DE BIËNNALE VAN BRUSSEL

De tuin is gesloten

De eerste Biënnale van Brussel zegt te gaan over het modernisme, dat het gezicht van de stad sinds de jaren vijftig zo drastisch heeft beïnvloed. Maar wat op de expositie ontbreekt is de neergang van Brussel.

EEN VAN DE LOCATIES van de Biënnale van Brussel is het voormalige postsorteercentrum van de stad. De entree is koud en somber. De lift is al jaren stuk. Het trappenhuis, dat geheel bedekt is met gelige wandtegels, voert naar een verduisterde zaal op de eerste verdieping. Vaal licht valt door de neergelaten jaloezieën; achterin klinkt het tikkende geluid van een film die van de spoel is gelopen. Love Suffering Mechanical Disorder heet die film, van Els Opsomer. De titel heeft onbedoeld een geheel nieuwe dimensie gekregen.
Een verdieping hoger betreed je een grote zaal die maagdelijk leeg is: tussen de kolommen zijn losse witte wanden geplaatst, verspreid door de ruimte staan plastic stoelen. Kunstwerken ontbreken. Once Is Nothing heet deze bijdrage, geleverd door het Van Abbemuseum Eindhoven en de stichting BAK (basis voor actuele kunst) uit Utrecht. Ze behelst volgens de begeleidende tekst ‘an exhibition based on an exhibition from another biennial’. Omdat ze het niet mogelijk achtten om de tentoonstelling écht te herhalen, is hier alleen de ruimte nagebouwd die curator Igor Zabel in 2003 creëerde op de Biënnale van Venetië. De kunstwerken zelf staan afgedrukt in een wit boekje dat op grote stapels klaarligt voor de incidentele bezoeker. Once Is Nothing wil dus een tentoonstelling in herinnering brengen die de meeste mensen waarschijnlijk nooit gezien hebben en dat riekt wel heel sterk naar een Droste-effect voor gevorderden. Ook het commentaar dat de lege ruimte levert op de hype dat elke stad tegenwoordig een biënnale moet hebben om erbij te horen, getuigt van een naar binnen gekeerde kunstkritiek. Buiten, in de gestaag druilende regen, zie ik vijf mannen in fluorescerende jassen die op zondagmiddag aan het spoor werken. Hoe zou je hun moeten uitleggen dat dit kunstwerk anderhalve ton heeft gekost?
En toch maakt de leegte indruk, al is het maar omdat je het gebouw zelf tot je door laat dringen, een postsorteercentrum zoals ze na de oorlog overal in de westerse wereld naast treinstations zijn gebouwd. En die weer werden verlaten toen bleek dat de vrachtauto praktischer was dan de trein. Aan het plafond hangen nog de transportbanden, in het midden staat een ijzeren uitkijkplatform waarop vroeger de chef zijn personeel in de gaten zat te houden. Het gebouw stamt uit de gloriedagen van massamens en efficiëntie.

De eerste Biënnale van Brussel ging 19 oktober van start, exact vijftig jaar na de laatste dag van Expo ’58, de wereldtentoonstelling waarmee België zijn visitekaartje afgaf als modern land. ‘Modernisme hergebruikt’ luidt dan ook het motto, en dat geldt in de eerste plaats voor de locaties: naast het voormalige postsorteercentrum zijn dat de Nationale Bank en het Centraal Station, die eveneens uit de jaren vijftig stammen, en het culturele centrum dat midden jaren zeventig in metrostation Anneessens is gebouwd. Al deze gebouwen liggen op de bijna drie kilometer lange Noord-Zuidlijn, de verbinding tussen de twee kopstations van Brussel waarvoor twee complete stadswijken zijn gesloopt. Bovengronds is de lijn gemakkelijk te volgen: een brede boulevard die omlijst wordt door blanke betonnen blokken van stalinistische allure, een modernistisch litteken door de historische stad, op nog geen kilometer afstand van de Grote Markt, die toeristen van over de hele wereld trekt.
Op de tentoonstellingen zelf is het thema veel minder zichtbaar. Slechts een minderheid van de werken probeert zich te verhouden tot de erfenis die het modernisme in architectonische en stedenbouwkundige zin achterliet. Zo blijkt Els Opsomer, wier film door een hulpvaardige suppoost voor me wordt teruggespoeld, met haar camera langs de kantoortorens van de Noord-Zuidlijn te dwalen. Je ziet lege hallen, verlaten trappen en onbemande loketten. Door de neergelaten luxaflex vang je af en toe een zweem op van een stad in vervloeiende kleuren. De moderniteit die Opsomer registreert is tijdloos – het is nauwelijks uit te maken of het 1958 is of 2008 – maar het optimisme heeft onmiskenbaar plaatsgemaakt voor melancholie.
Ook in het metrostation Anneessens wordt het thema van de Biënnale waargemaakt. Het begint al met de ondergrondse ruimtes met hun bordessen en doorkijkjes. Deze moesten een democratische openheid uitstralen waarin burgers vrijelijk konden circuleren, maar ze lijken meer op een atoomschuilkelder uit de hoogtijdagen van de Koude Oorlog, toen de wereld nog helder omlijnd was en de vijand duidelijk herkenbaar. Hier komen de schetsen die Le Corbusier in 1933 voor Antwerpen maakte goed tot hun recht, net als de ontwerpen van de Belg Juliaan Schillemans, die tussen 1928 en 1931 een stelsel van 44 wereldsteden van elk 35 miljoen inwoners ontwierp. Om te zorgen voor een aangenaam klimaat wilde hij de warme golfstroom laten omleggen.
Dat de utopisten nog steeds niet zijn uitgestorven blijkt uit het plan Vipcity van Luc Deleu uit 2004. Hij zoekt het in een enorm aantal stadjes van 76.000 inwoners. De helft van die bevolking komt in de stad zelf te wonen, de rest eromheen op grondstukken van precies 0,6633 hectare. De schaal is veranderd, maar de pretenties zijn dat niet. Als ironisch commentaar staat er op de muur naast deze megalomane plannen een graffititekst van de Italiaanse kunstenaar Pistoletto: ‘Less is less’.

