De transvaal

Op de hoek van de Haagse markt zitten drie Haagse dames op een terrasje aan de koffie. Als er een negroïde tienerjongen op een scooter over het trottoir langsrijdt, ontspint zich een conversatie die ik letterlijk noteer:

‘Ze rijden gewoon overal doorheen, hè?’
'Nou, ik heb dus zelf op de markt gestaan en ze behandelen je gewoon als oud vuil, hoor.’
'Het zijn toch net apen.’
'Ja, met die mond zo, ja, als ze nog jong zijn ziet het er wel geinig uit, maar eh…’
'Je hebt toch ook zo'n voetballer, die heeft ook zo'n mond en dan van die vooroverhangende wenkbrauwen erbij…’
'Da’s het type Neanderthaler. Zo heet dat. Het Neanderthalertype.’
Terwijl de dames de koffiekopjes ledigen en opstaan kijk ik ze na en denk ik aan een chanson van Brel: 'Les singes de mon quartier’, waarin hij de vraag stelt wie er in een racistisch straatje nou de werkelijke primaten zijn. Al die eeuwen beschaving die we achter ons hebben zijn kennelijk aan een paar gepermanente Kaukasische wijfjesdieren uit de Transvaal voorbijgegaan. Het meest verontrustend aan het gesprek was nog wel de toon: nauwelijks gedempt en alsof het over de gewoonste zaak ter wereld ging.