De turkse tweestrijdhet is waarschijnlijk het beste als europa zich helemaal niet meer met turkije bemoeit

Is er reden tot verontrusting over de opkomst van het islamitisch fundamentalisme in Turkije? Misschien wel. Maar vormen de door en door corrupte erfgenamen van Atatürk dan wel zo'n aantrekkelijk alternatief? Wat wil Europa eigenlijk van Turkije? DANKZIJ DE KOUDE OORLOG hebben de lidstaten van de Europese Gemeenschap tientallen jaren kunnen volhouden dat hun streven naar eenwording een universele dimensie had. Keer op keer verzekerden de Westeuropese regeringsleiders plechtig dat iedereen op termijn lid kon worden - zelfs de Oostbloklanden, op voorwaarde dat ze erin slaagden om de sovjethegemonie af te schudden. De fanatiekste voorstanders van Europese eenwording werden gedreven door visioenen die zelfs bij de Middellandse Zee geen halt hielden. Menig Frans politicus heeft gespeeld met de gedachte om de voormalige koloniën in Noord-Afrika bij de Europese welvaartssfeer te betrekken.

Nu de Sovjetunie uiteengevallen is, ervaren landen als Polen, Tsjechië en Hongarije dat ze niet welkom zijn in het Europa van de eenheidsmunt, de fusies en de elektronische snelweg. De beloofde toetreding wordt eindeloos vooruitgeschoven, de eisen worden telkens opgeschroefd. Grote delen van de Oosteuropese bevolking hebben zich al verzoend met de gedachte dat ze nooit zullen toetreden tot het rijke, geprivilegieerde en in zichzelf gekeerde Europa van de vijftien. Tegelijk verliest het ideële Europa waarop dissidenten als Havel en Michnik hun hoop vestigden - het Europa van de mensenrechten, de civil society en de hoge cultuur - zijn aantrekkingskracht. De Oosteuropeanen voelen zich op hun eigen continent miskend en behandeld als tweederangsburgers. Zij zijn echter niet de enigen die zich door Europa verraden voelen.
Wat voor de Oosteuropeanen opgaat, geldt in verhevigde mate voor de Turken. De weigering van de Unie om binnen afzienbare tijd nieuwe leden toe te laten is nergens zo hard aangekomen als in Turkije, dat al sinds de jaren twintig terecht tot de westerse invloedssfeer wordt gerekend. Het land doet sedert 1959 hardnekkig pogingen om toe te treden tot het verenigde Europa. Hele generaties Turkse intellectuelen hebben zich ingesteld op de Westeuropese cultuur. In de jaren zestig en zeventig werd de stroom van Turkse gastarbeiders richting West-Europa gezien als een voorbode van verdergaande economische samenwerking en integratie, een streven dat in 1964 resulteerde in een associatieverdrag met de Europese Gemeenschap. Niets leek een verdere aansluiting in de weg te staan. Sinds vorig jaar vormen Turkije en de EU zelfs een douane-unie, waardoor hun onderlinge handel grotendeels is gevrijwaard van invoerrechten.
Toch zal er van een volwaardige Turkse deelname aan de Unie voorlopig geen sprake zijn, zo bleek twee maanden geleden. Invloedrijke christen-democraten, onder wie kanselier Helmut Kohl en premier Jean-Luc Dehaene, spraken zich uit tegen een Turks lidmaatschap. Naar hun maatstaven gemeten hoort Turkije niet bij Europa. Dit standpunt wordt door de meeste Europese liberalen expliciet en door vrijwel alle andere partijen stilzwijgend onderschreven. Daarmee lijkt de kans voor Turkije voorgoed verkeken, want als de Unie straks de euro invoert, is toetreding om allerlei technische redenen vrijwel onmogelijk geworden.
VOOR EEN ZO ZWAARWEGENDE beslissing - tenslotte is het materiële en politieke lot van 65 miljoen Turken ermee gemoeid - was de argumentatie van de politici uitzonderlijk mager. De voorzitter van de christen-democratische Europese Volkspartij, Wilfried Martens, volstond met de cryptische woorden: ‘Wij creëren een Europese Unie, dit is een Europees project.’ Kohl voegde eraan toe dat Turkije niet deelt in de 'christelijke waarden’ van Europa, anderen wezen op het risico dat het land zal afglijden naar een islamistische dictatuur door toedoen van de Welvaartspartij van premier Necmettin Erbakan. Kortom, de christen-democraten wijzen Turkije af omdat het niet christelijk is. Het is een merkwaardige, om niet te zeggen verdachte redenering. Hier wordt een criterium gehanteerd dat in geen enkel Europees verdrag is vastgelegd.
