M. Vasalis (1909 - 1998)

De tragische bijna-heilige

Maaike Meijer, M. Vasalis, € 35,-

Beroemd wilde M. Vasalis als persoon niet worden. Interviews sloeg ze steevast af. Nu is er een biografie.

Behalve een afgetroggeld interview in 1956 door P.H. Ritter jr., die zich valselijk als patiënt voordeed, en een vraaggesprek met twee schoolmeisjes in 1987 heeft M. Vasalis zich niet aan journalisten onderworpen. Ze zou geen vraag eerlijk kunnen beantwoorden, noteert ze in 1962 in haar dagboek naar aanleiding van een telefoontje van criticus Hans Gomperts, die graag een vraaggesprek op tv met haar had willen voeren. Dat interview kwam er dus niet, maar in haar dagboek beschrijft ze hoe het had kúnnen verlopen. Het leest als een absurdistisch toneelstuk, waarin de ‘ik’ op de vragen ofwel kortweg 'ja’ zegt, of zulke cryptische antwoorden geeft dat interviewer Gomperts ('G’) met stomheid is geslagen: 'G:?’ Het ontspoort als volgt:
'G: Wat is voor jezelf het belangrijkste: je vak of schrijven?
Ik: Ik weet het niet. -
G: Voel je je beroerd?
Ik: Ja.
G: Zullen we dit maar stoppen?
Ik: Ja. Ja!
G: Zijn we iets verder gekomen?
Ik: Nee.
Foto’s van de zee.
Hans: Zal ik je naar huis brengen? Waar woon je?
Ik: Ik weet het niet. -
The End’
Er zijn veel redenen waarom Vasalis de publiciteit schuwde en haar dichterlijke pseudoniem het liefst een eigen leven liet leiden in haar poëzie, los van haar bestaan als Margaretha Droogleever Fortuyn-Leenmans. Ze wilde haar privé-leven beschermen, vond het ongemakkelijk voor haar praktijk als psychiater en haar patiënten als ze als persoon beroemd zou worden, wilde haar kinderen niet met een publieke literaire carrière belasten en had hoe dan ook gemengde gevoelens voor het kleine, op zichzelf betrokken wereldje van letterkundigen. Maar de diepste verklaring geeft ze waarschijnlijk in haar dagboek: in de publiciteit kun je niet eerlijk zijn, misschien kun je als dichter überhaupt niet eerlijk zijn behalve in je werk. Gedichten terugbrengen tot een biografische oorsprong, tot de werkelijkheid - het doet de dichterlijke werkelijkheid al snel te kort.
Maar ook als je buiten beeld blijft, wordt er wel een beeld van je gevormd. Voor Vasalis werd dat het beeld van een mythische kluizenares, maakster van een klein aantal gedichten dat bij publicatie al klassiek leek, gedichten die al decennia gelezen, geciteerd en uit het hoofd geleerd worden. Haar vriend Gerard Reve, die haar ook al wilde interviewen als 'bekend kunstmens’, formuleerde het kernachtig in een brief aan haar in 1966: 'Je bent wat de journalisten “tijdloze kopij” noemen, maar ook, volgens mij, “vreetkopij”, want je hebt een waarlijk sprookjesachtig image: de stille, zwaarmoedige, bijna anonieme dichteres van de Drie Bundels in Een Kwart Eeuw, moeizaam bezig zielszieke mensen beter te maken.’
De vraag is hoe je een biografie schrijft van iemand voor wie publiciteit een gruwel was, hoe je een monument opricht voor iemand die al een monument is, al is het dan als raadselachtige 'dichteres van de Drie Bundels’. Maaike Meijer laat in haar 'Woord vooraf’ dan ook meteen weten dat haar biografie geschreven is 'met schroom’. Ze had bij het schrijven vaak het gevoel dat ze 'in overtreding’ was, maar besefte ook dat ze met de biografie 'de plaats van deze unieke dichter in de literatuurgeschiedenis’ kon markeren.
