Verkiezingen Afscheid van JP

De tragiek van Balkenende

Acht jaar lang was hij minister-president van Nederland. Drie keer wist hij van het CDA de grootste partij te maken. Deze keer lukte dat niet. Het CDA behaalde het slechtste resultaat in haar bestaan. Over de tragiek in de politieke loopbaan van Jan Peter Balkenende, die woensdagavond het partijleiderschap neerlegde.

IEDEREEN KON DE AFGELOPEN weken de neergang van het CDA in de peilingen volgen en zelf bedenken dat de christen-democraten daar behoorlijk onrustig van zouden worden. Maar toen een week voor de verkiezingen het voor de partij en haar lijsttrekker ongelukkige nieuws naar buiten barstte dat menig CDA'er de handdoek al in de ring had gegooid, begon het potsierlijk aan te doen dat Jan Peter Balkenende zelf bleef volhouden voor goud te gaan. Het kreeg toen iets treurigs dat een persbericht van zijn partij trots meldde dat Balkenende van alle politici de meeste vrienden op Hyves heeft en dat hij zijn tweehonderdduizendste vriend in levende lijve op het Torentje zou ontvangen.
Ook het in sporttermen verpakte verweer van de nummer vier op de lijst, demissionair minister Ab Klink, dat je in een wedstrijd het hoofd niet een kwartier voor tijd al laat hangen, kon het beeld van een al verloren partij niet meer doen kantelen. Daarvoor hadden andere christen-democraten al te veel signalen uitgezonden die van het tegendeel getuigden.
Dat begon al direct bij aanvang van de verkiezingscampagne, toen partijgenoten openlijk verklaarden verrast te zijn geweest toen Balkenende in het eerste lijsttrekkersdebat de hypotheekrenteaftrek als breekpunt poneerde. Dat zette het beeld neer dat de regie in het CDA zoek was, oftewel dat partijleider Balkenende geïsoleerd raakte. Hijzelf ontkende dat later, maar de toon was al gezet.
Toen de nummer twee op de lijst, demissionair minister Ank Bijleveld, in een interview liet weten dat ze in was voor alle functies werd dat prompt uitgelegd als het openlijk hengelen naar de rol van politiek leider, hetgeen olie op het toch al smeulende vuur gooide. De opmerking vervolgens van demissionair minister Piet Hein Donner die gewoon ronduit zei dat hij niet meer in een overwinning geloofde, behoefde geen verdere uitleg meer.
‘Ik zie een proces van afbladdering’, zei VVD-campagneleider Stef Blok midden vorige week, en in zijn woorden klonk door dat hij dat herkende. De VVD heeft in het recente verleden net zo'n proces doorgemaakt. Intern in de partij gaan dan dingen fout, zaken worden door de media alleen nog maar uitgelegd in het licht van de neergang, tegenstanders dansen alvast op het graf en kiezers keren zich af van de potentiële verliezer, daarmee het lot definitief bezegelend.
Het CDA zal nu de wonden gaan likken en intern moeten analyseren waarom het fout is gegaan. Daarbij kunnen de christen-democraten niet ontkomen aan de vraag of de keuze voor de lijsttrekker wel de goede was. Vergeten lijkt al weer dat er binnen het CDA openlijk kritiek kwam toen in februari, slechts een paar uur na de val van het kabinet-Balkenende IV, de partijtop opnieuw de Zeeuw Jan Peter Balkenende naar voren schoof om de CDA-lijst aan te voeren. De man die geen van de kabinetten die zijn naam droegen zonder brokken naar de eindstreep had weten te brengen, liet ook zelf onmiddellijk weten wéér premier te willen worden.
Het was een vlucht naar voren, om elke suggestie de kop in te drukken dat het CDA zoekende was naar een geschikte kandidaat. Het had eraan moeten bijdragen dat toch vooral het beeld zou ontstaan dat de PVDA, de partij die het kabinet liet vallen, een probleem had en niet de christen-democraten.
