De tragiek van de grap

De wereld die beeldend kunstenaar Teun Hocks toont, is vol humor en ongerijmde absurditeiten.Helder en overzichtelijk combineert hij mild surrealisme met Hollandse lulligheid. Kunst zonder titels

EEN STAPEL BOEKEN even hoog opge tast als een smakelijk ogende stapel witte boterhammen met kaas. Daartussenin een mannetje dat leest en eet. Een eenzame cowboy zonder sprokkelhout gebruikt zijn gitaar om een kampvuur mee te stoken. Een man die nooit met de Titanic ten onder is gegaan, maakt de ramp alsnog mee door met een schilderijtje van het beroemde cruiseschip in een wastobbe te stappen. Wie met een grote vuurpijl op zijn rug naar de maan wil vliegen, doet er beter aan iemand anders de raket tot ontbranding te laten brengen: nu staart de man, startklaar maar hulpeloos, naar de snel opbrandende lucifer in zijn uitgestoken hand. Een padvinder draagt zijn huis op z'n rug, schoorsteen en dakpannen inbegrepen. Dat natuurbeleving niet altijd die fijne ervaring is die ons wordt voorgeschoteld door milieuorganisaties en fanatieke vogelaars, blijkt uit de grote kurken in de oren van een wandelaar die een luchtig kwinkelerende vogel op een boomtak passeert. Het is maar een greep uit het oeuvre van beeldend kunstenaar Teun Hocks (1947), dat nu onder de titel Het late uur bijeen is gebracht in Museum De Beyerd te Breda. Een oeuvre vol heldere verwarring, ontstaan uit de uitbeelding van poëtische in vallen, clichés, droombeelden en adaptaties van bekende situaties uit stripverhalen en cartoons. Centraal staat steeds het ‘mannetje’, een grijze, wat sukkelige figuur in kan toorpak die het best valt te omschrijven als een onopvallende hybride van Wim Kok en het dr. Clavan-typetje van Kees van Kooten. Dat mannetje raakt in allerlei vreemde situaties en avonturen verzeild, zij het dat iedere suggestie van fel bewogen drama achterwege blijft. Hocks’ fotowerken tonen een freeze frame-moment, een verstild beeld waarin de handeling verstart, het verhaal gesuggereerd aan de hand van een tot in alle details uitgewerkte uitsnede. Neem het bekende verhaal van de mythologische figuur Sisyphus, een man die erin slaagde in zijn eentje de nutteloze ontoereikendheid van het menselijk streven uit te beelden; bij Hocks is de in driedelig grijs gestoken Sisyphus onverwacht tot stilstand gekomen. Hij krijgt de steen, duide lijk van papier-maché vervaardigd, niet meer omhoog gerold en dreigt verpletterd te worden; het mannetje kan alleen maar blijven staan, angstig wachtend op hulp. Sisyphus, vastgelopen in zijn eeuwige cirkelgang, als een Buster Keaton wachtend op redding - die nooit zal komen. TRAGIKOMISCH EN van bedrieglijk kinderlijke eenvoud lijken de werken van Teun Hocks. Toch werkt hij hard aan ieder detail: van schets naar op ware grootte getimmerd en geverfd decor, de foto met zichzelf in de rol van het mannetje dat in allerlei vreemde situaties verzeild raakt, het afdrukken en bewerken met olieverf zodat een vervreemdend, technisch perfect, glad werk ontstaat waar van met het blote oog niet valt te zeggen of het een foto is of een strak schilderij- het zijn minutieus uitgewerkte stappen in een zorgvuldig geregisseerd proces. De vergelijking is al vaker gemaakt: in zijn aandacht voor het detail, extreme Hollandse lulligheid en helderheid is het werk van Teun Hocks verwant met de theater- en filmproducties van Alex van Warmerdams Orkater. Toch zijn de foto’s van Hocks beklemmender, meer geworteld in de droomwereld van het kind, en magischer van aard dan het vervreemdende hyperrealisme van Van Warmerdams films. Bij Hocks schemert Magritte door de foto heen - als het ware. Hocks: 'Tegen het einde van mijn studietijd aan de Academie voor Beeldende Kunsten, een tijd waarin de pop-art welig tierde, kwam ik in aanraking met het werk van René Magritte. De zorgvuldigheid waarmee hij zijn werk maakte, zijn onafhankelijke ideeënstroom en de trefzekerheid van zijn beelden. Beelden die op het netvlies blijven hangen en die vaak een vreemd soort vrolijkheid in me doen opborrelen, waren en zijn de belangrijkste redenen voor mijn grote bewondering. Magritte behoort zeker tot de kunstenaars die mij beïnvloed hebben. Het maakt me soms ongerust wanneer ik het gevoel heb dat die invloed doorklinkt in mijn werk, maar meestal verandert die ongerustheid al snel in verwondering, enthousiasme en plezier.’ Met deze ontboezeming geeft Hocks een uitstekende karakterisering van zijn eigen werk, waarvan de zorgvuldig uitgewerkte technische opbouw, de trefzekerheid en de sfeer van melancholieke vrolijkheid in het oog springen. Met Magritte deelt Hocks de gladde, onpersoonlijke stijl, de aandacht voor de goede oude surrealistische techniek van het combineren van twee oneigenlijke, niet logisch op elkaar aansluitende zaken binnen een beeld, het spel met de waarneming (de afbeelding lijkt een echt bestaande situatie uit te beelden, maar is van een hoogst twijfelachtig realiteitsgehalte) en een voorkeur voor de verwarring zaaiende grap die tot nadenken stemt. Dat zijn veel woorden voor plaatjes als: een man zit opgesloten in een huisje, rookt een pijp, de uitgestoten rook verdwijnt door de schoorsteen naar buiten. Mannetje kijkt naar de zon, in zijn hand een gitaarkoffer in de vorm van een vraagteken waarvan de punt ontbreekt; kan de cirkelvormige zon misschien dienst doen als punt, zie je de man zich af vragen. Man achter bureau mept geen vliegen maar in het duister van de nacht rondvliegende engelen. Man breit gezellige trui van een knot wol die als wereldbol fungeert. Mannetje in de woestijn vindt zich zelf terug in de voetstap van een reus. Van die dingen. HOCKS’ KUNST IS lieve, aardige kunst. Met een melancholisch tintje, kunst die een wenkbrauw verbaasd omhoog doet schie ten, een gniffel weet te ontlokken, een mondhoek mild-ironisch laat krullen in de aanzet tot een lach. Echt hilarisch wordt het nooit, maar dat is ook niet waar de kunstenaar op uit is. Het gaat Hocks vooral om het zo geloofwaardig mogelijk creëren van fantasiewerelden. De kunstenaar in een interview met Elsevier: 'Het is voor mij van groot belang dat ik de realiteit van een volkomen nieuwe wereld uitprobeer. Wat die wereld typeert? Dromen die geen wer kelijkheid worden misschien. Het verlangen om iets te doen, om grote reizen te ondernemen, los te komen van het alledaagse en daarbij toch het gewone, het vertrouwde willen vasthouden. Maar het is niet altijd een klein drama dat ik uitbeeld. Mijn mannetje is niet altijd hetzelfde. Soms is het een boos mannetje, of een arrogant mannetje, maar altijd gebeurt er iets wat niet logisch is, niet in woorden naverteld kan worden.’ Door de jaren heen is Hocks’ manier van werken weinig veranderd, wat hem vaak op het verwijt is komen te staan dat er in de fotowerken te weinig vernieuwing en ontwikkeling steekt. Zet daar de even valide opmerking tegenover dat iedere kunste naar, theatermaker, filmer en choreograaf altijd hetzelfde verhaal vertelt, weliswaar opgediend met kleine variaties maar in wezen hetzelfde grondthema bevattend, en die kritiek kan gemakkelijk worden gepareerd. Hocks zelf is trouwens de laatste om zich iets van dergelijke opmerkingen aan te trekken. Sinds zijn werk eind jaren tachtig werd bestempeld als behorend tot de fotografia buffa (verzamelnaam voor geënsceneerde fotografie, in Nederland vooral gepresenteerd door de Amsterdamse galerie Torch: Henk Tas, Alex Vermeulen, Tjarda Sixma), mag de kunstenaar zich verheugen in een gestaag groeiende belangstelling. Vasthouden aan een thema en een techniek hoeft op zich geen bezwaar te zijn. Bovendien, de kunstenaar wil niet anders: 'Technisch gezien zou ik het best helemaal kunnen schilderen maar ik denk dat er dan geen moer aan is’, vertrouwde hij de Volkskrant een keer toe. Het is juist de zwart-witfoto, door een chemisch kleurbad gehaald en later ingekleurd met olieverf, die de afgebeelde han deling haar échtheid verleent, ondanks de aan de