De treinconducteur is normaal

Chris Keulemans is directeur van het politiek cultureel centrum De Balie. ‘De jurk’ speelt in een tijdloos Holland. Een enclave van nauwelijks meer geheim te houden barbarij. Bevolkt door heel gewone mensen.
IN DE REST van de wereld is er op het ogenblik van alles aan de hand. Vrouwen en kinderen verdwijnen onder de brokstukken. Jongens schieten elkaar het hoofd van de romp. Volwassen mannen zakken van de honger in elkaar. En er zit geen planachter. Lust en moordzucht doen hun werk in volstrekte willekeur.

Toch zijn er nog, al is het moeilijk voor testellen, enclaves. Veilige gebieden. Elders hebben die begrippen niet zo goed gewerkt,maar in Holland kom je ze tegen. Hier liggen nog ongerepte weilanden, waar de treinkaarsrecht en geluidloos doorheen zoeft. Onbewaakte spoorwegovergangen, met een bel die al jaren zo klingelt. Kalm groen licht gevende telefooncellen in het parkje aan de voet van een slaperig bejaardenhuis. Een lampenwinkel aan de dijk in de avondschemering; boven de etalage staat er in verlichte letters ‘Verlichting’. Een watergemaal dat boven de wijde omtrek uitsteekt, oud-Hollands toonbeeld van bouwkunst en nijverheid. Op het water dobbert een vissersbootje met parasol.
Op zulke locaties speelt De jurk, de nieuwe speelfilm van Alex van Warmerdam. Het is een tijdloos Nederland, niet op een datum vast te pinnen. Het interieur van de treinstellen stamt uit de jaren zeventig, de torenflat waar de kledinglijn voor het komende seizoen wordt bepaald, is gloednieuw. De rest van de wereld is nergens te bekennen. Dit is een diep vertrouwd, overzichtelijk land, klein genoeg om de levensloop van een zomerjurk van begin tot eind te volgen - van de eerste schetsjes op de ontwerptafel tot aan de muur van het museum, waar ze tenslotte terechtkomt in eenstemmig groepsportret.
En toch gaat het mis. Het is een mooie jurk, blauw met kleine boomblaadjes er op geschilderd, maar geluk brengt ze niet. Op al die locaties waar het leven haar brengt, blijkt de rust aan de oppervlakte bedrieglijk. Ze ontstaat aan de werktafel van een ontwerper die juist door zijn vriendin is verlaten en door zijn opdrachtgever afgewezen, terwijl intussen op straat zijn Indiase benedenburen worden aangevallen door een verstoorde stratemaker. De couturier die haar moet vormgeven, woont idyllisch in het bos, waar hij zijn minnaressen presenteert aan een bronstig reuzevarken. Haar eerste koopster is een lieve oude dame die een hartaanval krijgt op het moment dat haar echtgenoot aan de voordeur wordt beroofd. Ze waait van de waslijn en valt neer aan de voeten van een tuinknecht die haar aan zijn demente vrouw niet kwijt kan en daarom weggeeft aan de jonge werkster.
MET HAAR GAAT ze mee naar de loods waar het meisje samenwoont met een onverschillige schilder. De jurk eindigt om het lijf van Marie, een zwerfster die doodvriest in een hol onder de grond, ergens in het parkje aan de voet van het bejaardenhuis. De laatste metgezel van Marie scheurt een reepje van de stof en slaat het om zijn hals. Hij is een aan lager wal geraakte heer, ooit iets hoogs in de torenflat, nu met zijn laatste briefje van honderd op zoek naar een meisje dat hem een tongzoen wil geven. Daarna gooit hij het reepje jurk op het gazon, pal voor de aanrollende grasmaaier.
En dit is nog niet de helft van de rampspoed die de jurk op haar levensweg ontmoet. Ze wappert in alle onschuld van het ene onheil naar het andere. Zonder ooit in andere dan de meeste vertrouwde en veilige locaties terecht te komen. Ze maakt overvallen mee, aanrandingen en dood door verwaarlozing, juist in de Hollandse weilanden en lampenwinkels. Maar dat niet alleen. Ook de mensen zelf, de mensen die het leed ondergaan en veroorzaken, zijn heel gewoon. Allemaal onopvallende burgers, alledaags van omgangsvormen, uiterlijk en levensloop. Bewoners van Holland, een samenleving die al eeuwen door rede en fatsoen wordt geregeerd, niet door geweld en willekeur.
De allergewoonste is de hoofdrolspeler zelf: Hans de treinconducteur. Geen onsympathieke kop, een gemiddeld leren jasje en een beroep waar niets aan te ontdekken valt. Hij benadrukt zelf ook steeds dat hij normaal is. De eerste vrouw bij wie hij onaangekondigd in bed schuift, de jonge werkster in de treurige loods, legt hij het zwijgen op met de woorden: 'Rustig! lk ben gewoon treinconducteur!’ Het meisje staart hem angstig aan. 'Slik jij medicijnen?’ 'Nee, bezweert hij haar, 'ik ben normaal. ’ En dat houdt hij vol. Hij gilt het zelfs nog in de laatste beelden van de film, wanneer twee suppoosten hem wegslepen uit het museum waar hij juist zijn geliefde jurk uit het stemmige groepsportret heeft losgesneden.
EN HIJ HEEFT GELIJK. Afgezien van zijn onverbiddelijke liefde voor de jurk en haar draagsters onderscheidt hij zich in niets van de Hollanders om hem heen. Hij dringt huizen binnen, randt meisjes aan, raakt verzeild in vechtpartijen met wildvreemden - maar dat doen de anderen ook. Temidden van dieven, verkrachters en vandalen is de treinconducteur net zo normaal als de rest.
En dus dringt het beeld zich op van Holland als gruwelpark, een kalme oppervlakte met daaronder permanent een web van lust, moordzucht en willekeur. Een enclave van nauwelijks meer geheim te houden barbarij. Bevolkt door heel gewone mensen, en dus door dood en ellende.
Juist omdat de rest van de wereld uit zicht blijft, geeft De jurk een claustrofobisch beeld van Holland. Alsof we hier allemaal in afzondering ons brute einde tegemoet gaan. Daarom is het een opluchting dat er in de film, hoe spaarzaam ook, een paar donkere, niet-blanke gezichten opduiken. Want zij laten zien dat we niet alleen zijn op de wereld. De ontwerper jat zijn idee rechtstreeks van de kleurige sari waarin zijn Indiase benedenbuurvrouw wegvlucht voor de stratemaker. De jurk is dus niet alleen van ons.
De overvaller aan de voordeur is een jonge Marokkaan. Het geweld is ook niet uitsluitend van ons. En in de schoolklas die tenslotte op de museumvloer zit om het stemmige groepsportret te bekijken, zitten drie zwarte kinderen. Ook de toekomst hoeven we dus niet alleen door te brengen, opgesloten in dit gruwelpark met de andere doodnormale Hollanders.