Wie stond er model voor Berend Sommers satire? © Philip Provily / Lumen

Amsterdamse dertigers, dolend in het niemandsland tussen studie en carrière, hunkerend naar roem, aandacht, zingeving. Klinkt dat bekend? Jawel, een tijdje vreesde ik voor een roman die tien jaar na dato nog maar eens de paden afstruint die de auteurs van de generatie rond Das Magazin hadden platgetrapt.

Het misverstand begint al bij de opening. Een serie foto’s van hoofdpersoon Wanda Waldeck op haar datingprofiel, gevolgd door herinneringen aan een prototypische mislukte date met een storyteller bij cosmeticaconcern Rituals, aan festivaldrugs, aan vriendinnen die ‘zó awkward’ zeggen.

Het voornaamste verschil is dat dit geen ontwikkelingsroman is, geen autofictioneel zelfonderzoek, geen memoir, geen bekentenisroman, en evenmin een parmantige poging van iemand om zich op te werpen als de stem van een generatie. Gouden dagen is, om het met een truttig woord te zeggen, dat nogal contrasteert met de energie en vaart ervan, in ieder opzicht een zedenroman. Het is Berend Sommer vooral te doen om een portret te schilderen van een specifieke sociale groep.

Hiertoe zet hij Wanda in als observator. De figuren om haar heen kent ze grotendeels van haar vroegere Geheime Eetclub (‘vernoemd naar de bestseller van Saskia Noort die niemand gelezen had’). Eind twintig, begin dertig zijn ze. De een is dood, de ander naar Amerika vertrokken, nog een ander gestrand in Gouda. Via hen passeren losjes allerlei maatschappelijke kwesties die we kennen van de opiniepagina’s van kranten. Iemand werd leraar Nederlands en beklaagt de afgenomen concentratie van jongvolwassenen en de ontlezing. Wanda’s broer voelt zich de gewone man en haalt zijn nieuws van GeenStijl. Enzovoort. Toch gaat het nooit om die krantenkwesties, maar altijd om de persoonlijkheden die zich ermee bezighouden. Sommer heeft geen aandrang om zich geëngageerd of essayistisch op te stellen, hij vermaakt zich met zorgvuldig rondkijken.

Een prominente rol is toebedeeld aan de opkomende successchrijver Phil, die bij De Correspondent werkt (als correspondent ‘Kloof’) en die tv-bekendheid vergaarde met de bestseller Onmacht!, over zijn jeugd in een inmiddels door Zuidas-types overspoelde volksbuurt. ‘De roman eindigde met een pleidooi voor samenhang, met de slotvraag: waarom praten we eigenlijk niet met elkaar?’

De schrijver vermaakt zich met zorgvuldig rondkijken

Onwillekeurig vraag je je af wie er model heeft gestaan voor deze satire. Rutger Bregman? Maar anders dan Sommers vorige boek, De onweerstaanbare val van Henri Furet, met Thierry Baudet en de kring rond Forum als decor, is dit geen sleutelroman. De personages zijn het equivalent van wat in de schilderkunst ‘tronies’ heten, karaktertypes samengesteld uit meerdere levende modellen. Dus naast trekjes van Rob Wijnberg hier en daar wat Philip Huff.

Ik moest veel grinniken om de bloedserieuze toon waarop ze met elkaar discussiëren, zoals wanneer Phil kritiek heeft op het bijhouden van het aantal clicks: ‘Het is eigenlijk een totaal neoliberale aanpak van journalistiek, wat voor een progressief medium echt bizar is.’ Berend Sommer, geboren in 1990, schijnt in Parijs te wonen, maar hij moet toch geregeld in het land zijn, om de dictie, houding, kleding, merken en meningen zo in detail te kunnen registreren.

Tot zover levert dat een snel en geestig boek op, waarmee je je perfect kunt vermaken op terras of strand. Meer reliëf ontstaat wanneer Sommer zijn millennials laat interacteren met een eerdere generatie intellectuelen. Wanda’s promotor, historicus Hans Verbrugge, raakt in conflict met de Universiteit Leiden, die graag ‘Harvard aan de Rijn’ wil zijn. Onwillekeurig zocht ik ook hier naar het model, maar ook hij is een tronie, samengesmolten uit mannen als Willem Otterspeer, Herman Philipse, Andreas Kinneging.

Wanda en haar generatiegenoten zien dat het verdwijnende soorten zijn, maar kijken soms ook tegen ze op. (‘Hij vertegenwoordigt alles wat mis is met de universiteit, maar is tegelijk een gentleman, dat maakt het dubbel.’) Subtiel worden allerlei overeenkomsten duidelijk. Allebei hunkeren ze naar erkenning, de jongeren schaamteloos openlijk, de ouderen heimelijker, omfloerst. Zo ontdekt Wanda hoe Verbrugge dikke dossiers bijhoudt van wie hem al dan niet met de juiste bronvermelding citeert. De contrasten, botsingen, invloeden, toenaderingen en breuken tussen die twee generaties intellectuelen en hun biotopen, die zijn het spanningsveld van dit vermakelijke, knap geschreven boek.

Als Verbrugge plotseling verdwijnt, ontwaakt in Sommer de detectiveschrijver, die we nog kennen van zijn debuut Duchamp (2017), een spel met het detectivegenre. Ditmaal doet de intrige vol toevalligheden nogal geforceerd en ongeloofwaardig aan. Maar goed, dit is een satirische zedenroman. Intrige is dus bijzaak. De hoofdzaak is dat Wanda tijdens haar zoektocht dagenlang in één auto belandt met Gabriël Gogol, een vijftigjarige columnist, ook weer zo’n portret, flamboyant, zelfingenomen, en er tussen hen een mooi krachtenspel ontstaat van nukkige afstand tot toenadering, met een onthutsende ontknoping, waarbij ook de dood van een van Wanda’s exen resoneert.

Dit gaat gepaard met wat abrupte en niet altijd even functionele perspectiefwisselingen, maar in psychologisch en emotioneel opzicht geeft deze roadtrip de roman het reliëf dat in het jachtige, komische maar ook vrij richtingloze voorafgaande ontbrak.

Het bewijst ook dat Berend Sommer zich na drie romans vol spielerei en ironische portretten van sociale milieus best eens zou mogen wagen aan een diepgaandere roman, over echte mensen.