De redenering van de Europese christen-democraten is bovendien niet consequent. Hoewel de Turkse waarden - welke dat ook mogen zijn - kennelijk onverenigbaar zijn met het lidmaatschap van de economische ruimte die 'Europa’ heet, zijn ze wel verenigbaar met de politieke ruimte die we sinds 1946 kennen als het 'Vrije Westen’. De Europese regeringsleiders vertrouwen hun portemonnee niet aan de Turken toe, maar hun militaire veiligheid wel. Turkije is sinds 1952 lid van de Navo en een hoeksteen van het bondgenootschap. Na de ondergang van de Sovjetunie is het Turkse aandeel in de Europese 'verdediging’ niet minder belangrijk geworden. Het land grenst in het noorden aan de instabiele zuidflank van het Gos, de Kaukasus, in het westen aan de nog altijd explosieve Balkan, en in het zuiden en oosten aan Syrië, Irak en Iran, drie 'wildgeworden staten’ (Clinton) die de Navo graag nauwlettend in het oog wil houden. Turkije is dus geschikt om het christelijke Avondland gewapenderhand te helpen verdedigen, zoals onder meer bleek tijdens de Golfoorlog. Voor het vervullen van deze essentiële functie zijn de Turkse waarden blijkbaar wèl toereikend.
Het werkelijke, maar onuitgesproken motief om Turkije buiten de deur te houden is natuurlijk van economische aard. De Turkse levensstandaard is veel lager dan de gemiddelde levensstandaard in de Unie, zodat een Turks lidmaatschap een aanslag op de Brusselse financiën zou betekenen. De tegenstellingen in het Europese beleid zouden dermate verscherpen dat het hele technocratische eenwordingsproject kennelijk in gevaar komt. Om een voorbeeld te noemen: als de Turkse landbouw met behulp van Europese subsidies hervormd wordt, gaan de Turkse boeren een zodanig surplus produceren dat het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid binnen de kortste keren failliet is. Een Turks lidmaatschap van de Europese Unie betekent echter vooral dat de rijke landen moeten betalen voor de ontwikkeling van de armste delen van Turkije, met name het platteland, en dat weigeren ze. Zo christelijk zijn ze nu ook weer niet.
VOOR DE GOED OPGELEIDE, verwesterde Turkse elite is de afwijzing door Brussel op het eerste gezicht een ramp. Geen land heeft met zo veel overtuiging gestreefd naar aansluiting bij het Westen, en in het bijzonder bij Europa, als Turkije. Opmerkelijk genoeg was het een uitbarsting van westerse agressie die het proces inluidde. Aan het eind van de Eerste Wereldoorlog wilden de geallieerden het Ottomaanse Rijk straffen voor zijn oorlogsdeelname aan Duitse zijde. De Grieken vielen Anatolië binnen met steun van Frankrijk, Engeland en Italië, terwijl de geallieerden zelf Istanbul voor hun rekening namen. Ze rekenden echter buiten het verzet van de bevolking. Van alle organen van de zieltogende Ottomaanse staat was het leger nog het minst aangetast. Een groep officieren, de Jong-Turken, maakte hiervan gebruik om een opstand uit te lokken. Zij wisten de restanten van het dienstplichtigenleger, de lokale geestelijkheid en ten slotte grote delen van de Anatolische bevolking te mobiliseren. Zij versloegen de Grieken, dreven de Engelsen terug en stichtten op 29 oktober 1923 een Turkse republiek met de charismatische Kemal Atatürk als president.
