De triomf van het zappen

‘Love seats’, kanjers van luidsprekers en buitenissig brede beelden. De cinema doet er alles aan om het publiek vast te houden. Maar het publiek zit liever thuis voor de buis. ‘De bioscoop heeft nog maar een jaar of tien te leven.’
DEZE MAAND sloot in Keulen de zevende bioscoop binnen een half jaar voorgoed de deuren. De grote Capitol Kino (1100 zetels) gaf het na zeventig jaar op, Die Hard III was de laatste film die er draaide. De WDR maakte er op 27 september een reportage over en toonde een lange lijst van Duitse cinema’s die het afgelopen decennium veranderden in keukencentra, tuinmeubelhallen, supermarkten en overdekte parkeerplaatsen. Terwijl bioscopen in het centrum van grote steden er steeds vaker wegens gebrek aan publiek het bijltje bij neergooiden, verrezen in de buitenwijken gigantische zakelijke ingerichte filmpaleizen, ‘complexen’ met tien en meer zalen waar voornamelijk een jong publiek op af komt.

Dat geldt niet alleen voor Duitsland. Ook in Belgie doet zich die situatie voor: wie in het centrum van Brussel en Antwerpen loopt, komt gegarandeerd wel een paar dichtgetimmerde cinema’s tegen. Geen noodlijdende kleine zaaltjes maar schitterende theaters met allure, ontworpen voor en door mensen die van de combinatie pluche, klatergoud en cinematografie hielden.
In Nederland verschijnen bijkans elke week wel berichten in de pers over plannen van Pathe, Warner, de Belgische ‘investeringsgroep’ Decatron en andere duistere zakenlieden om in een op een stationshal lijkend pand clusters bioscoopzalen onder te brengen waar filmminnenden in bijna liggende positie hun portie Batman en Judge Dredd kunnen consumeren. Al dan niet sigaren rokende 'managers’ reppen in tv-praatshows van zoveel 'doeken’, zoveel stoelen en zoveel films per jaar. Behalve de door love seats vervangen klapstoelen moeten extreem grote schermen en digitaal stereogeluid de zintuigen beroeren. Het publiek wordt een overweldigende audiovisuele happening in het vooruitzicht gesteld, een bijkans hallucinerende gebeurtenis die de televisie thuis nooit en te nimmer kan bieden.
Of het bioscoopwezen op die manier voldoende filmverslaafden kan kweken en van de buis kan weglokken, is nog maar de vraag. Cinerama en Todd-AO lukten dat in de jaren vijftig ook niet en bij de 'widest of wide screens’ Omniversum, Imax en Omnimax staat vandaag de dag ook niemand in de rij. Met andere woorden: zijn zulke filmkastelen met kolossale projectiedoeken wel winstgevend te maken en te houden? De meeste filmliefhebbers van boven de dertig jaar komen nooit in een bioscoop en zelfs voor menigeen onder die leeftijd staat 'film’ al lang niet meer per definitie gelijk aan een bioscoopervaring. Het overstelpende aanbod aan speelfilms op de televisie kan de repertoirekennis van iemand die zelden of nooit in een cinemafauteuil plaatsneemt, ver doen uitstijgen boven die van iemand die bij wijze van spreken elke dag naar de bioscoop gaat.
De gemiddelde cinefiel wordt trouwens behoorlijk in de watten gelegd door producenten van laserdisks, beeldplaten met daarop al de features die sinds 1930 in Hollywood werden geproduceerd. De kwaliteit van beeld en geluid is extreem goed, stukken beter zelfs dan in de bioscopen, waar het volume tot de pijngrens naderende hoogten wordt opgeschroefd en het projectiedoek door de buitenissige omvang ervan altijd te weinig lichtsterk uitvalt en dikwijls ook nog een keer verkeerd 'afgekaderd’ is. Bij het medium beeldplaat kan de filmfan daarentegen een keuze maken uit de originele letterbox version of een uitvoering in full screen, terwijl de sterkte en de klankkleur van het digitale geluid naar eigen goeddunken kunnen worden ingesteld. Bovendien bevat een beeldplaat van bijvoorbeeld The Glenn Miller Story (1954) behalve die film ook als toegift interviews met titelrolspeler James Stewart en gesprekken met ex-musici uit het echte orkest van Glenn Miller.
