De totale markt

Privatisering, deregulering en mondiale concurrentie zijn de parolen van het eind van onze eeuw. Alternatieve visies zijn verdrongen naar de politieke marge. De staat raakt in diskrediet, de democratie wordt een holle frase en de wereld lijkt op drift. De komende weken belicht De Groene Amsterdammer in een serie artikelen de chaos van de markt, de onmacht van de burger en de universele pretenties van het neoliberalisme.
De neoliberale marktideologie beheerst zo'n beetje alle hoeken en gaten van het leven: de economie, de sociale voorzieningen, het onderwijs, de relaties tussen mensen. Maar ook ‘vrije’ markten moet worden afgedwongen. Dat gaat gepaard met illusies, leugens en geweld.
TWEE JAAR GELEDEN had ik kortstondig de wijsheid in pacht. Ik schreef toen op deze plaats dat het proces van economische globalisering een logische uitkomst is van de explosieve ontwikkeling van de informatie-, communicatie- en transporttechnologie.

Daardoor wordt een mondiale spreiding van economische bedrijvigheid en tegelijk een verdere concentratie van kapitaal onvermijdelijk. Over de aard van die expansie twijfelde ik geen ogenblik; het was capitalism as usual, maar nu op wereldschaal. De daaruit resulterende sociale en ecologische ontwrichting zou nieuwe vormen van klassenstrijd veroorzaken en hopelijk uitmonden in mondiale samenwerking en uiteindelijk een nieuw wereldburgerschap. Gelukkig, dacht ik toen, levert het mondiale kapitalisme zelf de middelen om dat burgerschap gestalte te geven, in de vorm van institutionele raamwerken en snelle informatie- en communicatiemiddelen waarvan NGO’s, onafhankelijke wetenschappers en democratische bewegingen gebruik kunnen maken.
Dat klonk wijs, maar het was allemaal nogal voorbarig. Zoals zoveel commentatoren was ik in de zomer van 1993 overrompeld door de stortvloed van alarmerende artikelen, uitmondend in het globaliseringsdebat van de verzamelde vaderlandse grootindustrielen onder leiding van minister Andriessen. Na twee decennia van economische stagnatie en stijgende werkloosheid kwam de globalisering opeens als een deus ex machina uit de coulissen zeilen.
‘En toen was daar plotseling de “globaliseringsthese” ’, schrijft de Nederlandse filosoof Ewald Engelen in De mythe van de markt (1995). Hij vertrouwde het zaakje meteen al niet. 'Hoge loonkosten in West-Europa dwingen ondernemingen om delen van hun produktie te verplaatsen naar lage-lonenlanden, zo werd gesteld. Een stortvloed van anekdotisch bewijsmateriaal volgde, waarin steeds dezelfde ondernemingen terugkeerden, maar geen cijfers.’ Engelen verdiepte zich in de recente sociaal-economische geschiedenis, paste zijn wetenschapsfilosofische repertoire toe op de gangbare economische theorieen en kwam tot de conclusie dat de leuze 'meer markt, minder overheid’ volstrekt uit de lucht gegrepen is.
BIJ MIJ REZEN de eerste twijfels tijdens de formatie van het kabinet-Kok. De paarse regeringsverklaring verdedigde zoveel bezuinigingen met een beroep op mondiale economische verschuivingen dat ik besloot om met hulp van het CBS eens uit te zoeken hoeveel banen er nu werkelijk naar het buitenland verdwenen. Het bleken er maar een paar duizend per jaar te zijn.