Die schroom laat zich dan ook in de biografie lezen. Het is geen portret geworden in ferme kwaststreken, eerder is het, als je even afziet van het volume van het boek, een uiterst precieze miniatuur, met het fijnste penseeltje geschilderd. Het is alsof Meijer Vasalis zo veel mogelijk zelf wil laten spreken, door overvloedig te citeren uit haar brieven aan haar ouders, zus Ank, vrienden en uit haar dagboeken. Haar eigen woorden en de feiten en feitjes, die moeten het doen. Meijer lijkt terughoudend in haar duiding van de persoon Margaretha Droogleever Fortuyn-Leenmans. Als ze zich aan interpretaties waagt, dan gelden die vooral de dichteres Vasalis en haar poëzie, en dan weer vooral de belangrijkste vraag waarom zij ophield met publiceren, althans waarom zij na het verschijnen van haar derde bundel, Vergezichten en gezichten in 1954, nog wel gelegenheidsgedichten en beschouwingen schreef, maar geen bundel meer uitbracht. Die vraag voert onvermijdelijk naar de bronnen van haar dichterschap, en waarom die opdroogden.
Om met Margaretha Droogleever Fortuyn-Leenmans - kortweg 'Kiek’ - te beginnen: als het beeld van 'de stille, zwaarmoedige, bijna anonieme dichteres’ in je hoofd gebeiteld zit, dan is het verrassend om te lezen hoe sprankelend, levendig, sociaal en geestig Kiek was - zoals ook blijkt uit het dramatische interview met Gomperts dat ze verzon. Ze werd in 1909 in Den Haag geboren, als tweede dochter van Hal en Louise Leenmans, een seculier, vrijzinnig gezin met socialistische sympathieën. Haar vader was leraar aan het gymnasium, een intellectueel en felle debater; haar moeder kalm en warm. Het was bepaald geen benepen nest - het woord 'aanpassen’ werd haar niet geleerd, en haar vader zei altijd tegen haar en haar zusje: 'Het kan me niet schelen wat jullie later voor slechts doen, als je maar geen “dame” wordt, want dan donder ik je het huis uit.’
'Ik zit met de handicap van mijn gelukkige jeugd, waarna alles een anticlimax is’, zou ze later in haar dagboek stellen. Inderdaad luidt een adagium dat een ongelukkige jeugd de goudmijn van een schrijver is, maar in haar geval was juist haar onbekommerde, liefdevolle jeugd een bron van inspiratie. Vandaar dat ze, als ze ouder is en het dichten niet lukt, terugkeert naar haar jeugd door over de levensverhalen van haar ouders te schrijven en aan haar autobiografie te werken, in de hoop de dichterlijke vitaliteit van vroeger terug te vinden.
Na haar schooltijd ging Kiek medicijnen studeren in Leiden, waar ze zich in het corporale studentenleven stortte, al was dat voor meisjes toentertijd nog behoorlijk braaf. Kiek kiest voor de psychiatrie, die haar in contact brengt met de ongetemde kanten van de ziel en die haar vastklinkt aan mensen. Zoals Meijer schrijft: 'Het zijn de ketens van de empathie die haar binden: haar wens om het lijden van anderen te verlichten.’ In haar studentenjaren is zo al sprake van het tweespalt waaronder Kiek later alleen maar meer gebukt zou gaan: haar trek naar een vol leven met veel vrienden en bekenden, patiënten en al wie maar om hulp smeekt (en later haar man en kinderen), en haar hang naar de stilte om te kunnen schrijven. De tweespalt tussen leven en dichten, en al moet 'het echte schrijven’ voor haar 'een vorm van leven’ zijn, dat gaat niet als het werkende en familiale leven haar aandacht opslurpt.
Bij haar eerste banen in de psychiatrie, tijdens haar verblijf in Zuid-Afrika om gezondheidsredenen, tijdens haar eerste huwelijksjaren in Amsterdam, als ze geniet van het succes van haar gedichten en vrolijk deel uitmaakt van het literaire leven - altijd is er die tweespalt, en naarmate ze moeizamer schrijft, wordt die groter. Meijer schetst omstandig het portret van de sterke en opgewekte Kiek, beschrijft haar vele vrienden, citeert ruim uit de brieven vol grappen en taalspel die ze hun schreef, boekstaaft het fysieke ongemak waar Kiek onder gebukt ging en dat ze dapper droeg - van reumatische artritis tot een nierontsteking, van hernia tot ontstoken holtes -, geeft uitgebreid haar niet aflatende inzet als dokter weer. Die vrolijke vitale Kiek is hartverwarmend, je zou zo zelf met haar bevriend willen zijn: loyaal, steun en toeverlaat, grappig, nooit egocentrisch, niet jaloers, wijs; haar enige slechte eigenschap is dat ze geen slechte eigenschappen lijkt te hebben.