Het aanbod aan filmtitels op beeldplaat is onvoorstelbaar groot, werkelijk alles is te koop: niet alleen voor de hand liggende klassieken als Casablanca (1942), High Noon (1952), From Here to Eternity (1953) of Sweet Charity (1969), maar ook het totale oeuvre van B- filmregisseur Hugo Haas, de films van de Aziatische detectives Charlie Chan en Mr. Moto, de 'vroege’ Tom & Jerry’s van Bill Hanna & Joe Barbera in chronologische volgorde en met toelichtingen van de tekenaars, de dansfilms van het duo Fred Astaire & Ginger Rogers enzovoort. Studenten analyseren films niet langer in een bioscoop of universitair projectiezaaltje, maar via beeldplaat en cassette op een tv-monitor. Er zijn zelfs filmrecensenten die al jaren niet meer in een bioscoop of op een persviewing zijn gesignaleerd; de door hen in krant, week- of maandblad scherpzinnig besproken films zagen zij thuis op de buis dank zij een door de filmdistributeur toegezonden videocassette met rechtsboven in het beeld een hinderlijk meelopende timecode, zodat piraterij wordt voorkomen.
MET ANDERE WOORDEN: wie in de beslotenheid van z'n huiskamer op een grootbeeld-tv een film bekijkt (en het surround-geluid beluistert) via een beeldplaat, een videocassette of al zappend gewoon een film uit de ether plukt, ziet al gauw af van een reis naar een solobioscoop in de binnenstad of een multiplex op een desolaat industrieterrein. Wie niet over een beeldplaatspeler beschikt, heeft toch minstens een videorecorder binnen handbereik. En wie zelfs dat handige apparaat ontbeert, weet zich dank zij ruim twintig open netten verzekerd van minimaal drie goede en vrij nieuwe films op een avond.
Amerikaanse filmproducenten brengen hun films tegenwoordig zelfs tegelijkertijd uit in theaters, op videocassette en op laser disk, terwijl dat een paar jaar geleden nog voor ondenkbaar werd gehouden. Toen kon men zich de hooghartige houding permitteren een film eerst zes maanden in de bios te laten 'uitrouleren’ waarna nog wat kruimels opgeveegd konden worden door middel van alternatieve exploitatiemogelijkheden als verhuur en verkoop op videocassette en laser disk en het verhandelen van de uitzendrechten aan tv- stations. Die kruimels zijn voor Hollywood intussen brokken geworden en soms zelfs een heel brood, om niet te zeggen het brood.
Hugo Brandt Corstius in NRC Handelsblad van 15 november 1991: 'Bioscoopkunst zou wel eens tot een enkele eeuw beperkt kunnen blijven, wanneer de kwaliteit van video die van de bioscoop gaat evenaren.’ De tijd is inderdaad voorbij dat tijdens een matinee oude, slecht ter been zijnde vrouwtjes door twee sterke bioscoopportiers naar binnen werden gedragen en dat de zaalchef wegens een te grote toeloop (Doris Day in Tea for Two) stoelen in het middenpad plaatste, daarmee een boete van de brandweer riskerend.
Het bioscoopbedrijf wekt in 1995 de indruk ook zelf niet meer te geloven in de levensvatbaarheid van de eigen branche; de futloosheid straalt van de persstenciltjes en de voorvertoningen voor de pers af. Er schuilt een flinke dosis ironie in het feit dat filmdistributeurs als honden achter presentatoren van tv-filmrubrieken aanlopen. Een goed gekozen fragment bij RTL4, Avro of Veronica plus een interviewtje van een hoofdrolspeelster of -speler met het tv-clowntje- van-dienst is meteen merkbaar aan de cinemakassa. Wat dat betreft heeft een degelijke schriftelijke toelichting op het filmaanbod in de krant geen enkele invloed. Lippendienst van een tv-presentator, gratis reclame op de beeldbuis, daar moet het bioscoopbedrijf het van hebben. De huidige filmliefhebber verpest z'n ogen niet met lezen.
