De trage waarheid

TIJDENS DE AL MEER dan vijftig jaar durende controverse over de rol van prof. dr. David Cohen als voorzitter van de Joodsche Raad zijn vele stemmen gehoord. Zeer negatieve geluiden kwamen van de historiografen J. Presser en L. de Jong, en van Cohens Amsterdamse collega en recensent van De Jongs werk, I. Kisch. Een meer positief geluid was te horen van Abel Herzberg en recente, relativerende en meer begrijpende reacties kwamen van Peter Romijn en Bob Moore.

Het is opmerkelijk dat binnen deze naoorlogse polyfonie de stem van Cohen zelf weinig is vernomen. Dit stilzwijgen werd vooral door externe factoren veroorzaakt. Bij zijn vrijlating uit de gevangenis op 5 december 1947 kreeg Cohen een zwijggebod opgelegd. In diezelfde maand publiceerde de Joodse Ereraad, niet zonder protest van joodse en niet-joodse zijde, zeer snel en onverwacht een negatieve uitspraak die Cohen de mogelijkheid ontnam zich in het openbaar te verdedigen. De officiële seponering van zijn strafzaak in 1951 had eenzelfde gevolg.
Toen Cohen in 1955 zijn geschiedenis van de joodse vluchtelingen in Nederland in de jaren 1933-1940 deed verschijnen onder de titel Zwervend en dolend, sprak de auteur in het ‘Voorwoord’ de volgende wens uit: 'Indien hem de kracht hiertoe wordt geschonken, wil de schrijver trachten ook de beschrijving van hun lot (van de Nederlandse joden - phs) en hun ondergang op zich te nemen.’ Deze kracht werd hem niet geschonken: nog tijdens de afronding van dit boek werd Cohen getroffen door een zware lichamelijke inzinking die twee jaar duurde. Op medisch advies en op aandringen van enkele intimi liet Cohen (hij was toen 74 jaar oud) vervolgens zijn plan tot het schrijven van een eigen geschiedenis van de joden in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog varen. De neerslag van zijn voorbereidende werkzaamheden in dezen (enkele cahiers en fiches) bevindt zich in de archieven van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (Riod).
Ondanks deze inzinking ging Cohen in 1956 toch in op het dringende verzoek van dr. L. de Jong, directeur van het Rijksinstituut, om zijn memoires van de Tweede Wereldoorlog aan diens secretaresse te dicteren. In het 'Woord vooraf’ van deze Memoires zegt Cohen: 'Zij kunnen op de afgesproken wijze worden gebruikt en op die wijze als materiaal dienen voor het werk van prof. Presser of anderen naast de bestaande boeken.’
Onder nooit opgehelderde omstandigheden kwam in 1982 de redactie van het Nieuw Israëlietisch Weekblad in het bezit van een kopie van deze Memoires (een typoscript van 141 bladzijden) en publiceerde deze op een aantal coupures na. Op deze clandestiene wijze kwam Cohen postuum (hij overleed in 1967) alsnog publiekelijk aan het woord.
HOEWEL COHEN om gezondsheidsredenen had afgezien van het schrijven van een eigen geschiedenis van de ondergang der joden in Nederland, kan hij toch beschouwd worden als een van de belangrijkste medewerkers van het Riod. In de jaren vijftig bestonden er normale, collegiale relaties tussen Cohen, Presser en De Jong. Presser was lid van het huldigingscomité dat in 1951 werd opgericht naar aanleiding van Cohens vijfentwintigjarig hoogleraarschap te Amsterdam; Cohen coachte Presser door hem op archieven en nog levende getuigen te wijzen; Presser was behulpzaam bij de publicatie van Cohens boek over de joodse vluchtelingen; Cohen was aanwezig bij De Jongs promotie, enzovoort. Nu hadden Presser en De Jong er alle belang bij de relatie met Cohen in de jaren vijftig goed te houden, want Cohen bezat een uitgebreid persoonlijk archief (acht kisten) over de Joodsche Raad en zijn eigen historische rol, dat hij op een bovenkamertje van het Archeologisch-Historisch Instituut te Amsterdam bewaarde. De door Presser en De Jong beoogde goede verstandhouding had succes: op 23 mei 1957 werd een zending archiefstukken van Cohen in het Riod-archief als 'Pers. coll.’ opgenomen. Van deze eerste zending heb ik geen inventarislijst aangetroffen. Een tweede zending werd geregistreerd op 11 juni 1965, toen Pressers boek Ondergang reeds een vierde druk had beleefd. Deze zending werd in juli 1978 officieel geïnventariseerd. Op dat moment waren de delen IV, V, VI en VII van De Jongs geschiedschrijving, handelend onder meer over de jodenvervolging, al gepubliceerd.