Meijer memoreert dat Kiek zelf graag biografieën las, maar dat ze ooit over een vuistdikke biografie van Lytton Strachey, duizend pagina’s dundruk, zei: 'Nou kennen we ook elk kuchje.’ En al stelt Meijer dat ze niet elk kopje thee en elke anekdote heeft vastgelegd, het leest wel een beetje zo. Wat ook niet echt helpt is dat de biografie vol herhalingen staat, doordat na thematische gedeelten de chronologie weer opgepakt moet worden.
Maar onder de opgewekte Kiek ging melancholie en grote gevoeligheid schuil, die een weg vonden in de poëzie. Die poëzie werd geboren uit geluk én verdriet, een paradox die in haar gedichten een verzoening vond. Haar jeugdgedichten geven er al blijk van dat ze vreugde schepte in verdriet, het latere door Charlotte Mutsaers zo bespotte 'ik voelde me bedroefd en goed’. Meijer laat zien dat Kiek al jong mystieke ervaringen heeft, wonderlijke werkelijkheidsbelevingen die vaak door de natuur worden aangevuurd. Vasalis’ poëzie lijkt dan ook te ontspruiten aan iets wat zich aanvankelijk aan woorden onttrekt, aan iets wat niet gezegd kan worden. Zoals ze in haar dagboek in 1965 schrijft: 'Het heeft zijn wortel in het geheim.’
Het geheim, daar kan ze, na het verschijnen van Vergezichten en gezichten, niet meer echt bijkomen. Vasalis is dan halverwege de veertig en de dramatiek van de biografie ligt erin dat ze er daarna altijd koortsachtig naar is blijven zoeken. In haar dagboek kan ze met woorden steeds dichter bij het geheim komen, het steeds iets beter omschrijven, maar ze kan er niet meer uit putten voor haar poëzie. Zo zegt ze in het gefingeerde interview met Gomperts dat de jeugd de enige rol speelt in haar werk: 'Jeugd is voor mij het heden. Alles wat ik beleef is jeugd. Als ik niet beleef is het ouderdom. Herinneringen ook, als ze niet kers-vers zijn. Ik geef alleen om kers-vers.’ 'Kers-vers’, het is een uitdrukking die telkens terugkeert in haar dagboeken, en die moet aangeven dat poëzie onmiddellijke werkelijkheidsbeleving moet zijn, dat zij geboren moet worden in het nu, zich als een openbaring moet voltrekken.
Als lezer vergeet je de verhalen van haar jeugd, haar komeetachtige succes als ze begint te publiceren in tijdschriften en Parken en woestijnen verschijnt in 1940, de literaire vriendschappen, de psychiatrische carrière, haar gezin et cetera - je vergeet haar hele geleefde leven, omdat de poëzie haar werkelijke leven was en ze daar strandde. Als achttienjarige dichtte ze al: 'Vaarwel mijn lieve Muze, ga./ Mijn diepste wensen gaan u na/ de nacht verbleekt, de dag begint/ die mij bereid tot werken vindt’. Ze werd dokter en bleef toevallig schrijven. In 1947 schreef ze aan haar uitgever Geert van Oorschot: 'Vrijdag jongstleden om 9.30 des avonds overleed - na een korte vreugde toch nog vrij onverwachts M. Vasalis. Wij kunnen het niet ontveinzen opgelucht te zijn ondanks het onherroepelijk gevoel van gemis.’ Maar na het vaarwelgedicht en ook na het doodsbericht aan Van Oorschot blijft Vasalis dichten, aanzetten tot gedichten schrijven, zoeken naar haar bron.
Natuurlijk is het leven van Vasalis niet gestrand: ze laat een klein maar zeer rijk oeuvre na, waarin ze een brug sloeg tussen de traditie en de poëtische vernieuwing van de Vijftigers. Dankzij Maaike Meijer is ze nu veel meer dan die 'bijna anonieme dichteres van de Drie Bundels in Een Kwart Eeuw’, plus die vierde postume bundel uit 2002, De oude kustlijn. Van bijna-heilige is ze mens geworden, een bijzonder getalenteerd, dapper, opgewekt, maar ook worstelend en tragisch mens.

MAAIKE MEIJER
M. VASALIS
EEN BIOGRAFIE
Van Oorschot,
966 blz., 35,-