De troost van vreemden

De man die mij het best kent smeert broodjes in een Italiaanse delicatessenzaak aan de Burgemeester Reigerstraat in Utrecht. Hij weet wat ik lekker vind, en buiten dat kan ik goed met hem praten. Mijn intimiteit met hem evenaart die met mijn kapper, al is dat een niet te winnen race. Als ik zijn zaak voorbij fiets en hem met iemand anders in de weer zie, kan ik dat moeilijk verkroppen.

Vorige week werd ik omhelsd door mijn mondhygiëniste. Het was een onontkoombaar iets, ze stopte met haar praktijk en ging kippen houden. Maar misschien omhelsde ik haar wel.

Ik was ooit bij de lancering van Figuranten van Arnon Grunberg, hij was toen een stuk kleiner dan nu en droeg een zwart mao-jasje, zo’n raar jasje zonder kraag, dat als het maar duur genoeg is weer fancy wordt. De uitgeverij had geregeld dat Jan Wolkers het eerste exemplaar in ontvangst nam. Onwennig stonden ze naast elkaar op het podium van een van de zalen in bioscoop The Movies aan de Amsterdamse Haarlemmerstraat, waar we ook net een slapstick­film van Grunberg te zien hadden gekregen. De oude mastodont in zijn eeuwige roze jackie, de mastodont-in-wording in zijn zwarte jasje. Wolkers zei iets en gaf Grunberg een hand, waarop die hem naar zich toetrok in een omhelzing die Wolkers duidelijk verraste. De volgende dag schreef Grunberg in een krantencolumn dat hij verrast werd door de oude Wolkers die hem opeens aanminnig tegen zich aan drukte. Het is niet echt belangrijk, maar ik heb het altijd onthouden als iets wat een essentieel licht op de zaak wierp.

De enige dingen die belangrijk zijn in het leven zijn de dingen die je onthoudt. Het is een uitspraak van filmregisseur Jean Renoir, die de Amerikaanse schrijver James Salter tot leidraad diende toen hij zijn roman Light Years schreef. Het is het mooiste boek dat ik tijdens de vakantie las, veruit, zoals vier jaar geleden Dubin’s Lives van Bernard Malamud het mooiste boek was, veruit. En weer ren ik achter de feiten aan, want het boek werd gepubliceerd in 1975, en de schrijver is geboren in hetzelfde jaar als mijn vader die nu 87 zou zijn, maar ik ga het nu niet over mijn vader hebben. Als ik vroeger naar huis ging leek het alsof hij me altijd stond op te wachten, met open armen.

‘Ik wilde een boek componeren van de dingen die je je van je leven herinnert’, vertelt Salter in zo’n vermaard Paris Review-interview, in 1993. ‘De plot van het boek is het voorbijgaan van de tijd en wat dat doet met mensen en dingen.’

Even ervoor heeft hij uitgelegd het onderscheid tussen fictie en non-fictie volstrekt arbitrair te vinden. Hij geeft daar wel een originele draai aan, of misschien vind ik het zo opmerkelijk omdat ik ben opgevoed met het idee dat echte schrijvers het van hun verbeeldingskracht moeten hebben. De beste romans en verhalen, aldus Salter, stammen niet van de verbeelding, maar van precieze kennis en nauwkeurige observatie. Salter zegt niet geïnteresseerd te zijn in schrijvers die zeggen dat ze de boel bij elkaar hebben bedacht. ‘Ik ben liever in een ruimte met iemand die me het verhaal van zijn leven vertelt’, zegt hij. ‘Het mag allemaal overdreven zijn, en zelfs leugens bevatten, maar in principe wil ik het ware verhaal horen.’

Het mooie van Light Years is dat je het idee hebt ‘het ware verhaal’ te lezen, terwijl het niks met realisme te maken heeft. Het is de geschiedenis van het huwelijk van Viri en Nedra, een New Yorks koppel dat we volgen vanaf hun 28ste. Ze bewonen een huis buiten de stad, aan de Hudson. Het wordt beschreven als het paradijs, met land rondom, een pony, een terrarium, een hond, kippen en twee opgroeiende mooie dochters, Franca en Danny. Viri leest hun zijn zelfbedachte verhalen voor, Nedra schikt de bloemen, schenkt de wijn. Steeds brandt het vuur, en komen er vrienden op bezoek. Bij Zabar’s doen ze de lekkerste boodschappen. De eerste barstjes in deze idylle worden zonder enige introductie of verklaring beschreven. Eigenlijk zijn er twee levens steeds, een aan de buitenkant en een aan de binnenkant, en dat wordt als een gegeven opgevoerd, niet als een probleem.

De Paris Review-interviews zijn zo goed dat zelfs de hamvraag gesteld durft te worden: waar gaat het eigenlijk over? Salter geeft een poëtisch antwoord dat ik niet kan vertalen zonder dat het belachelijk klinkt. Dit is iets wat ik me trouwens van zijn hele boek afvraag: hoe het zou klinken in vertaling. In een andere taal ben ik geneigd alles te accepteren, maar in het Nederlands klinkt iets buitenissigs al snel overdreven. Het komt erop neer dat hij iets heeft willen vastleggen van het leven zoals je het in een rijdende trein aan je voorbij ziet flitsen. Je kunt je er vervolgens over verbazen wat er uiteindelijk toe doet. Welke omhelzingen je je herinnert, welke kus.