Dit tweede deel van de collectie van Cohen is voorzien van korte aantekeningen in zijn handschrift, alle gedateerd 'april 1964’, een periode waarin - zoals blijkt uit zijn privé-correspondentie - Cohen zijn persoonlijke archief uit het Archeologisch-Historisch Instituut naar zijn woning had verhuisd en druk bezig was de papieren te ordenen en naar eventuele belang- of rechthebbenden te sturen. Wat mij bij het vinden van deze tweede zending ten zeerste verwonderde, was de kwalificatie op de buitenzijde van de inventarislijst die luidt: 'Intern - Niet voor publikatie’.
Er was trouwens wel meer wat mij verbaasde en nog steeds verbaast in de naoorlogse relatie tussen Cohen en het Riod. Hoewel Cohen loyaal had meegewerkt aan de voorbereiding van Pressers historiografie, werd diens boek met daarin de negatieve beoordeling van Cohens rol in april 1965 met zeer veel publiciteit gelanceerd. Naar de mening van Cohen werd niet gevraagd, hoewel hij, inmiddels 84 jaar oud en met een enigszins wankele gezondheid, volstrekt compos mentis was. Trouwens, naar mijn weten is ook geen enkele Nederlandse journalist in 1965 op het idee gekomen om Cohen over Pressers boek te interviewen.
EEN EN ANDER was voor mij voldoende aanleiding om na te gaan welke bronnen De Jong wel en niet heeft gebruikt in de delen van zijn geschiedwerk die handelen over de jodenvervolging (V, VI, VII en incidenteel I en IV) en hoe hij als geschiedschrijver te werk is gegaan bij zijn veroordeling van David Cohen als voorzitter van de Joodsche Raad. Heeft de Jong in zijn werk het audi et alteram partem toegepast? Of, om het algemener te formuleren, schreef De Jong zijn delen sine ira et studio, oftewel onpartijdig en onbevooroordeeld?
Ik heb een kwantitatieve analyse gemaakt van de bronvermeldingen die De Jong in de voetnoten geeft bij hoofdstuk 6 'Naar het ghetto’ (deel V,1, wetenschappelijke editie, 1974) en hoofdstuk 12 'Naar de “Endlösung”’ (deel V,2). Duidelijk is te zien dat daar waar in de context bij De Jong Cohen expliciet figureert, het zwaartepunt van het bronnenmateriaal ligt bij de officiële, ook voor de Duitse bezetter toegankelijke stukken, te weten: notulen van de Joodsche Raad (19 entries) en verslagen van gesprekken met Duitse autoriteiten (10 entries). Deze officiële stukken, veelal door Cohen zelf met grote behoedzaamheid opgesteld, zijn onvermijdelijk eenzijdig en onvolledig omdat de Duitse bezetter als het ware over zijn schouder meelas. Voor zijn veroordeling van Cohen voert De Jong een relatief groot aantal witnesses for the prosecution op (10 entries), onder wie vijf Nederlanders die ook door de Nederlandse justitie waren verhoord in de jaren 1947-1949, een zionistische tegenstandster (2 entries), twee Duitse hoofdschuldigen en oorlogsmisdadigers (Lages, Aus der Fünten, 3 entries) en Cohen zelf (justitieel verhoor, 2 entries). Al deze getuigen worden door De Jong letterlijk en dus met bronvermelding geciteerd. Wat de verdediging van Cohen betreft: het eerste wat opvalt is dat daar waar zijn eigen verdedigingslijn wordt vermeld, Cohen zelf nooit letterlijk wordt geciteerd uit zijn naoorlogse stukken maar altijd, als enige hoofdpersoon, aan het woord komt via de zogeheten 'vrije, indirecte rede’, zoals 'Cohen zal wel geantwoord hebben’ of 'deze noties stonden Cohen voor ogen’. De vrije, indirecte rede geeft aan de 'alwetende’ verteller de mogelijkheid de woorden van zijn hoofdpersoon zelf samen te vatten, desgewenst te bedenken. Bovendien interpreteerde De Jong deze rede ook als een vrijheid om de bestaande bronnen van Cohens verdediging niet te vermelden.
De eerste zending uit Cohens archief, die van 1957 aan het Riod, bevatte onder meer het verdedigingsschrift Stukken van overtuiging, dat Cohen zelf ten behoeve van zijn advocaten in januari 1949 had opgesteld (een typoscript van 115 bladzijden). De tweede zending uit 1965 bevatte onder andere de inleiding op Cohens geplande geschiedenis der joden in Nederland tijdens de bezetting (30 blz.). Deze en dergelijke verdedigingsstukken zijn door De Jong geïgnoreerd, het bestaan van het laatstgenoemde stuk is niet door hem medegedeeld maar viel zelfs onder de genoemde kwalificatie 'Intern - Niet voor publikatie’.