De kans om de vlugge aanwijzing van de partijtop alsnog zonder al te veel kleerscheuren ongedaan te maken en gehoor te geven aan de kritiek op Balkenende liet de partij vervolgens lopen. Dus voerde Balkenende voor de vierde keer de lijst van het CDA aan, onder het motto dat hij zijn werk zo graag wilde afmaken. Tijdens deze verkiezingscampagne vroegen studenten van de Vrije Universiteit in Amsterdam, waar Balkenende zelf hoogleraar was voordat hij Kamerlid werd, hem echter onomwonden wat dat werk dan wel was. Het was tekenend: menige kiezer was na acht jaar uitgekeken op de persoon Balkenende en had geen idee meer waar het allemaal om zou moeten gaan. Behalve dan misschien dat hij nu eindelijk wél eens een kabinet naar de eindstreep wilde brengen.
Daar gaat het niet meer van komen. Deze dramatische nederlaag heeft Balkenende uit het Torentje weggevaagd.
Daarmee komt op een even roerige manier een einde aan Balkenende’s leiderschap als waar het in het najaar van 2001 mee begon. Hoog oplopende ruzie was er destijds in de grootste oppositiepartij in de Tweede Kamer over het lijsttrekkerschap voor de verkiezingen van een jaar later. Toenmalig politiek leider Jaap de Hoop Scheffer en partijvoorzitter Marnix van Rij raakten in een onverkwikkelijk gevecht met elkaar verwikkeld waar zij uiteindelijk beiden de dupe van werden. Nog geen jaar voor de verkiezingen zat het CDA daardoor ineens zonder politiek leider.
Wie teruggaat naar de kranten uit die tijd ziet dat aanvankelijk niet Jan Peter Balkenende als kandidaat werd genoemd, maar vooral de nu als fractievoorzitter vertrekkende Pieter van Geel, toen nog gedeputeerde in de provincie Brabant en daar zeer geliefd en succesvol. De toenmalige fractie vond echter dat de politiek leider in de Kamer moest zitten. Alleen van daaruit kan hij de discussie aangaan met de politieke rivalen, dacht de fractie. Die rivalen leken toen vooral Hans Dijkstal van de VVD en Ad Melkert van de PVDA te zullen zijn, buitenstaander Pim Fortuyn was in september 2001 nog niet in beeld.
In een programma VPRO-geschiedenis is uit de doeken gedaan hoe de fractie Balkenende naar voren schoof: door hier en daar bewust, maar ogenschijnlijk terloops, zijn naam te noemen. Zelf zei de toenmalige vice-fractievoorzitter dan steevast: 'Dat is nu niet aan de orde’, en: 'Ik ben geen kandidaat.’ Terugkijkend op die tijd zegt oud-CDA-Kamerlid Hans Hillen in dit VPRO-programma: 'Als je op zo'n moment te zeer in beeld bent en ambitieus bent, dan roep je eerder wantrouwen en weerstand op.’
Dat lijkt erg veel op de gevolgde tactiek, afgelopen september, toen Balkenende’s naam viel in het kader van het voorzitterschap van de nieuwe Europese Raad, waardoor hij de eerste 'president’ van Europa zou kunnen worden. Ook toen sprak JP, zoals de minister-president vaak kortweg wordt genoemd, dezelfde ontkennende woorden. Niemand geloofde dat echter. Ditmaal hielp de tactiek ook niet. De Belg Herman Van Rompuy kreeg de functie.
Daarmee vergleed de kans voor Balkenende om op een chique manier het binnenlandse politieke toneel te verlaten. Hij kon daardoor begin dit jaar ook het debat in de Tweede Kamer niet ontlopen over het harde oordeel van de commissie-Davids over de politieke steunverlening aan de inval in Irak. Onder Balkenende’s verantwoordelijkheid was die politieke steunverlening er in 2003 gekomen, daarna wist hij jarenlang een onderzoek ernaar tegen te houden. Daarover maakte hij bij de formatie van zijn laatste kabinet zelfs een afspraak met de PVDA, tot ongenoegen van vele PVDA'ers én de oppositie. Toen het onderzoek er uiteindelijk toch kwam, schreef de commissie-Davids in haar eindrapport: 'De minister-president heeft aanvankelijk weinig of geen leiding gegeven aan de debatten over de kwestie-Irak.’
