Klassieke muziek: De laatste Louis Andriessen

De trompetten van de tritons

De wereldpremière op het Holland Festival moest worden geannuleerd. Nu beleeft May voor koor en orkest, Louis Andriessens hommage aan zijn vriend Frans Brüggen, alsnog zijn eerste vaart in een leeg Amsterdams Concertgebouw.

Frans Brüggen, aan wie Louis Andriessen een ode brengt © Kippa / ANP

Maart 2019. Gesprek met Louis Andriessen in Amsterdam. Hij zit midden in een nieuw stuk voor koor en orkest, dat hij voor het Orkest van de Achttiende Eeuw componeert als eerbetoon aan oprichter en vriend Frans Brüggen (1934-2014). Naar Gorters monumentale gedicht ‘Mei’ zal het May heten – de door Andriessen geselecteerde fragmenten zijn afkomstig uit de Engelse vertaling van Paul Vincent. Hij noemt het ‘een verbazingwekkend boek’. ‘Ten eerste is er geen touw aan vast te knopen. Het is heel slecht klungelig rijm, woorden die totaal verkeerd door hem begrepen zijn. Hermetisch, maar er zit niks in, in die gevangenis. In “Mei” komen zeemeerminnen voor. In de Griekse mythologie heb je ook zeemeermannen, tritons heten ze. Goed, die tritons komen uit het water en gaan trompet spelen maar ook hoorn. Weet je hoe Gorter dat schrijft? Als h-o-r-e-n. Zelfs dat weet hij niet.’

Ach, het is een mooie gelegenheid de oude hoorns van het Orkest van de Achttiende Eeuw anderhalve maat ‘van verre à la Mahler te laten spelen’. Al is stupide toonschildering een compositorische reflex waar je niet voorzichtig genoeg mee kunt omspringen, zeker in de behandeling van een gedicht dat bol staat van muziek. Overal in ‘Mei’ klinken instrumenten. Het meisje Mei, dat de dichter in zijn ban slaat, overweegt zich een fluit uit vlierhout te laten boren. In gedachten is de jonge Gorter van de grote liefde dan al haast bij Pan. ‘Ik wil dat dit lied klinkt als het gefluit, dat ik vaak hoorde voor een zomernacht.’

In de eerste regels trekt een soort jonge Frans Brüggen, onweerstaanbaar als de echte, als een rattenvanger van Hamelen fluitend Gorters oud-Hollandse wereld in. ‘Dan blies een jongen als een orgelpijp, de klanken schudden in de lucht zoo rijp/ als jonge kersen, wen een lentewind/ in ’t boschje opgaat en zijn reis begint. (…) Als ’n jonge vogel fluitend, onbewust/ Van eigen blijheid om de avondrust’. Later vat Gorter samen wat niemand, van Andriessen tot al zijn grote vrienden in de componistenhemel, zal betwisten. ‘Muziek lokt van een ziel muziek weer los/ Die treedt in wondere gedaanten uit/ De zielepoort, zoekend dat lokgeluid’. Hier worden muziek en poëzie die perfect match. Juist daarom zie je Andriessen in de partituur extreem alert zijn op het tautologische effect van zijn noten. Overal waar Gorter het groots en meeslepend laat blazen en toeteren, trapt Andriessen behoedzaam op de rem. De trompetten van de tritons blijven maar heel even. Na vier luide morsesignalen zijn ze weg, terwijl ze in de tekst ‘a long highway of sound across the ocean’s face’ zitten te blazen. Verder, bij de frase met de ‘tip-toeing God, mouth blowing upon a golden horn’, hoor je kortstondig twee hoorns en daarna exit. Ze klinken in mahleriaans pianissimo exact zoals hij ze me bijna twee jaar terug beschreef, van verre. Planning.