Dit bronnenonderzoek toont aan hoezeer De Jong als geschiedschrijver de rol van aanklager vervulde terwijl de beklaagde en zijn verdediging monddood werden gemaakt. De Jong verhoogde nog het incriminerend karakter van zijn Cohen-verhaal door uitgebreid en kritiekloos anekdoten (oral history) door te vertellen die de negatieve beeldvorming inzake Cohen versterkten. Een typerend voorbeeld. Op een cruciale plaats in zijn eindbetoog (deel VII,1, p. 383) vermeldt De Jong in een uitvoerige voetnoot de inhoud van een brief die een Amsterdamse student in 1965 aan Presser had geschreven: 'Bij prof. Ter Veen was een oude joodse vrouw gekomen om hulp; prof. Ter Veen had via die student om advies gevraagd bij Cohen, die zeer afstandelijk gereageerd had met de woorden: “Het spijt mij zeer, ik kan niets doen.” De volgende zin was: “En, meneer S, vertelt u eens: hoe staat het met uw studie?”’
De anekdote is zeer suggestief en vernietigend. De Jong heeft haar niet gecontroleerd. Uit een recensie van de delen VI en VII, geschreven door Willem Frederik Hermans ('Lou de Jong en de Tante van Weinreb’, Hollands Diep 4-12-1976) en afgedrukt in deel XIV,1 'Reacties en recensies’, valt reeds op te maken dat professor Ter Veen een beruchte, Duitsvriendelijke racist was met een NSB'er als hoofdassistent. En in de onlangs verschenen Geschiedenis van de Universiteit van Amsterdam tussen 1935 en 1950 van P.J. Knegtmans wordt Ter Veen ook genoemd onder degenen die bij de naoorlogse zuivering door de minister van Onderwijs werden berispt. Deze dubieuze rol van Ter Veen was zijn Amsterdamse collega Cohen ongetwijfeld bekend en maakt zijn terughoudende reactie in de door De Jong vertelde anekdote volstrekt begrijpelijk. Het risico van een provocatie was allerminst denkbeeldig.
DE JONGS KROONGETUIGE voor vervolging was Cohens collega, prof. mr. Isaak Kisch, die in het personenregister 24 maal wordt genoemd, waarvan veertien maal in de delen V,1 en V,2. Kisch wond er nooit doekjes om, en was er ook trots op, dat hij een levenslange vijand van David Cohen was op persoonlijke én politiek-zionistische gronden. In zijn eerste reactie (XIV,1) op deel I van De Jong vertelt Kisch: 'Er is, sinds 1923 - het jaar waarin ik student ben geworden -, zowat geen onderwerp van Joods belang geweest, waarover ik niet met Cohen, zoals dit heet, in de clinch heb gelegen en ook als mens heeft hij nooit aantrekkingskracht op me uitgeoefend…’
Het begin van deze persoonlijke vijandschap voert terug naar het jaar 1920, toen mede door toedoen van Cohen de politieke rol van vader Hartog Kisch binnen het Nederlands zionisme was uitgespeeld. Vader Kisch was tot die tijd een zeer vooraanstaande vertegenwoordiger van de ITO (Jewish Territorial Organisation), opgericht door Israël Zangwill, die ook de joodse kolonisering van bijvoorbeeld Texas of Zuid-Amerika bepleitte. Hoe sterk professor Kisch geobsedeerd was door deze mislukking van zijn vader, blijkt uit het feit dat hij in zijn recensies op De Jongs werk voortdurend aan Zangwill refereert.
De Jong deed iets zeer naïefs en riskants door deze Kisch, aan wie de concepthoofdstukken betreffende de jodenvervolging voor commentaar werden voorgelegd (cf. XIII, p. 58-9), als officiële mede-lezer aan te trekken. Aangezien het Riod slechts over een beperkt aantal afschriften beschikt van het justitiële dossier-Cohen en het complete dossier nog steeds berust bij het depot-archief van het ministerie van Justitie, wist De Jong wellicht niet welke rol Kisch gespeeld had bij de gevangenneming van Cohen op 6 november 1947. Op maandag 3 november 1947 werd een loslippige Kisch te zijner huize verhoord door een drietal opsporingsambtenaren. De ondervraagde uitte een groot aantal beschuldigingen tegen Cohen, die ongetwijfeld tot diens gevangenneming, drie dagen later, bijdroegen. Toen deze gevangenneming tot vele protesten leidde in de dagbladpers en in universitaire en juridische kringen, heeft Kisch met brieven aan de procureur-fiscaal en aan Cohens advocaten geprobeerd onder deze eerste verklaring uit te komen en het odium van tipgever en aanklager te ontgaan (documentatie aanwezig op het justitieel archief te Rijswijk). Een dag na Cohens vrijlating op 5 december 1945 werd Kisch nogmaals verhoord en ontpopte hij zich binnen één maand van getuige à charge tot getuige à décharge.