strip, cartoon en tekenfilm ontleende thematiek. Verwacht van Hocks echter geen gewichtige uiteenzettingen over foto grafie als weergever of vertekener van de 'werkelijkheid’; het gaat de maker veeleer om het achterliggende verhaal, preciezer geformuleerd: om de 'tragiek van de grap’. Hocks: 'Dat is het mechanisme dat grote komieken als Buster Keaton of Laurel & Hardy zo feilloos in gang wisten te zetten: het leedvermaak. Dat het leven nog ver schrikkelijker is dan je al dacht en dan de bevrijdende lach omdat die ander nog meer weet te verknoeien dan jijzelf. EEN BEELDENDE, surrealistische variant op het werk van Johnny van Doorn, Kees van Kooten en Heere Heeresma, zo zou je het in 1992 met de Capi-Lux Albas Prijs bekroonde oeuvre van Hocks kunnen noemen. Fotograaf Willem Diepraam om schreef in het bijbehorende juryrapport het werk van de kunstenaar niet voor niets als 'heel bewust balancerend op de rand van het banale, maar in feite over doodserieuze dingen handelend’. Het is een visie die ook door Hocks gedeeld wordt, getuige uitlatingen als: 'Ik bezie mijn eigen doen en laten vaak als een buitenstaander. Het geschutter in gezelschap, in een restaurant vruchteloos de aandacht van bedienend personeel proberen te trekken; dat zijn bekende strubbelingen voor mij. Ik heb regelmatig het gevoel dat ik niet opschiet in het leven, soms lijd ik aan faalangst, die naarmate mijn werk meer erkenning krijgt, alleen maar groter wordt. En als ik in een vliegtuig stap, knijp ik hem ook alweer.’ Menselijke, al te menselijke angsten en benauwenissen: Teun Hocks vangt ze in geschetste krabbels en werkt ze uit. Het is vervolgens aan het publiek en de pers om de gevoelslading van de fotowerken te om schrijven. Hocks’ kunst heet dan poëtisch, tragisch, komisch, ernstig, hulpeloos, kwestbaar, hartverscheurend, eenzaam, cartoonesk, anekdotisch of een demonstratie van existentiële eenzaamheid. Grote woorden - en ze zijn allemaal waar. HOCKS SCHILDERT de mens als tobbende sukkelaar in een omgeving die gewantrouwd dient te worden. Er kan im mers heel wat misgaan. Stel je voor dat je de modderafdrukken van je schoen op de vloerbedekking met de stofzuiger wilt ver wijderen, maar iedere keer als je een stap naar voren zet komt er weer een modderaf druk achter je bij? Zie de mens, gevangen in zijn eigen cirkelgang. Pakkende, ogenschijnlijk eenvoudige beelden maakt Hocks. Zijn werk, zoals bij eengebracht in De Beyerd, laat zich het best begrijpen als een fait accompli - een voldongen, onherroepbaar feit. De kok met in zijn handen een stomende pan, met brandende stad op de achtergrond, de zingende vogel passerende man met de kurken in zijn oor en de zieke man wiens alter ego aan het voeteneinde een smakelijke maaltijd verorbert: in de fantasiewereld van Hocks vallen de dingen op hun plaats, zelfs de vreemdste dingen. Gecamoufleerd drama dat zich op on ontkoombare wijze direct voor je ogen af speelt, dat is het effect van Hocks’ foto’s in olieverf. Met af en toe de sprookjesachtige sfeer van het kinderboek. Of een Kama gurka-achtige situatie. Komt er een man gekleed in een vaalbruine jas zijn in duister gehulde huis binnen. Klaarblijkelijk net terug van een reis, getuige de zojuist neergezette koffers. De man staat bij een tafel met daarop een stapel boeken en houdt een ouderwetse stormlamp omhoog. Aandachtig bekijkt hij het landschapje dat in het schijnsel van de lamp oplicht aan de muur. Moet je eerst reizen om thuis scherper te kunnen zien? Of wat te denken van zo'n klassiek gegeven als 'het gevecht van de schilder met de materie’? Hocks toont een man in een wit te overall op een schommelstoel die net te ver van het doek af staat. Hoever de schilder ook naar het maagdelijke doek reikt met zijn penseel, hij kan het niet raken. In drift leeggeknepen tubes verf omringen de schommelstoel en getuigen van de kunste naar z'n frustratie. Geen van de bovengenoemde werken draagt een titel. Het ware absurdisme dient woordloos begrepen.