Er is nog een reden waarom ‘Mei’ voor Andriessen boven de wet staat. Het stond in de boekenkast van zijn vader Hendrik, componist en grandseigneur, de tegenpool in wie hij steeds meer de zielsverwant herkende. Al eerder, in zijn orkestwerk Mysteriën van 2013, liep de weg naar de partituur via de bibliotheek van zijn vader. Mysteriën vertelt in zes overlopende delen het verhaal van hun broederschap. De titels komen uit De imitatione Christi van Thomas a Kempis, vaders spirituele gids, en in het vierde deel citeert hij seniors lied ‘Magna res est amor’. May gaat daarmee over veel meer dan Frans Brüggen of, zoals altijd bij Andriessen, de werking van muziek binnen een zelf gesmede conceptuele context.

Op 4 maart 2019 staat volgens Andriessen de helft van May al op papier. Aan zijn werktafel spreken we over het memoires-achtige karakter van zijn laatste stukken. Sowieso gaat ons gesprek opvallend vaak over herinneringen. Herinneringen aan Brüggen, aan zijn vader, aan de katholieke jeugd. Als ik suggereer dat hij in zijn laatste stukken lijkt te werken aan een methode van herinneren, wijst hij terloops op zijn vergeetachtigheid. ‘Mijn geheugen begint nu toch wel hard achteruit te gaan.’ Later, als ik van anderen hoor wat hij niet expliciet heeft willen zeggen, begrijp ik het: hij heeft in bedekte bewoordingen gerefereerd aan de dementie die als een zwaard van Damocles boven het stuk hangt. May wordt een race tegen de klok, waarin hij met een onaangetast en klaarwakker muziekbewustzijn het hoofd heroïsch koel houdt. Voorzorgshalve vraagt hij zijn vriend en oud-leerling Martijn Padding, zijn opvolger als compositiedocent aan het Koninklijk Conservatorium Den Haag, hem te helpen met de instrumentatie – mocht dat nodig zijn. Maar hij krijgt met alle kracht die hij nog in zich heeft het complete stuk en een deel van de instrumentatie op papier. Padding kan de rest instrumenteren in zijn geest. En hoeft geen noot te veranderen, zegt hij. ‘Dat is tekenend voor Louis. Hij harmoniseerde regel voor regel binnen een strak dramaturgisch plan; de grote vorm, de verhouding tussen soli en tutti. Harmonisch is het heel interessant. De akkoordverhoudingen hebben dezelfde stuursheid als Satie, of de mooie parallelbewegingen van Machaut.’ Heel goed opgeschreven ook, met exacte instructies voor de beoogde orkestklank. ‘Het klavieruittreksel is zo onwaarschijnlijk precies genoteerd dat je er bij het instrumenteren niets meer aan hoeft te doen. Je kunt bij wijze van spreken de noten zo aan het orkest uitdelen. Tot de laatste noot is alles bewust door Louis gekozen.’

En prachtig, zegt Padding. ‘Er zitten zeven maten in die wat mij betreft bij het mooiste horen wat hij ooit geschreven heeft.’ Ze komen op de regel ‘meanwhile inside her a drum played a death roll’ als koraalachtige episode voor strijkers, blazers en koor met lange, halve noten in een extreem traag tempo, voor Andriessen-begrippen haast pathetisch bekroond met een paukenroffel. ‘Als hij ergens dicht bij Mahler komt is het daar. Onwaarschijnlijk huiveringwekkend.’ Met de dramatische nabijheid, zegt Padding, die Andriessen streng op afstand hield om raak te kunnen schieten als het écht moest. ‘De tegenstelling tussen de gedistantieerde bouwmeester en die intensiteit is zo kenmerkend voor hem; die dialectiek van tegelijkertijd ja en nee zeggen. De instrumentatie is heel systematisch, de tweede helft fragmentarischer met tempowisselingen waarvan we bij de repetities moeten zien hoe ze werken. Er zitten ook dingen in die hij ons als studenten streng verbood. De overdaad aan fermates bijvoorbeeld – je moest eens weten hoe ik op mijn donder kreeg als ik die opschreef. Die moest je verdienen, dat vond hij luiheid. Een enkele keer staat er iets vreemds, een espressivo midden in een toccata-achtige pianosolo.’ Maar goed, ook dat had Andriessen al beloofd: ‘Ik denk dat dit stuk veel gekker wordt dan wat ik tot nu toe heb gedaan.’