De Jong heeft zich door Kisch volledig laten inpakken. In zijn recensies van het werk van De Jong construeerde Kisch zijn eigen memoires, creëerde hij een zeer positief beeld van zichzelf, een zeer negatief beeld van Cohen en prees hij ondertussen De Jong, die alle verhalen van Kisch in zijn geschiedwerk opnam. Deze combinatie leidde tot een omvangrijk historisch bedrog. Een markant voorbeeld van De Jongs geschiedschrijving ingefluisterd door Isaak Kisch, vindt men in deel V,2: het verslag van de begrafenis van mr. dr. Visser, tot aan zijn ontslag door de Duitse bezetter voorzitter van de Hoge Raad en van de, in december 1940 opgerichte, Joodse Coördinatie Commissie (JCC). 'Drie dagen later (na de laatste brief van Visser aan Cohen - phs), 17 februari, bezweek Visser aan een hartaanval. Door zijn vrienden van Het Parool werd hij in warme bewoordingen herdacht: “De fiere rust die van zijn hoge gestalte uitging, was velen (…) een lichtend voorbeeld.” Cohen weigerde in Het Joodsche Weekblad een door Kisch geschreven “In Memoriam” op te nemen waarin Kisch Visser geschetst had als “de man die niet knielde en niet boog”. In een in Het Joodsch Weekblad opgenomen verslag van een rouwzitting van de kerkeraad der Nederlands-Israëlietische gemeente Den Haag werd van Vissers voorzittersschap van de Joodse Coördinatie-Commissie met geen woord gerept. Publicatie van het bericht van zijn overlijden in de Nederlandse pers werd tegengehouden. Het stoffelijk overschot werd op de oude Joodse begraafplaats te Overveen ter aarde besteld. Kisch had daar willen spreken, “maar Cohen”, zo vertelde Kisch ons ruim dertig jaar later, “bezwoer me, dat na te laten. Ik heb toen gezwegen. Niemand sprak. Er waren drie leden van de Hoge Raad aanwezig. De anderen durfden blijkbaar niet.”’ (Noot 4: gesprek met I. Kisch, 16 april 1973.)
Deze versie van Kisch werd evenmin door De Jong gecontroleerd. Een algemeen methodisch bezwaar tegen De Jong op dit punt is dat hij zich bij het bronnenmateriaal beperkte tot wat in de archiefcollectie van het Riod aanwezig was en soms, zoals in het geval van Cohens justitieel dossier, niet volledig is. Zelf heb ik kunnen beschikken over het familie-archief van mr. Visser te Wassenaar. Op grond hiervan is het mogelijk De Jongs en Kisch’ versie aan te vullen en te corrigeren:

  1. De korte zin over Vissers dood aan een hartaanval is bij De Jong zeer suggestief, zij suggereert een directe band tussen Cohens correspondentie en Vissers dood. Op grond van bewaard gebleven brieven van Vissers dochter Mathilde, een communistische journaliste die in de naoorlogse jaren de beeldvorming inzake haar vader en Cohen ten zeerste heeft bevorderd, kan worden aangevuld dat mr. Visser in de laatste jaren van zijn leven aan angina pectoris leed, een ziekte die mede-oorzaak kan zijn geweest dat Visser niet dikwijls naar Amsterdam kwam maar Kisch als waarnemer bij de Joodsche Raad aanstelde.
  2. Kisch’ 'In Memoriam’ werd inderdaad door Cohen geweigerd, ongetwijfeld op politieke gronden, omdat het een verhulde, indirecte aanval vormde van een lid van de JCC op het pragmatische, 'onheroïsche’ beleid van de Joodsche Raad.
  3. De begrafenis van mr. Visser werd op een hele pagina van Het Joodsche Weekblad beschreven, inclusief foto, sprekers en vermelding van zijn JCC-voorzitterschap.