Er vinden wel verschuivingen plaats, maar van een heel andere aard. Nader onderzoek van de beschikbare cijfers wijst uit dat globalisering hoofdzakelijk plaatsvindt op de kapitaalmarkten, niet op de markten voor goederen en diensten. Er wordt niet wereldwijd met banen geschoven, maar met investeringen, deviezen en de nieuwste beleggingssnufjes, de zogenaamde financiele derivaten. Daarnaast worden in het Westen grote aantallen banen opgeheven in het kader van afslankingsoperaties, terwijl de banengroei al twee decennia achterblijft bij de economische groei. Daaraan is echter niet de globalisering debet, maar de automatisering en de gestegen arbeidsproduktiviteit. De gevolgen van de-industrialisatie en massawerkloosheid zijn weliswaar ontwrichtend, maar ze worden pas catastrofaal door de ideologische rechtvaardiging ervan, sinds een jaar of vijf neoliberalisme geheten. Het neoliberalisme is eerder een vertoog, een nieuwe perceptie van de werkelijkheid, dan de beschrijving van een nieuwe werkelijkheid. Het is deze mondiale bewustzijnsverschuiving die de globalisering zijn verpletterende gewicht geeft.
IN HET NEOLIBERALE universum staan alle menselijke betrekkingen in het teken van de onbelemmerde wedijver. Politici, industrielen en vakbonden dienen uit te gaan van de concurrentie als enige motor van de maatschappelijke ontwikkeling. 'De concurrentie is van een middel omgevormd tot een ideologie en een agressief doel van overleving en hegemonie’, schrijft de Groep van Lissabon, een club van negentien westerse wetenschappers, in het rapport Grenzen aan de concurrentie (1995). Voor het verkeer tussen staten heeft deze ideologie ingrijpende gevolgen. De klassieke oorlogvoering met zijn aristocratische parolen van recht en eer wordt beschouwd als achterhaald, want niet winstgevend. Staten zijn hooguit te bewegen tot halfslachtige interventies, die gewelddadige conflicten inperken tegen zo laag mogelijke kosten en met zoveel mogelijk politiek en economisch gewin voor de betrokken landen.
Op nationaal niveau worden de openbare orde, de sociale zekerheid, de volksgezondheid en andere collectieve voorzieningen aan de markt en dus aan de concurrentie tussen de burgers overgelaten, zodat de laatsten op zichzelf worden teruggeworpen. De grens tussen economische en fysieke overleving en tussen legitieme en illegitieme wedijver vervaagt en uiteindelijk wijkt het geweldmonopolie van de overheid voor het geweld van de gewapende burger als krijgsheer, bendelid, beveiligingsbeambte of buurtwacht. Het resultaat van deze ongeremde concurrentie is 'een nieuwe wereldorde die onder het gesternte van de burgeroorlog staat’, schrijft Hans Magnus Enzensberger in zijn onrustbarende essay Aussichten auf den Burgerkrieg (1993).
We zijn dus getuige van een morele omwenteling die de menselijke betrekkingen op alle niveaus, van de grote internationale overlegorganen tot en met de alledaagse omgang tussen burgers, diepgaand beinvloedt. Een regelrechte revolutie die - als zoveel revoluties uit de geschiedenis - onder de vlag van de vrijheid een nieuwe dictatuur vestigt en een beperkt heersersbelang dient. We zijn geconditioneerd om de dragers van macht en gezag te zoeken in onze paleizen en parlementen, maar de werkelijke macht wordt uitgeoefend in economische netwerken die boven de wet staan. De onfeilbare werking van de markt schept een nieuwe mondiale elite, die gelijk Charles Foster Kane in de film van Orson Welles 'the loot of the world’ vergaart. De redactie van Le Monde Diplomatique wijdde jongstleden november een heel katern (Maniere de voir 28) aan de invloed en het eigenmachtig optreden van deze elite. Noch Ted Turner van CNN, noch Rupert Murdoch van News Corporation Limited, Bill Gates van Microsoft, Jeffrey Vinik van Fidelity Investments, Larry Rong van China Trust and International Investment of Robert Allen van ATT leggen hun plannen ooit aan de kiezer voor. De markt legitimeert hun macht, want 'de markt brengt dagelijks zijn stem uit’, aldus ’s werelds machtigste speculant George Soros. De produktieve basis van deze heerschappij mag dan de technologie zijn, zij ontleent haar legitimiteit aan een politieke revolutie.