Atatürk begon vervolgens met zijn welbekende hervormingen op westerse leest. Vanwege dit hervormingsbeleid heeft de contemporaine geschiedschrijving mild over hem geoordeeld, hoewel hij met even harde hand regeerde als Mussolini of Franco. De Britse journalist John Gunther was een gunstige uitzondering: in zijn populaire boek Inside Europe (1936, talloze herdrukken) noemde hij Atatürk een 'blonde, blauwogige combinatie van patriot en psychopaat’ en de 'verpersoonlijking van de totalitaire regering door karakter’. Dat was hij inderdaad, maar door zijn buitengewone werkkracht en charisma wist hij Turkije in korte tijd een modern aanzien te geven. Veel veranderingen waren symbolisch van aard: het Arabische alfabet werd vervangen door het Latijnse, de gregoriaanse kalender en het westerse metrieke stelsel werden ingevoerd, de fez werd verboden, en iedere Turk kreeg een familienaam. Van wezenlijker belang waren de invoering van het algemeen onderwijs, een westers geïnspireerd burgerlijk wetboek en een grote staatsinvloed in de economie, die Atatürk vooral gebruikte voor een snelle ontwikkeling van de zware industrie.
Zonder het te beseffen legde hij met zijn hervormingen tegelijk de kiem voor de religieuze heropleving die het land nu teistert. Om te beginnen drongen zijn institutionele hervormingen nauwelijks door tot het platteland, waar het volksgeloof onder leiding van de lokale ulema in volstrekt isolement kon gedijen. De kemalisten waren eenvoudig niet geïnteresseerd in het platteland. De gevolgen van de economische hervormingen waren er echter wel voelbaar in de vorm van armoede onder de kleine boeren, vooral toen Turkije in de jaren vijftig met geld van de Marshallhulp Amerikaanse landbouwmachines aanschafte. Alleen de rijke boeren profiteerden hiervan. Toen miljoenen failliete boeren in de jaren vijftig naar de stad trokken, namen ze uiteraard hun geloof mee. Deze volksislam, gevoed door rancune tegen de grote stad en het moderne leven, was een goede voedingsbodem voor de latere islamistische bewegingen.
Maar ook op institutioneel niveau werd de basis gelegd voor de politieke islam van vandaag. Het kemalisme is nimmer een seculiere beweging geweest. Zoals alle nationalistische bewegingen in de islamitische wereld - van het Algerijnse Nationale Bevrijdingsfront (FLN) tot en met Nassers beweging van Vrije Officieren - had het een religieuze component. Voor het welslagen van de nationale bevrijdingsstrijd was die component onmisbaar: de godsdienst moest dienstbaar worden gemaakt aan het strategische doel, namelijk het mobiliseren van de hele bevolking tegen de westerse overheersing en andere buitenlandse invloeden. De koran verschafte de waarden in naam waarvan de vijand moest worden verjaagd en na de overwinning werd de godsdienst een bindmiddel voor de nieuwe natie. In Turkije bedienden de opstandelingen zich vooral van de mystieke islamitische orden, de tarikats, die de capitulatie van het Ottomaanse gezag voor de westerse invallers verafschuwden en in sommige gevallen zelf de opstandelingenlegers aanvoerden.
DANKZIJ DE BIJDRAGE van de geestelijkheid aan de strijd voor nationale onafhankelijkheid werd de godsdienst uiteindelijk een instrument in handen van de nieuwe staat. Onafhankelijke religieuze leiders werden onderdrukt, terwijl de godsdienstige hiërarchie onder voogdij van de wereldlijke overheid werd geplaatst. In 1924 werd de islam als staatsgodsdienst afgeschaft en prompt heringevoerd onder kemalistisch toezicht. De tarikats werden ontbonden en alle godsdienstige instellingen en bezittingen werden onder controle gebracht van een nieuw orgaan, het Presidium van Godsdienstzaken, dat verantwoording schuldig was aan de premier. Voortaan waren alle politieke uitspraken op basis van de islam verboden, terwijl alle uitspraken van het kemalistische regime over de godsdienst bindend waren voor de gelovigen.
De godsdienst werd dus een pure staatsaangelegenheid. De islam werd niet uit het openbare leven gebannen, maar door en door gepolitiseerd. Deze staatsislam vervulde een belangrijke functie bij het definiëren van de Turkse nationale identiteit. Eén van Atatürks Zes Principes was het 'populisme’, hetgeen inhield dat de regering geen ander belang mocht dienen dan het gemeenschappelijk belang van alle Turken. Dit gemeenschappelijk belang veronderstelde een gemeenschappelijke identiteit, waaruit de natuurlijke verlangens en aspiraties van elke Turk waren af te leiden. Een andere manier om die verlangens en aspiraties te leren kennen was er niet, omdat de volstrekt autoritaire Republikeinse Volkspartij van Atatürk de enig toegestane partij was. Atatürk liet in 1926 de laatst overgebleven oppositieleiders publiekelijk ophangen.
