De trije gritenijen

Al was ik er een half mensenleven lang niet meer geweest, ik herkende het gebouw meteen: het was het gemeentehuis van Grouw, waar ik ooit, als jongmaatje, een raadsvergadering heb verslagen, ongetwijfeld zonder precies te weten wat er aan de orde was.

Nu was mij de eer beschoren in diezelfde raadszaal zelf het woord te mogen voeren. Want in de kelder is inmiddels het streekmuseum De Trije Gritenijen gevestigd dat dertig herontdekte doeken van de schilder Broer de Boer (1877-1953) exposeert, een kunstenaar die een neef van wijlen mijn schoonmoeder was en dus eigenlijk mijn betoverachteroom is geweest. Dat maakte mij inderdaad tot de aangewezen figuur de expositie met enkele toepasselijke woorden te openen.
Eerst dronken wij een kopje koffie in het statige trappenhuis. Samen met de voorzitster en de secretaresse van het museumbestuur, vriendelijke vrouwen van middelbare leeftijd. De voorzitster verontschuldigde zich. Zij heeft diezelfde middag een nevenfunctie in het blokfluitgroepje dat de muzikale intermezzi zou verzorgen. Nog enigszins buiten adem nam zij als eerste plaats achter het spreekgestoelte, een paar rode plekjes in de hals van alle inspanningen, en sprak een welkomstwoord.
Waarom vind ik het geheel zo aangrijpend? Omdat het allemaal van die gewone, ingoede mensen zijn, van wie je zeker weet dat je er in tijden van gevaar probleemloos kunt onderduiken. Zo wist trouwens ook Sem Davids, na de oorlog vele jaren redacteur van De Groene Amsterdammer. In de oorlog zat hij in datzelfde Grouw in een gangkast naar de Engelse radio te luisteren, waarop hij de commentaren baseerde die even later naar de illegale kranten werden doorgesluisd.
Na de opening gingen wij gezamenlijk naar de kelder. Daar hingen die dertig Friese landschappen, zo fraai gerestaureerd en zo smaakvol ingelijst, dat de goede gever vast nog eens spijt van zijn generositeit gaat krijgen.
Ten slotte aten wij, spreker en museumbestuur, een hapje in een plaatselijk hotel-restaurant. ‘Wist u dat mijn ex-collega Sem Davids tijdens de oorlog…’ begon ik. Natuurlijk wisten zij dat. Verleden jaar, op de herdenkingstentoonstelling ter gelegenheid van de vijftigjarige bevrijding, heeft De Trije Gritenijnen nog een paar brieven van Davids geexposeerd. En het museum heeft bovendien van zijn schaarse middelen zo'n gangkast laten reconstrueren, zodat de jongeren proefondervindelijk duidelijk kon worden gemaakt wat een ellendige tijd het is geweest.
Ingoede mensen, ik zei het al. Weer voel ik een brok in de keel. Twee maal ontroerd op een dag, het is een hoge score, al moet niet worden uitgesloten dat ik voortijdig enigszins seniel aan het worden ben.