NA DE CRISISJAREN en de Tweede Wereldoorlog heerste er in de westerse wereld brede overeenstemming over een aantal maatregelen en middelen om de vrije markt in te perken. Deze 'sociaal-democratische consensus’ was gebaseerd op drie arrangementen: sociale zekerheid, volledige werkgelegenheid en een gemengde economie. De westerse overheden konden dank zij deze consensus een gemeenschappelijk instrumentarium van vaste wisselkoersen, handelstarieven en controles op het kapitaalverkeer ontwikkelen. Rond 1980 is de sociaal- democratische consensus echter vrijwel moeiteloos weggevaagd door een rechts offensief, een politiek en moreel appel dat bij grote groepen kiezers aansloeg.
Simon Gunn, sociaal historicus en medewerker van het Transnational Institute van de Verenigde Naties, heeft dit verschijnsel voor het eerst benoemd. In Revolution of the Right (1989) stelde hij dat de sociaal-democratische consensus is vernietigd door een 'conservatieve internationale’ met een agenda die we tegenwoordig neoliberaal noemen: terugdringing van de staat, invoering van het volkskapitalisme en herstel van orde en gezag. Het opmerkelijke aan deze agenda is volgens Gunn dat de betrokken partijen voor het eerst in de geschiedenis hun nationale eigenaardigheden achter zich hebben gelaten: 'Meer dan ooit tevoren begrijpen conservatieve politici uit verschillende landen elkaar: ze spreken letterlijk dezelfde taal.’
Gelegitimeerd door de neoklassieke stroming binnen de economie hebben de conservatieve revolutionairen een flinke opmars door de instituten gemaakt. Sinds de jaren zeventig is het aantal economen op beleidsposten en in staatkundige adviescolleges en internationale overlegorganen dramatisch gestegen. De faculteiten waar zij worden opgeleid, worden gedomineerd door de neoklassieke school. Het eerste studiejaar wordt veelal in beslag genomen door het aanleren van de wiskundige technieken van het neoklassieke marktmodel, zodat aankomende economen geen inzicht meer krijgen in de geschiedenis van hun vak en in alternatieve opvattingen.
Buiten de politieke organen om mengen conservatieve denktanks zich rechtstreeks in de politiek: de Heritage Foundation in de Verenigde Staten, het Kieler Institut in Duitsland, de Club de l'Horloge in Frankrijk. Margaret Thatchers conservatieve revolutie is voorbereid door maar liefst drie denktanks: het Institute of Economic Affairs, het Centre for Policy Studies en het Adam Smith Institute. In ons land werd het dereguleringsoffensief van de jaren tachtig ingezet door een groep wetenschappers en ambtenaren rond het Onderzoekscentrum voor Financieel Economisch Beleid van de Erasmus Universiteit. Het programma van deze conservatieve revolutie is niet behoudzuchtig maar radicaal en dringt diep door in het particuliere domein van de burger, in de sfeer van opvoeding, gezin, seksleven, esthetiek en moraal. De markt maakt iedereen vrij, maar sommigen vrijer dan anderen. Zo kan het gebeuren dat bepaalde kunstvormen tot pornografie worden verklaard, terwijl pornografische reclames tot kunst worden verheven. Zoals Margaret Thatcher in een van haar key-note speeches zei: 'De economie is onze methode, ons doel is een geestelijke omwenteling.’ De kracht van de neoliberale revolutie berust uiteindelijk op haar mensbeeld, de homo economicus.
KORT SAMENGEVAT is de homo economicus een mens die streeft naar een zo groot mogelijk nut voor zichzelf door het maken van rationele keuzen. Voor de negentiende-eeuwse liberalen en politieke economen was de homo economicus een zinnebeeld, een abstract begrip waarmee hooguit een deel van het menselijk gedrag kon worden verklaard. Sedert de jaren vijftig van deze eeuw heeft de neoklassieke school de economische mens echter uitgeroepen tot theoretische panacee, dat wil zeggen tot een verklaringsmodel voor elk menselijk handelen.
