Nina Berberova, De begeleidster. Uitg. De Arbeiderspers, 1949, 112 blz., Verkrijgbaar bij De Slegte, 39,95.
Het is een bekende literaire truc: het voorwoord bij een roman waarin wordt verteld hoe het manuscript, een soort dagboek meestal, op miraculeuze wijze in handen van de auteur viel. Het volgekrabbelde schriftje is gekocht bij een antiquair, de slordige vellen zijn afkomstig van een psychiatrische patiënt, de opgerolde papieren zijn uit een aangespoelde fles gehaald - en de auteur heeft de bijzondere kwaliteit ervan herkend.

De roman bestaat vervolgens uit het gevonden manuscript, eventueel nu en dan onderbroken door correcties en terzijdes van de auteur. Die truc verhoogt het ‘werkelijkheidsgehalte’ van de roman, want hij versterkt de illusie dat de hoofdpersoon 'echt’ bestaan heeft en de geschiedenis 'waar gebeurd’ is. Maar behalve voor echtheid zorgt de truc ook voor afstand: de auteur is niet zelf de hoofdpersoon en is dus niet zielig of gestoord. Authenticiteit, daar gaat het allemaal om, maar dan om authenticiteit die losstaat van de biografie van de schrijver.
De begeleidster (1949), de bekendste roman van de Russische émigré Nina Berberova, begint met zo'n voorwoord. De schrijfster heeft het manuscript opgeduikeld bij een uitdragerij, het is afkomstig van een Russische dame die in een sjofel hotelletje woonde en onverwacht was gestorven, 'ze had dit schrift vergeten, zoals een passagier wanneer hij uit een rijdende tram springt een pakje vergeet’. Dan volgt het relaas van een meisje dat in schande geboren is en in armoedige omstandigheden opgroeit. Een mager, muizig meisje dat, denkt ze, even weinig bestaansrecht heeft als de luizen in haar bed. Ze is pianiste en wordt begeleidster van een succesvolle sopraan uit de society-kringen van Sint-Petersburg. Ze komt kortom terecht in een wereld van schoonheid en weelde, maar in plaats van zich daaraan te laven, voelt ze zich nog meer verbleken naast het geluk en talent van de zangeres - 'Ik, naar wie nooit iemand luisterde, ik - de naamloze, talentloze ik.’
De begeleidster vertelt het verhaal van 'haves’ en 'have nots’. Hoe schitterender en weldadiger het leven van de haves is, hoe meer de have nots in het duister wegkwijnen. En hoe meer ze dromen van wraak en verraad, van een daad waardoor ook zij eens greep op het leven krijgen, waardoor ze een barst in het gladde geluk van de haves kunnen veroorzaken.
Ik begrijp wel waarom Berberova voor de truc van het gevonden manuscript heeft gekozen. Zulke armzalige schepselen bestaan, wil ze zeggen. Hun levensverhalen snijden door je ziel. Maar aan de andere kant: je wilt je toch niet met de jaloezie en de klagerige eenzaamheid van de have nots vereenzelvigen. Zelfs de schrijfster wil dat niet.