Het definiëren van deze Turkse identiteit had nogal wat voeten in de aarde. Atatürk stichtte een Turkse Historische Vereniging die zich met de materie moest gaan bezighouden, in de eerste plaats door het herschrijven van de geschiedenis. De Ottomaanse geschiedschrijving was gebaseerd op het bestaan van een Ottomaanse identiteit, die deel uitmaakte van de grotere islamitische wereld. Atatürk wilde een geschiedschrijving die de pre-islamitische wortels van de Turken blootlegde en hun 'oorspronkelijke’, door de islam en de Ottomaanse geschiedenis overwoekerde identiteit in ere herstelde. Bij het zoeken naar die wortels begonnen al meteen de problemen.
DE TURKEN ZIJN van oorsprong Centraalaziatische nomaden, die zich al vroeg tot de islam bekeerden en vanuit de steppen naar het warmere Midden-Oosten trokken. Na hun overwinning op de Byzantijnen in 1071 vestigden ze zich in groten getale in Anatolië. De oorspronkelijke bewoners - Grieken, Koerden, Armeniërs - werden niet verjaagd. Zij namen vaak de Turkse taal over, bekeerden zich tot de islam en noemden zich voortaan Turken. Aan het eind van de zeventiende eeuw strekte het Ottomaanse rijk zich uit van Polen tot Jemen, en het laat zich raden hoezeer de volken binnen dit enorme gebied dankzij handel en huwelijken met elkaar vermengd raakten. Later voegden zich bij dit amalgaam onder meer de Circassiërs en Abchazen, twee volken die niet Turks maar wel islamitisch waren en die door de Russen uit de Kaukasus waren verjaagd. De inwoners van Anatolië waren in Atatürks tijd dus allang geen 'zuivere’ Turken meer, en het definiëren van een geloofwaardige Turkse identiteit zonder verwijzing naar de islam wilde al helemaal niet lukken.
Na de dood van Atatürk in 1938 en vooral na de democratisering die de westerse bondgenoten in 1946 afdwongen, verschoof de officiële definitie van de Turkse identiteit dan ook langzaam maar zeker in religieuze richting. De godsdienst was een goed tegengif tegen de linkse bewegingen die zich begonnen te roeren. Reeds in 1950 kreeg de islam weer een grotere rol in het openbare leven, terwijl het ambtenarenbestand van het Presidium van Godsdienstzaken navenant groeide. In naam was de Turkse staat nog altijd seculier, maar recent onderzoek heeft uitgewezen dat onafhankelijke of vooruitstrevende islamitische sekten en groeperingen werden vervolgd, terwijl autoritaire stromingen juist door de staat werden bevorderd. De belangrijkste exponent van de officiële islam was de in 1970 opgerichte Intellectuelenkring, waaraan de econoom en latere premier Turgut Ùzal, de Grijze-Wolvenleider Alparslan Türkes en de huidige premier Necmettin Erbakan deelnamen.
De Intellectuelenkring bepleitte een Turks-islamitische synthese, waarin de islam werd verheerlijkt als een onwrikbaar bestanddeel van de Turkse identiteit. Na de militaire coup van 1971 werd deze overtuiging openlijk uitgedragen door de Grijze Wolven, die zich meester maakten van de Speciale Defensie-afdeling, het Turkse Gladio-netwerk dat opereerde vanuit de kelders van de Amerikaanse militaire missie in Ankara. Hun gewelddadige destabilisatiestrategie, te vergelijken met die van het Italiaanse Gladio in dezelfde tijd, had in 1980 succes. Door de derde militaire staatsgreep in twintig jaar kon de Turks-islamitische synthese ten langen leste worden gepromoveerd tot staatsfilosofie.