In 1957 beschreef de Amerikaanse econoom Downs reeds het gedrag van politieke partijen met behulp van de neoklassieke uitgangspunten: politieke partijen gaan te werk als winstgerichte ondernemers en het stemgedrag van burgers is rationeel, dat wil zeggen financieel gemotiveerd. In de jaren zeventig verklaarde zijn landgenoot en Nobelprijswinnaar Becker in The Economic Approach to Human Behavior (1976) voor het eerst alle menselijk gedrag vanuit de neoklassieke theorie. Becker stelde bijvoorbeeld het krijgen van kinderen gelijk aan de aanschaf van duurzame consumptiegoederen en beweerde dat hun opvoeding kan worden weergegeven in een nutsfunctie, met inbegrip van de prijs van een kind op de tweedehandsmarkt. Op analoge wijze voorzag hij verschijnselen als kerkgang, sport en de doodstraf van een 'schaduwprijs’ met behulp waarvan zij in een nutsfunctie kunnen worden ondergebracht.
Dit mensbeeld is een ideologisch construct, dat bij de eerste aanraking met de sociale werkelijkheid verpulvert. De econoom Amartya Sen omschrijft het ideaaltype van de rationele mens in een van zijn artikelen als een 'sociale idioot’. Bij wijze van voorbeeld schetst hij een denkbeeldig gesprek tussen twee van zulke idioten. 'Waar is het station?’ vraagt de een. 'Daar’, antwoordt de ander en wijst naar het postkantoor, 'en wil je even deze brief voor mij op de post doen?’ 'Natuurlijk’, zegt de eerste, vastbesloten om de envelop te openen en te kijken of er iets van zijn gading in zit. De moraal van deze neoliberale zedenschets is duidelijk: calculerend gedrag maakt elke menselijke verstandhouding onmogelijk en veroorzaakt op den duur de ineenstorting van de samenleving.
Een dergelijk mensbeeld kan alleen maar gedijen in de theologische hogescholen van het neoliberalisme. J. K. Galbraith omschreef de economische faculteiten al in de jaren zeventig als 'kastenstelsels’ waarin de zuivere theoretici aan de top stonden en de beoefenaren van de toegepaste (dat wil zeggen empirische) economie onderaan. Niettemin wordt er veel empirisch onderzoek naar het menselijk keuzegedrag gedaan, en daarbij blijft er van de rationele keuzetheorie weinig heel. De Amerikaanse socioloog Etzioni bijvoorbeeld kwam in zijn studie The Moral Dimension (1988) tot de slotsom dat mensen in veruit de meeste gevallen beslissen op grond van affectieve en normatieve overwegingen. Alleen bij hoge uitzondering, en in kwesties van ondergeschikt belang, beslissen ze volgens het rationele keuzemodel.
De rationele keuzetheorie heeft dus een hoog ideologisch gehalte. Hij beschrijft niet wat mensen doen, hij schrijft voor wat ze zouden moeten doen. Maar het is met de homo economicus als met de duivel: zodra mensen in zijn baarlijke verschijning geloven, zullen ze hem vrezen en proberen om zich tegen hem te wapenen. De excessen van de zogenaamde vrije markt en de ideologische rechtvaardiging van het eigenbelang produceren calculerende burgers, maar meer nog produceren zij maatschappelijk wantrouwen dat zich richt tegen medeburgers, bedrijven en de overheid.
EN NIET ALLEEN de homo economicus is een fictie. Ook de markt, die ondeelbare alverdeler en opperste tuchtrechter in de neoliberale wereldorde, is een ongrijpbare abstractie. De onzichtbare hand van de markt, die volgens de neoklassieke economen op termijn ieder mens het grootst mogelijke voordeel toebedeelt, blijft te enen male onzichtbaar. Deze neoklassieke markttheorie is in de jaren vijftig geformuleerd door de econometrist Walras. Het is een zuiver wiskundig model waaruit alle instituties, eigenschappen en menselijke betrekkingen die er in het dagelijks leven toe doen, zijn geschrapt.