De opmaat voor die politieke steunverlening dateerde al uit het eerste kabinet-Balkenende, dat aantrad in de zomer van 2002. Over dat kabinet oordeelde de commissie-Davids: 'Al met al was politieke en bestuurlijke ervaring niet het opvallendste kenmerk van het kabinet.’ Het zijn weinig vleiende woorden, maar eigenlijk was het nog een understatement. De onervaren Balkenende werd binnen een paar maanden van onbekend Kamerlid de politiek leider van een partij die er bij zijn aantreden nog slecht voor stond, maar die als gevolg van de Fortuyn-revolutie en de volkswoede die zich richtte op de paarse partijen PVDA en VVD de verkiezingen won waardoor hijzelf vervolgens ook minister-president werd.
Diezelfde Fortuyn-revolutie maakte van de Lijst Pim Fortuyn (LPF) vanuit het niets meteen de tweede partij van Nederland. Balkenende ging met ze regeren, maar kreeg daardoor te maken met collega-ministers met nog minder Haagse ervaring dan hijzelf en met een partij waar door de moord op Fortuyn elke leiding was weggevallen. Dit eerste kabinet dat zijn naam droeg, werd dan ook één grote hordenloop, totdat al een paar maanden later Balkenende die ploeg uit elkaar zag vallen. Dat was nota bene op de avond van de begrafenis van prins Claus, wat voor de koningsgezinde JP extra dramatisch moet zijn geweest, maar wat daarmee des te meer het beeld versterkte dat hij onvoldoende de regie in handen had.
Bij de verkiezingen die volgden, werd Balkenende echter niet afgestraft door de kiezer. Wederom leidde hij zijn partij naar een overwinning. Even zag het er toen naar uit dat hij met de PVDA van Wouter Bos moest gaan regeren, maar die coalitiebesprekingen mislukten, waardoor uiteindelijk in 2003 een kabinet van CDA, VVD en D66 aantrad. Het werd een hervormingskabinet, waarvan velen vooral de grote demonstratie op het Museumplein tegen het afschaffen van de vut nog voor ogen zal staan.
Dat morrelen aan het prepensioen was geen opwelling van Balkenende, maar een hervorming waarover hij al nadacht in de jaren dat hij nog voor het wetenschappelijk bureau van het CDA werkte. Dat was eind vorige eeuw toen de christen-democraten voor het eerst sinds lange tijd niet in de regering zaten en ze zich - toen ze van de eerste schrik en ontreddering na de nederlaag van 1994 bekomen waren - gingen herbronnen, terug naar waar christelijke politiek inhoudelijk voor zou moeten staan, en weg van het denken vanuit regeringsmacht.
Samen met de man die nu wordt genoemd als zijn mogelijke opvolger, Ab Klink, en de Tilburgse hoogleraar Lans Bovenberg, sparde Balkenende over onderwerpen als de vergrijzing, een activerende sociale zekerheid, privatisering van de zorg, een moderner maatschappelijk middenveld, de individuele verantwoordelijkheid van de burger, de rol van het gezin en het belang van normen en waarden. Een grote inspiratiebron daarbij was de Amerikaanse hoogleraar sociologie Amitai Etzioni, die Balkenende sterkte in het idee dat tegenover rechten ook plichten staan en dat normen en waarden niet van bovenaf kunnen worden opgelegd maar in gemeenschappen ontstaan.
Alle onderwerpen die in de onderlinge discussies de revue passeerden keerden terug in Balkenende’s agenda toen hij eenmaal premier was. Veel ervan zijn tijdens deze verkiezingen actueler dan ooit. Veel krediet kreeg hij er, tot zijn grote frustratie, niet voor. Vooral om het benadrukken van 'normenenwaarden’, dat mede door hem als het ware één woord werd, is Balkenende gehekeld. Hij werd neergezet als de christen-democraat die Nederland wel eens even kwam vertellen wat fatsoen was.
