De tranen van robert mcnamara

TWINTIG JAAR GELEDEN kwam er eindelijk een einde aan de nachtmerrie van de Vietnam-oorlog. Dat de discussie over dat elf jaar slepende conflict in Amerika weer hoog is opgelaaid, is vooral te wijten aan Robert McNamara, die de herdenking uitkoos om zijn memoires te publiceren over de oorlog die wel eens naar hem werd genoemd. Het werd hem niet in dank afgenomen. De reactie op zijn bekentenis dat hij en de andere politici die miljoenen voor niets hebben laten sterven, was vrijwel unaniem negatief.

De ‘haviken’ van toen spreken van 'verraad’. Hun woede is begrijpelijk, want in zijn boek laat de voormalige minister van Defensie geen spaan heel van hun geliefkoosde mythe dat Amerika de oorlog zou hebben gewonnen als het Congres, onder druk van het straatprotest, de militairen niet had gedwongen om te vechten 'met een hand op de rug gebonden’. Zoals McNamara duidelijk maakt, gebruikte Amerika in Vietnam ongeveer alles, behalve kernwapens. Op Vietnam werden meer dan twee keer zoveel bommen gegooid als tijdens heel de Tweede Wereldoorlog vielen: 125 kilo explosieven voor elke man, vrouw en kind in Zuidoost-Azie. Een nog grotere escalatie zou genocide hebben betekend, schrijft McNamara. Nu al stierven vier miljoen Vietnamezen en bijna zestigduizend Amerikanen. McNamara onthult dat de Amerikaanse generaals (en ook Eisenhower, die het conflict in gang had gezet) die escalatie bepleitten, ook als het tot een kernoorlog met Rusland en China zou leiden. Hij en president Johnson waren niet krankzinnig genoeg om die raad op te volgen. Maar de reactie op zijn boek toont dat er nog heel wat Amerikanen zijn die vinden dat er niets verkeerd was aan hun Vietnam-oorlog, behalve dan dat hij werd verloren.
Voor de 'duiven’ van toen en de Amerikanen die vochten in Vietnam komt McNamara’s biecht vijfentwintig jaar te laat. Ze vergeven het hem niet dat hij loog of zweeg toen zijn stem de oorlog had kunnen verkorten. 'Nadat hij de oorlog voor bekeken hield, ging hij naar de Wereldbank, en duizenden soldaten gingen naar hun graf’, zei een Vietnam-veteraan bitter, 'McNamara hoort thuis in een gevangenis.’
EN TOCH, ALS JE DE MAN ziet, kun je niet anders dan sympathie voelen voor de 78-jarige ex-minister. Zijn stem trilt als hij het over de tragische gevolgen van zijn vergissingen heeft. Tijdens een tv-interview rolden de tranen over zijn rimpelige wangen.
McNamara was geen amorele cynicus. Hij had principes en een waaardensysteem. Maar er was iets ernstig mis met dat waardensysteem. Loyaliteit stond bovenaan. Uit loyaliteit tegenover president Johnson bleef hij de oorlog verdedigen, bleef hij liegen dat Amerika aan het winnen was, ook toen hij het zelf niet meer geloofde. Uit loyaliteit bleef hij zwijgen, ook nadat hij, in 1968, de regering had verlaten. In McNamara’s waardensysteem woog die loyaliteit zwaarder dan de levens van de miljoenen die na zijn vertrek uit het Pentagon sneuvelden. En waarom bleef hij zwijgen toen het roer van de oorlog werd overgenomen door Nixon, tegenover wie McNamara geen verplichtingen had? Op die vraag geeft hij tegenstrijdige antwoorden. Enerzijds zegt hij dat hij dat niet kon doen omdat dat 'hulp aan de vijand’ zou hebben betekend. Anderzijds, zegt hij, 'zou mijn stem geen enkel verschil hebben gemaakt’.
En dan te bedenken dat McNamara beweert dat hij zijn memoires schreef om 'het cynisme van zovele mensen over onze politieke instituties en leiders’ te bestrijden. Wie het boek leest, kan enkel nog cynischer worden. De arrogantie en het bedrog van de politici worden er duidelijk in geillustreerd. In een van de interessantste passages geeft McNamara toe dat Vietnam terra incognita was voor degenen die er de oorlog organiseerden. Hij beschrijft de verbluffende nonchalance waarmee ze tienduizenden naar de slagvelden zonden, zonder zichzelf de meest voor de hand liggende vragen te stellen. De regering had niet eens een werkgroep op hoog niveau die de situatie in Vietnam volgde. 'Het lijkt ongelooflijk’, schrijft hij, 'maar het is moeilijk om ons nu in de onschuld en het zelfvertrouwen te verplaatsen waarmee we destijds Vietnam benaderden.’
Uiteindelijk gaat McNamara’s schuldbekentenis niet erg diep. Het is tegelijkertijd een verdediging van zijn 'goede intenties’ en een poging om de verantwoordelijkheid voor de leugens op anderen te schuiven. Maar dat Amerika’s Vietnam-politiek 'verschrikkelijk verkeerd’ was, wordt tegenwoordig alleen door de meest verstokte ideologen ontkend. Want de gebeurtenissen hebben sindsdien onomstotelijk de onjuistheid bewezen van de 'dominotheorie’ waarop die politiek was gebaseerd: de bewering dat de val van Saigon zou leiden tot een kettingreactie, waardoor eerst heel Zuidoost-Azie, dan de Filippijnen, Korea, India, Japan, enzovoort door een monolitisch blok van communisten zouden worden ingepalmd. Die theorie, waarin ook McNamara geloofde, maakte destijds het beletten van verkiezingen en het zaaien van dood en verderf in een ver land 'noodzakelijk voor Amerika’s nationale veiligheid’.
Een desastreuze vergissing.