Om een voor iedereen winstgevend marktevenwicht te bereiken, moet aan een groot aantal theoretische voorwaarden zijn voldaan. Alle marktpartijen moeten tenminste beschikken over volledige en kostenloze informatie, vrijheid van beweging, een rationele rangorde van voorkeuren, homogene produkten, gelijke concurrentiedrang en kostenloze middelen om de naleving van contracten af te dwingen. Kortom, de walrasiaanse markt is geen markt, maar een naargeestig rondedansje van mathematische punten rond twee denkbeeldige produkten X en Y. Daarentegen is het neoklassieke marktconcept letterlijk strijdig met alles wat er in en buiten de wetenschap bekend is over het functioneren van concrete markten, waar mensen van vlees en bloed de dienst uitmaken, en het volle leven kent nu eenmaal enkel concrete markten.
Om te beginnen heersen er op elke markt grote verschillen in macht, kennis, krediet en produktiviteit tussen de partijen. De concurrentie wordt verder ingeperkt door zijn eigen, ingebouwde logica. De ratio van de concurrentie is namelijk niet het scheppen van markten, maar het veroveren ervan door eerst de zwakste partij te elimineren, daarna de op een na zwakste, enzovoort. De laatst overgebleven partijen timmeren de markt doorgaans dicht door middel van kartelafspraken.
Er is echter een nog wezenlijker verschil tussen het neoklassieke marktmodel en concrete markten. Concrete markten zijn geen tijdloze ontmoetingsplaatsen van vraag en aanbod, maar historisch gegroeide instituties die door wetgeving, erecodes en gewoonten worden gereguleerd. Dat geldt voor alle markten, ook voor de zogenaamd vrije markt die de neoliberalen allerwegen willen invoeren. Ook 'vrije’ markten moet worden afgedwongen en bij tijd en wijle gered door overheidsingrijpen. Een voorbeeld van het eerste zijn de geprivatiseerde Europese nutsbedrijven, stuk voor stuk monopolies die zich op kosten van de staat en de klant verrijken. Een voorbeeld van het tweede is het dreigende faillissement van de Amerikaanse spaar- en hypotheekbanken, dat door George Bush werd afgewend met een subsidie van tientallen miljarden. Hoofdelijk omgeslagen kostte deze reddingsoperatie de Amerikaanse belastingbetaler tweeduizend dollar.
Onder critici staat dit verschijnsel bekend als de 'deregulerings-paradox’. Elk dereguleringsoffensief is tegelijk een reguleringsoffensief. Onder het mom van het scheppen van 'vrije markten’ creeert het neoliberalisme met harde hand een onvrije arbeidsmarkt, een monopolistische thuismarkt en een oligopolistische wereldmarkt. Van een terugdringing van de collectieve sector is nergens in de westerse wereld sprake. Niet in de Verenigde Staten, waar zestien jaar geleden de retorische aanval op big government werd ingezet, en zelfs niet in Engeland, waar onderzoekers na vijftien jaar conservatief bewind tot hun verbazing constateerden dat de collectieve lastendruk en de hoogte van de belastingen nog even hoog waren als onder de laatste Labourregering.
Het neoliberalisme is dus een onversneden ideologie, die de groeiende nieuwe machtsverhoudingen in de wereld naturaliseert door zich te beroepen op de aangeboren drijfveren van de homo economicus en het onvermijdelijke mechanisme van de markt. Net als de eeuwenlange heerschappij van de man over de vrouw of de middeleeuwse leer van het goddelijk koningschap wordt de heerschappij van de markt voorgesteld als de natuurlijke orde der dingen.