De werkelijke reden voor de staatsgreep was van economische aard: Turkije werd door de Wereldbank gedwongen tot bezuinigingen en prijshervormingen die tot grote onlusten leidden. Om het linkse activisme tegen te gaan introduceerde premier Ùzal met volle instemming van de militaire president, generaal Evren, de Turks-islamitische synthese als alternatief. Het religieuze onderwijs werd op alle scholen verplicht, het aantal moskeeën groeide explosief en de Intellectuelenkringen werden de belangrijkste ideologische centra van het regime. In Ùzals Moederlandpartij verenigden zich nationalisten, fascisten, islamisten en gangsters, die elkaar de lucratieve of invloedrijke overheidsfuncties toeschoven. Het leger ging in zaken, de politieke top verdiende geld met de drugshandel en de zinloze, wrede oorlog tegen de Koerdische minderheid ondergroef de laatste resten van de Turkse democratie. Onder dekking van de staatsislam maakte de totale corruptie zich meester van de Turkse elite.
Het regime-Evren werd zonder scrupules gesteund door het Westen en in het bijzonder de Navo, die toch volgens het Noordatlantisch Verdrag diende in te staan voor de bescherming van 'democratie, individuele vrijheid en de heerschappij van de wet’. De excessen, begaan in naam van de staatsislam, werden niet verontrustend genoeg geacht om de Turkse overheid serieus onder druk te zetten. Het is wel bijzonder wrang dat de opkomst van de fundamentalistische Welvaartspartij, die zich presenteert als anti-corruptiepartij en kampioen van de openbare orde, nu opeens reden is tot grote ongerustheid in de Westeuropese hoofdsteden. De Turkse staatsislam is niet minder totalitair dan die van Erbakan, eerder hardvochtiger en corrupter. Het fundamentalisme van Erbakans partij, die sociale rechtvaardigheid predikt, is de keerzijde van het hardvochtige fundamentalisme van de huidige lichting kemalisten. Uit democratisch oogpunt is de keuze tussen de Welvaartspartij en de seculiere partijen - of wat daar tegenwoordig voor doorgaat - lood om oud ijzer.
DE PARADOX VAN de jongste Turkse geschiedenis is dat de economische en sociale modernisering van het land ten koste is gegaan van de politieke modernisering. De Turkse elite, gesteund door het leger, heeft nimmer de maatschappelijke consensus hoeven zoeken, om de eenvoudige reden dat zij die altijd kon opleggen. De putschisten van de jaren tachtig hebben als laatste redmiddel en legitimatie de staatsgodsdienst ingezet en worden nu geconfronteerd met de onverzoenlijke oppositie van een steeds grotere groep burgers die zich geheel van de staat afkeert en het heil alleen maar van de islam en de sharia verwacht. Het is de vraag of het er in dit stadium überhaupt nog toe doet hoe Europa op de Turkse crisis reageert.
Het geval van de douane-unie, die volgens velen een steuntje in de rug was voor de wankele Turkse democratie en een tegengif tegen het fundamentalisme, is een goed voorbeeld van een averechts uitpakkende maatregel. De unie is een regelrechte ramp voor veel werknemers en kleine producenten, omdat ze nu moeten concurreren met de sterkste en grootschaligste bedrijven van Europa. De honderdduizenden nieuwe werklozen die deze onvrijwillige sanering met zich meebrengt, leven merendeels in de volkswijken van de grote steden, waar de Welvaartspartij zijn sterkste sociale netwerken heeft en zijn fanatiekste aanhang werft. Als Erbakan bij de parlementsverkiezingen eind dit jaar de 25 procent haalt, kan hij een dankgebed aan Brussel richten.
Daarentegen zullen eventuele sancties tegen Turkije vanwege de veelvuldige mensenrechtenschendingen door de kemalistische politici en militairen worden opgevat als een zoveelste belediging en miskenning van de Europese identiteit van het land. Ook zulke acties zullen het Turkse politieke isolement alleen maar versterken. Het is waarschijnlijk het beste als Europa zich helemaal niet meer met Turkije bemoeit. Er zijn natuurlijk Europese scenario’s voor Turkije denkbaar die de toestand daar drastisch kunnen verbeteren, maar de huidige, op concurrentie en monetaire doelen gefixeerde Europese Unie is niet in staat ze uit te voeren. Regeringen die enerzijds protesteren tegen de onderdrukking van de Koerden en anderzijds het Turkse leger de wapens daarvoor leveren - Kohls Duitsland voorop - beschikken niet over de vereiste ruggegraat en lange-termijnvisie. Om over christelijke waarden maar te zwijgen.