  4. Cohen was niet aanwezig (zijn lovende en vriendschappelijke condoleance-brief is bewaard gebleven). Ook Abel Herzberg was niet aanwezig (in zijn bewaard gebleven brief vermeldt hij dat hij de reis van Bilthoven naar Overveen niet kon maken). De niet-aanwezige Herzberg vermeldde in zijn In Memoriam ter nagedachtenis van I. Kisch (1980) dat Kisch roemvol gesproken had bij de begrafenis, hetgeen onjuist is.
  5. De bewering dat Cohen Kisch heeft bezworen niet te spreken, is door Kisch in een van zijn laatste interviews niet herhaald. Het is moeilijk consistent te blijven in leugenverhalen. De waarheid lijkt mij simpeler: daar waar opperrabbijnen de baar dragen, de voorzitters en een advocaat-generaal het woord voeren, pleegt een nog geen veertigjarige assistent niet het woord te krijgen. Tot zover Kisch’ memoires. Zijn betrokkenheid bij de Joodsche Raad via zijn voorzitterschap van de Juridische Commissie en ook zijn betrokkenheid bij selecties toen hij samen met Cohen in Theresiënstadt was geïnterneerd, maken begrijpelijk waarom Kisch tijdens de eerste, naoorlogse Algemene Vergadering van de NZB (Nederlandse Zionisten Bond) zeer gekant was tegen een aparte zuiveringscommissie binnen de NZB zelf; vandaar een overkoepelende Joodse Ereraad, met een zware NZB-vertegenwoordiging en uiteraard gericht tegen Asscher en Cohen, de nationale zondebokken voor joodse en niet-joodse Nederlanders. Alle uitspraken van Kisch dienen met de grootste omzichtigheid en niet zonder kritische controle te worden gelezen. WELLICHT DE MEEST repulsieve scène in het Cohen-verhaal is de bekentenis van morele schuld die De Jong in de mond van Cohen legt aan het slot van zijn requisitoir (VII,1, p. 366, vgl. p. 393): 'Mij heugt het moment in het laatste gesprek dat ik niet lang voor zijn dood (…) met hem voerde - moment waarop hij, eerder fluisterend dan duidelijk sprekend, mij bekende dat geen nacht voorbijging waarin hij zich niet de nimmer-aflatende, martelende vraag stelde hoe hij had kunnen doen wat hij gedaan had (…) daaraan en aan niets anders dacht Cohen toen hij zich later in slapeloze nachten afvroeg hoe hij had kunnen doen wat hij gedaan had.’ Bij de kritische begeleidingscommissie van De Jongs geschiedschrijving is reeds tegen deze voorstelling van zaken protest aangetekend (XIV,1, p. 458-9). De voorstelling dat Cohen op zijn sterfbed berouwvol te biecht zou zijn gegaan bij De Jong als nationale biechtvader, lijkt mij volledig aan de fantasie van de geschiedschrijver ontsproten. Zeker na het verschijnen van Pressers boek was er geen contact tussen beide personen. Zoals uit de reactie blijkt van De Jong op de kritiek van de begeleidingscommissie (XIV,1, p. 458), lijkt deze fantasie geïnspireerd op de laatste zin waarmee een zieke, uitgeputte Cohen in 1956 zijn 'gedenkschriften’ besloot: 'Wel meent hij ondanks gemaakte fouten zijn plicht tegenover de gemeenschap te hebben vervuld, maar de ramp welke de Nederlandse Joden heeft getroffen, is zo onafzienbaar dat het begrip daarvan nog nooit ten volle tot hem is doorgedrongen en ook het bewustzijn getracht te hebben zijn plicht te vervullen, daartegenover in het niet zinkt en geen troost meer biedt in de smart die ons ganse verdere leven bij ons blijft.’ Deze slotzin kan men samenvatten met het motto dat Kisch ter verdediging van zijn vader aanvoerde: 'Not failure but low aim is crime.’ In De Groene Amsterdammer van 9 september 1998 verscheen van de hand van René Zwaap een artikel dat op de cover als kop meekreeg: 'De duistere gangen van het Riod’. De journalist gaf een gedetailleerd verslag van de geschiedenis van het Riod, 'geplaveid met affaires die maar niet begraven willen worden’. Op de vraag of het boek over de Tweede Wereldoorlog dan werkelijk al gesloten kan worden, gaf hij een ontkennend antwoord: het Riod zou zich eens grondig kunnen beraden op het herschrijven van de geschiedenis van het Koninkrijk der Nederlanden tijdens de Tweede Wereldoorlog; het zal tijd worden. Het was mij een eervolle plicht om inzake prof. dr. David Cohen, voorzitter van de Joodsche Raad, een kleine proeve van herschrijving te presenteren onder een motto dat ik zelf uit een van Cohens brieven heb overgenomen: 'Truth is the daughter of time.’