Het merendeel van de 92 kunstenaars die op de Biënnale te zien zijn heeft echter nauwelijks een band met het thema ‘Modernisme hergebruikt’. Neem de film van Renzo Martens over Congo, Episode 3: Enjoy Poverty, waarmee onlangs het Idfa in Amsterdam opende (zie De Groene Amsterdammer, 21 november). Een intrigerend werk, maar wat heeft het te maken met het hergebruik van modernisme? Debet aan de brokkelige opzet van de Biënnale lijkt de wijze waarop artistiek directeur Barbara Vanderlinden haar heeft georganiseerd. Vanderlinden wilde de samenstelling niet in handen leggen van curatoren – ‘dat levert een veel te narratief resultaat op’ – maar gebruikte in plaats daarvan het EU-model: ze nodigde acht internationale kunstinstellingen en musea uit om elk naar eigen goeddunken een tentoonstelling in te richten. Het resultaat is een institutionele legpuzzel, die uiteenloopt van de lege zaal van het Van Abbemuseum en BAK, tot de fototentoonstelling van Drik Picture Library uit Bangladesh met de activistische slogan ‘While the show goes on in Brussels, Bangladesh will continue to be in a state of emergency with fundamental freedoms curtailed’.
Als je je best doet is dat allemaal te rangschikken onder de vlag van het modernisme, of nog breder, van de moderniteit, maar zo’n alomvattende interpretatie is al snel een open deur. Het lijkt wel of de video van Edith Dekyndt daar de draak mee steekt: zij filmde een doorzichtige plastic vlag die loom beweegt in de wind.

De eerste Biënnale van Brussel lijkt daarmee sterk op de Europese Unie waaraan ze haar model ontleend heeft: de woorden zijn mooi en gloedvol, maar een samenhangend beleid ontbreekt. Een parallel is ook veel dichter bij huis te vinden: de caleidoscopische tentoonstellingen zijn ook een afspiegeling van Brussel zelf, een stad die wordt geteisterd door bestuurlijke onmacht. Brussel bestaat uit negentien zelfstandige gemeentes – baronieën genoemd – en heeft nog steeds geen overkoepelende burgemeester. In naam is er sinds 1971 een gezamenlijke ruimtelijke ordening, maar in de praktijk lukt het zelfs niet om het vuilnis efficiënt op te halen of de graffiti aan te pakken. Daardoor liggen de contrasten in Brussel overal voor het oprapen.
Het is een stad waarop de optimistische geest van het modernisme zijn tanden heeft stukgebeten. De Noord-Zuidlijn moest haar de modernste stad van de wereld maken, met het Rijks Administratief Centrum als letterlijk hoogtepunt. Elke Belg die een staatsexamen moest afleggen of een officieel papier nodig had, moest naar deze stad in de stad, die beschikte over een eigen treinstation. De Belgische staat is langzaam maar zeker uitgehold en de kantoren staan al een tiental jaren leeg. De Nederlandse projectontwikkelaar Breevast kocht een meerderheidsaandeel in dit uitgestrekte complex en is inmiddels begonnen met de sanering. Daarbij zijn de fraaie tuinen, een ontwerp van René Pechère, de beroemdste landschapsarchitect van België, onlangs gesloopt. Per ongeluk, aldus de projectontwikkelaar, en hij hing een cryptisch bordje op: ‘De tuin is gesloten’. De Brusselaren kijken er niet van op, hier wordt aan de lopende band ‘stoemelings’ – in het geniep – gesloopt. De neergang, die zo wijdverbreid is dat ze bruxellisation is gedoopt, ontbreekt echter in de Biënnale.

Het was interessant geweest als de Biënnale het thema ‘Modernisme hergebruikt’ ook werkelijk had toegesneden op de stad waar ze plaatsvindt. Materiaal is er te over: waar het stedelijk litteken eindigt, bij het Noordstation, zijn de afgelopen decennia de opvolgers van het staatsmodernisme verrezen, de spiegeltorens van het internationale kapitalisme met als middelpunt het World Trade Center. Dit Manhattan van Brussel ligt aan de westzijde van het station, maar als je de oostelijke uitgang neemt stuit je nog steeds op de afgetrapte stadswijk Sint Joost ten Node, met raamprostituees en kleine krabbelaars. En wat te doen met de tweede moderniseringsgolf die over Brussel is gedenderd, de wildgroei van doofstomme kantoorkolossen en hooghartige glazen bunkers die samen eufemistisch de Europese Wijk worden genoemd?

De eerste Biënnale van Brussel, tot 4 januari 2009. www.brusselsbiennial.org