DE ROMANTISCHE rolprent Bridges of Madison County (Meryl Streep & Clint Eastwood als op elkaar vallende boerin en fotograaf) is vorige week in 24 kopieen uitgebracht; Waterworld (Kevin Costner als de broer van Esther Williams) in maar liefst zeventig kopieen. Over een maand zijn die titels alweer uit de filmladder verdwenen en gaan negentig van die 94 kopieen via de firma Renovo in Katwijk naar de vuilverbranding in Amsterdam, om zo hun steentje bij te dragen aan de milieuvervuiling.
Belangrijker dan dat probleem acht men in het cinemabedrijf echter de kwestie hoe het publiek naar binnen kan worden gelokt. Want wat opgaat voor de Nederlandse film, waarvan Mark Moorman (Het Parool, 15 april 1995) stelt dat mensen liever anderhalf uur in een portiek voor de regen schuilen dan dat ze er in een bioscoop naar kijken, gaat langzamerhand ook op voor de gemiddelde Amerikaanse gebruiksfilm. Nederland is het minst bioscoopvriendelijke land van Europa, hier trekken alleen Disney-films en absurde thrillers publiek. De bioscoop is het domein van kleuters en halfvolwassenen geworden.
Desondanks is Amsterdam zwanger van drie 'megaplexen’ en Groningen, Den Haag en Rotterdam ieder van een. In Maastricht en Scheveningen zijn recentelijk zulke filmhallen geopend. Plaats genoeg voor een paar duizend klanten, maar insiders weten dat men het bordje uitverkocht nimmer uit de bezemkast heeft hoeven halen. Erger, er moet dik geld bij. En toch maar nieuwe cinema’s bouwen, hoe groter en extravaganter hoe liever. Rara, hoe kan dat?
Dat kan doordat slimme ondernemers met hulp van nog slimmere advies- en onderzoeksbureaus met rijk geillustreerde rapporten in vierkleurendruk bij geldschieters (lees: banken) de indruk weten te wekken dat het vermolmde, een eeuw oud zijnde instituut bioscoop nog legio mogelijkheden heeft. Een jong publiek, een flinke doelgroep, zou bij wijze van spreken hunkeren naar spetterende actiefilms (The Terminator, Under Siege II, Congo, True Lies) met denderend geluid dat uit achttien boxen en negen woofers komt, kanjers van luidsprekers die via tuinslangen gevuld met kwik worden aangestuurd door een 1000 watt dolbyprocessor! Fabelachtig mooie beelden, auditief ondersteund door geluid van een kwaliteit zoals dat het menselijk oor nimmer binnendrong.
DE NIEUWE KLEREN van de keizer. Vliegen banken daar zomaar in? Jazeker, onlangs zijn een Britse en een Japanse bank respectievelijk failliet en bijna failliet gegaan door de domheid en hebzucht van een Brit en een financiele samurai.
In 1989 interviewde ik Ben W. G. van Royen, mededirecteur van onder meer de inmiddels verdwenen Amsterdamse bioscopen Ceintuur, Edison, Apollo, West- End, Plaza, Capitol, Bio en Victoria. Allemaal gesloten. Er werd destijds ach en wee geroepen in dag- en weekblad, het had niet mogen gebeuren, zulke mooie buurttheaters verdwenen, wat waren we er vroeger gelukkig in de stalles! Van Royen, toen 90 jaar oud: 'Meneer, doet u mij een lol, er kwam toch geen mens meer. Nu zeuren ze dat het er gezellig was. De bioscoop als volksvermaak geef ik nog een jaar of tien, meer niet.’