Nu kan het eindelijk beginnen, de verlate groet van de 21ste eeuw aan de achttiende

Dat espressivo bleef dus. ‘Hij wilde het laten staan’, zegt Padding, ‘en in het overtreden van zijn eigen geboden heeft Louis natuurlijk een geschiedenis. Hij stond zichzelf ook steeds meer toe de lyrische kant van stukken als Writing to Vermeer en La Passione op te zoeken.’ Of anders wel de levenssfeer van de vader. ‘May lijkt soms ontzettend op een stuk van Hendrik, de liederencyclus Miroir de peine voor sopraan en strijkers. Louis sprak ook veel over zijn vader trouwens. En over zijn broer Jurriaan. Na de Notenkrakersactie kwamen ze in de jaren zeventig tegenover elkaar te staan, maar hij heeft me later gezegd: van Jurriaan heb ik alles geleerd en hij was de begaafdste van ons allemaal.’

Louis Andriessen © Jörgen Caris / ANP

Zo werd een muzikaal vaarwel voor Brüggen in zekere zin de hinkstapsprong naar een laatste familiereünie – die in stijl meteen het laatste stuk zou worden. Misschien was het dat los van de omstandigheden sowieso geweest. ‘Hij sprak er weleens over’, zegt Padding, ‘dat hij misschien ging ophouden met componeren. Dat het wel eens klaar zou kunnen zijn.’ Andriessen heeft duldzaam aanvaard dat het zo is gegaan. Het gaat naar omstandigheden goed met hem. Padding: ‘Hij is heel licht. Hij componeert aan de piano, zeggen wij als vrienden; improviseert de prachtigste akkoorden. Dat vermogen is volkomen intact. We nemen alles op.’

Het instrumentarium van May werd een hobbelrijker traject dan de afwerking van de partituur. Voor een hommage aan de blokfluitvirtuoos Frans Brüggen zit er heel weinig blokfluit in het stuk, om precies te zijn vier maten – want het mocht vooral geen sentimentele hommage aan een oude gabber worden, geen verkapt blokfluitconcert-ter-nagedachtenis-van. Daarom zag Andriessen al eerder af van zijn oorspronkelijke plan het werk Requiem te noemen. Te beladen. Van maat 15 tot maat 18 trekt de altfluit op de regels ‘a boy blew music like an organ pipe/ the sounds all trembled in the air’ een swingende sprint van zestiendenfiguren in sextolen, afgeroomd met drie trillers – dat is dat. Helaas moest voor dat bliksemoptreden wel een speciale fluit worden gebouwd. Het stuk wordt in de geest van de Weens-klassieke periode, die van Haydn, Mozart en Beethoven, gespeeld op een stemtoon van A = 430Hz. In Mozarts tijd waren blokfluiten uit de gratie, en de meeste gangbare instrumenten staan op 415 of 440 Hz.

Ander probleem was het Glockenspiel, dat dan weer wel vrij een-op-een de carillons in May verbeeldt. Dat moest een instrument zijn zoals Mozart het in Die Zauberflöte gebruikt, en dat hij bij de Weense première zelf bespeelde. Padding: ‘We hebben heel Europa afgezocht. Toen vonden we in Berlijn een instrument waar ze de pijpen uit hadden gesloopt. We gebruiken nu prachtige samples van Koen Kegel, via een keyboard dat Menno van Delft zal bespelen.’ O ja, in Polen heeft het orkest nog twee buisklokken op f en fis in de vereiste stemming laten gieten.

Maar nu kan het eindelijk beginnen, het strijken en blazen, het pauken en zingen, als een verlate groet van de 21ste eeuw aan de achttiende, van vriend Louis aan vriend Frans, van de ene speler aan de andere. Padding: ‘Het gekke is, ik heb Brüggen maar één keer ontmoet, maar weet je wat hij toen tegen me zei? Dat hij Beethoven pas echt was gaan begrijpen nadat hij met Louis had gewerkt.’

Dat.


May, 5 december op Radio 4, nporadio4.nl