Ook hierin schuilt Balkenende’s tragiek. Hij had wel degelijk een thema te pakken. Inmiddels vindt niemand het meer vreemd om het met elkaar te hebben over omgangsvormen, maar de minister-president die het keer op keer zo benadrukte wist er zelf geen handen en voeten aan te geven. Vanuit zijn eigen gedachtegoed bekeken, was hij als minister-president echter ook niet degene die dat moest doen. Dat moest van onderop komen.
Zijn tweede kabinet kreeg voor elkaar dat het prepensioen werd aangepakt, maar viel uiteindelijk na drie jaar uit elkaar over een thema waar de wetenschapper Balkenende zich niet op had voorbereid: immigratie en integratie. Door het geruzie tussen de VVD-minister voor Immigratie, Rita Verdonk, en VVD-Kamerlid Ayaan Hirsi Ali over het Nederlandse paspoort van laatstgenoemde trok de D66-fractie haar steun voor het kabinet in. Ook rondom deze gang van zaken kreeg Balkenende het verwijt onvoldoende leiding te hebben gegeven.
Die kritiek bleef aan hem kleven en dook weer verhevigd op toen hij een paar maanden geleden ook zijn vierde kabinet - Balkenende III moest alleen de verkiezingen van 2006 voorbereiden - voortijdig zag stranden. Dat kabinet van CDA, PVDA en ChristenUnie was nooit Balkenende’s voorkeur geweest, omdat hij zijn hervormingsagenda dan zag stranden. Door de interne strubbelingen bij de VVD en de verkiezingsnederlaag van de liberalen moest hij drie jaar geleden toch gaan regeren met Wouter Bos, de PVDA-leider die hij in de campagne zo effectief van draaien had beschuldigd dat het CDA niet alleen wederom de grootste partij werd, maar de verhoudingen tussen de twee ook voorgoed waren verziekt.
Moeizaam sleepte zijn vierde kabinet zich van incident naar incident: de AOW, het ontslagrecht, de JSF, het Irak-onderzoek, Uruzgan. Telkens weer bleek hoe slecht de twee coalitiepartners met elkaar overweg konden. Alleen voor het snelle ingrijpen in de bankencrisis wist zijn ploeg - kortstondig - krediet te krijgen.
Toen in januari de commissie-Davids haar onderzoeksrapport presenteerde, barstte definitief naar buiten hoe slecht de verhoudingen waren. Balkenende begon in zijn eerste reactie op de kritiek van Davids direct weer zijn oude riedel over het waarom voor de politieke steun aan de inval in Irak te herhalen, hetgeen kwaad bloed zette bij de PVDA die een nieuwe verklaring eiste. Het was geen fraaie vertoning.
Maar binnen een maand werd het nog veel erger. Toen er beslist moest worden over een mogelijke tweede verlenging van de Nederlandse missie in de Afghaanse provincie Uruzgan was het uiteindelijk voor de derde keer einde oefening voor een kabinet onder Balkenende’s leiding. Of gebrek aan zijn leiding, zoals toen het verwijt van de PVDA luidde. Heel televisie kijkend Nederland had twee dagen voor de val kunnen zien hoe tijdens een Kamerdebat over het gestuntel met Uruzgan de eenheid in zijn kabinet compleet verdwenen was en zelfs zijn partijgenoot minister van Buitenlandse Zaken Maxime Verhagen zijn eigen partijleider passeerde.
Toch stelde Balkenende zich dus onmiddellijk weer kandidaat voor het lijsttrekkerschap, met als toevoeging dat hij ook weer premier wilde worden. Mogelijk hebben hij, de partijtop en zijn adviseur Jack de Vries - die onlangs wegens een buitenechtelijke affaire opstapte uit de politiek - gedacht dat twee oude politieke wetmatigheden zouden gelden: dat wie breekt betaalt en dus de PVDA de klos zou zijn, en dat het CDA wederom zou kunnen profiteren van de premierbonus.
Maar in veranderende tijden zijn ook dergelijke wetmatigheden geen zekerheid meer. Woensdagavond, nog voordat de officiële uitslag binnen was, kondigde Balkenende aan dat hij per direct het partijleiderschap had neergelegd en ook geen zitting zou nemen in de Kamer. Als na de formatie een nieuw kabinet aantreedt, vertrekt Balkenende uit de politiek.