DE TERM 'DICTATUUR van de markt’ is niet zomaar een metafoor. Het neoliberalisme heeft een totalitair aspect: het vervangt de spontane verbanden tussen burgers door van staatswege opgelegde betrekkingen. De mondiale vrijheid van het kapitaal moet worden bevochten op de werknemers, en die strijd vereist uiteraard meer repressieve instituties naarmate zij meer succes boekt. Engelen vat dit als volgt samen: 'Het streven naar meer markt en minder overheid noopt tot introductie van een toenemend aantal sturende, controlerende, corrigerende en straffende instanties teneinde het wederzijds wantrouwen waarin de introductie van economische rationaliteit uitmondt, van zijn inefficiente kanten te ontdoen.’
Er bestaat geen systematische studie van de wijze waarop de conservatieve revolutie zich van de staat bedient, maar het zou de moeite lonen er een te maken. Aanzetten zijn er genoeg, zoals de marginalisering van de vakbonden door de neoliberale sociale- en arbeidswetgeving. Een ander vehikel voor het propageren van de neoliberale waarden is het onderwijs. De beinvloeding gaat hier veel verder dan de bevoordeling van het particuliere boven het openbare onderwijs in sommige westerse landen of de steeds vroegere selectie van leerlingen op hun economisch bruikbare capaciteiten. Ook de eindtermen en de financiering worden onderworpen aan de 'tucht van de markt’. De academische studie wordt gedegradeerd tot beroepsopleiding, de traditionele schoolopleiding tot een cursus verantwoord consumeren. In Dogmatic Wisdom (1995) beschrijft de cultuurhistoricus Russell Jacoby hoe het Amerikaanse onderwijs sinds de jaren zestig is verloederd door toedoen van de onderwijshervormer David Snedden en zijn volgelingen, die de curricula in utilitaristische richting aanpasten teneinde van elke leerling een 'efficiente producent en consument’ te maken. De laatste resten van het pragmatische en humanistische Amerikaanse onderwijs van weleer worden nu weggevaagd door de bedrijfssponsoring van scholen, een trend die sinds twee jaar ook in Europa doorzet.
In het neoliberale universum is de lijfelijke confrontatie een logisch vervolg op de economische wedijver. 'Er hangt een geur van wanorde, van uiterste ontbinding boven de planeet’, schrijft Bernard-Henri Levy in La purete dangereuse (1994). Hij wijst erop dat de Ruandese genocide van 1994 een volkomen nieuw verschijnsel in de geschiedenis was. Ten eerste door de snelheid: in zes weken tijd werden tussen de vijfhonderdduizend en een miljoen mensen vermoord. Het is nog steeds een raadsel door welke combinatie van moderne techniek en traditionele methoden dit moordende tempo gehaald kon worden. Ten tweede door de epidemische aard van de genocide, die niet alleen ogenschijnlijk, maar ook in werkelijkheid door niemand geleid werd. Het was, aldus Levy, een massamoord zonder leiding of kader, een 'acephale genocide’. Helemaal gelijk heeft hij niet: het aandeel van bepaalde militairen, de Ruandese katholieke clerus en propagandistische radiozenders is inmiddels goed gedocumenteerd, maar een centrale leiding ontbrak inderdaad. Ten derde was er geen afzonderlijke organisatie die de moorden voor zijn rekening nam, geen doodseskader of eliteleger in SS-trant; de hele bevolking nam eraan deel.
Was de burgeroorlog in Ruanda de eerste oorlog van allen tegen allen, een voorbode van massalere vormen van maatschappelijke ontbinding die ook in het 'beschaafde’ westen kunnen uitbreken? Het is helemaal niet vanzelfsprekend dat een democratische en solidaire tegenbeweging vanzelf van de grond komt. Eerder roept de wereldwijde opmars van het neoliberalisme godsdienstige, etnische en anderszins reactionaire tegenbewegingen op. De Chileen Juan Somavia zei het vorig jaar op de sociale topconferentie van Kopenhagen zo: 'Er zijn ethische en politieke grenzen aan het lijden dat mensen kunnen verdragen. We hebben de dreiging van de atoombom vervangen door die van een sociale bom. En die sociale bom kan overal ontploffen.’
