig instrument. Hij gaf de spiegel aan dronkaards om hen de gevolgen van hun drankzucht te laten zien. Zelfkennis is dat niet, eerder een verhoogd bewustzijn van hoe de wereld jou ziet: kijk in de spiegel in hoeverre het morele verval al toegenomen is.

De echo van deze socratische gedachte is in de hedendaagse psychologie terug te vinden. Er is een interessante theorie over de spiegel, waarin wordt gesteld dat de blik op je spiegelbeeld eigenlijk ook altijd de blik van de ander op jezelf is. In de spiegel werp je niet zozeer een blik naar het binnenste van jezelf, maar zie je je ‘sociale zelf’. In de spiegel leer je ‘de andere kant van jezelf’ kennen, aldus Hockney: namelijk dat deel waarmee je jezelf in de buitenwereld vertoont. Daarmee begint op vroege leeftijd direct ook het besef dat je dat beeld zou kunnen aanpassen, zo blijkt uit onderzoeken naar hoe kinderen met hun spiegelbeeld omgaan. Dit besef begint ’s ochtends al, bij het haren kammen. Door het eigen zelfbeeld in de spiegel te leren controleren, probeer je te bepalen hoe de buitenwereld jou ziet.

Historisch gezien betekenen nieuwe technieken om jezelf te zien dan ook minder de toename van zelfkennis, maar wel van steeds meer controle over het zelfbeeld. De uiterste consequentie hiervan ontvouwt zich voor het eerst pas goed in de Franse aristocratische cultuur van de late zeventiende eeuw. Op dat moment laat Lodewijk xiv in Versailles de spiegelzaal bouwen, die op zijn beurt weer een nieuwe maatstaf voor andere hoven in Europa betekent.

De hoveling zou het liefst de hele dag een spiegel bij zich dragen, schrijft de zeventiende-eeuwse Spaanse filosoof Baltasar Gracián, dan kan hij iedere beweging, iedere expressie tot in de uiterste puntjes controleren. In de spiegelzaal wordt dit verlangen waarheid. De spiegelzaal is zijn ultieme droom, maar ook zijn nachtmerrie. Hier is de zelfcontrole tot een permanente bezigheid geworden, hier ziet de aristocraat wat hij volgens de etiquette goed óf fout doet, hier ziet hij of zijn zelfbeeld klopt met het beeld dat de buitenwereld van hem zou moeten hebben.

Een spiegelzaal kent het hedendaagse openbare leven niet meer, maar we zijn inmiddels wél permanent omgeven door spiegelende digitale beeldschermen. Op de smartphone kan de gebruiker zichzelf direct op een schermpje zien terwijl hij zichzelf fotografeert. Hij kan aan zijn beeld sleutelen tot hij het goed vindt, hij heeft hiervoor technieken tot zijn beschikking die vroeger alleen voor de professionele fotografie toegankelijk waren, en hoeft pas dit verbeterde beeld de wereld in te sturen. Voor wie het toeval compleet wil uitsluiten zijn er ook speciale ‘selfie-musea’ ontwikkeld, waarin de bezoeker zichzelf met de perfecte lichtval, de spannendste attributen en professionele fotografische hulp kan proberen in een ideaal beeld te vangen.

In vergelijking met de selfie-functie van de smartphone lijkt de videocall een erg ‘spontane’ communicatievorm, maar dat is die allerminst. We zien hier je ‘sociale zelf’ aan het werk, dat ‘andere’ communicerende deel van onszelf dat tot voor kort in het gewone leven verborgen was, en we zien het ook nog eens erg selectief; het beeldscherm toont je alleen vanaf de schouders, de rest is onzichtbaar, we zien geen lichaamshouding, geen bewegingen of gebaren. In deze uitsnede is geen plek voor subtiliteiten, hier moet de boodschap heel duidelijk zijn om over te komen. Het is een manier van communicatie waarbij je jezelf aanpast om bij de techniek te passen. De nieuwe attributen voor de camera en lichtval en de tutorials voor de juiste expressie zijn pas het begin.

De ‘waarheid en leugen’ van het spiegelbeeld heeft hier een volledig nieuwe betekenis gekregen. De digitalisering heeft de controle van het eigen beeld voor de grootst mogelijke massa mogelijk gemaakt. In zekere zin is de mens per definitie al ‘de toneelspeler van zijn eigen gezicht’, zoals kunsthistoricus Hans Belting in 2013 schreef in Faces, zijn ‘cultuurgeschiedenis van het gezicht’. Maar als de afgelopen jaren iets duidelijk werd, is het dat we steeds meer ervaren toneelspelers zijn geworden.

Alles is te zien en te controleren. We zijn nu allemaal zoals de aristocraten aan het Franse hof geworden. We staan onder permanente observatie van onszelf, en we worden er steeds bedrevener in om elk detail te controleren en aan te passen − een droom en nachtmerrie tegelijk.