WIL EEN TEGENBEWEGING enig resultaat boeken, dan zal zij in de eerste plaats recht moeten doen aan de vele vergeefse opstanden tegen de neoliberale orde die reeds overal ter wereld plaatsvinden, van de Champs Elysees tot het Indiase platteland. We moeten de waarden benoemen uit naam waarvan mensen in opstand komen tegen de dictatuur van de markt. Over dat dilemma struikelen alle alternatieve denkers; ze kunnen voortreffelijk aangeven waarom de mens geen homo economicus is, maar als ze moeten formuleren wat de mens dan wel is, vallen ze terug op de gediscrediteerde grote verhalen. Religieuze critici vallen terug op theologische dogma’s over mens en wereld, die hun repressief gehalte in het verleden uitputtend hebben bewezen. Sociaal- democraten vallen terug op het dialectisch-materialistische mensbeeld van Marx of de gebanaliseerde vorm daarvan, die de maakbaarheid van mens en samenleving voorop stelt. Natuurlijk is de samenleving maakbaar, dat staat niet ter discussie - ter discussie staat de vraag waarom het uitgerekend de neoliberalen zijn die hem op dit moment maken.
Ten tweede zullen we het raadsel van de menselijke betrekkingen onder ogen moeten zien. De mens is niet van nature geneigd tot solidariteit. Hij wordt onwetend geboren en sterft eenzaam, dat is zijn conditie. Vroege sociale filosofen als Machiavelli en Hobbes, maar ook twintigste-eeuwers als Freud, Camus en Girard hebben er telkens weer tot ontsteltenis van hun tijdgenoten op gewezen dat een vreedzame verstandhouding tussen mensen verre van natuurlijk is. De contingentie van ieder mensenleven is het isolement, de afgunst en de strijd om schaarse goederen. Elke menselijke verstandhouding moet bevochten worden en kan altijd weer verbroken worden. De sociale band is sinds mensenheugenis precair en in elke samenleving een object van aanhoudende zorg en vaak oorzaak van panische angsten en gewelduitbarstingen.
In zijn nieuwe boek Trust toont Francis Fukuyama aan dat maatschappelijk vertrouwen de resultante van een eeuwenlange ontwikkeling is, en dat het wel in korte tijd kan worden afgebroken, maar niet op afroep door middel van wetgeving en sociale controle kan worden hersteld. De junglefilosofie van de neoliberalen, die dit vertrouwen wereldwijd aantast, is een ernstige bedreiging voor de mensheid. 'De samenleving bestaat niet’, liet Thatcher zich eens ontvallen. Het is een motto dat werkelijkheid zal worden als het synthetisch intellect van de mensheid zich niet tot het uiterste teweer stelt tegen de neoliberale revolutie.
Deze noodzaak tot synthetisch denken verklaart mogelijk de grote populariteit van de New Age. Misschien voelen veel aanhangers van deze beweging intuitief aan dat we leven in een eindtijd - niet in de religieuze betekenis van de term, maar in antropologische zin. De problemen die de mensheid moet oplossen om te kunnen overleven zijn tegelijk wereldomspannend en uiterst dringend en vragen dus om integrale oplossingen, mondiale strategieen en uiteindelijk om een evolutie in de richting van een wereldsamenleving. En wat heeft het voor zin om na te denken over een wereldsamenleving zonder een welomschreven beeld van de mens die daarin zal moeten leven?
Wil een dergelijk streven enige kans van slagen hebben, dan ontkomen we er niet aan om de beruchte laatste vragen te beantwoorden: de vragen naar het wezen en de bestemming van de mens, naar het wezen van de menselijke betrekkingen en de grondslagen voor het goede leven. Het zijn vragen van alle tijden, die door de eeuwen heen ieder mens voor zich kon beantwoorden, maar in onze tijd staat de mensheid als geheel voor de keuze er een antwoord op te vinden of collectief tenonder te gaan.