De turkse zuil

In hetzelfde stadion waarin twee weken terug onze jongens door veertigduizend oranjebeschilderde gekken werden uitgewuifd, werd afgelopen weekend hun geliefde leider Erbakan door veertigduizend groenrood uitgedoste Turken ingehaald.

Mooie parallel. De broertjes de Boer reden in een gesponsorde personenauto het veld af. Necmetin Erbakan reed in een gesponsorde personenauto het veld op.
Ze waren ervoor uit heel Europa overgekomen. Allemaal aanhangers van de Milli Görüs- (Nationale Visie-)beweging, gelieerd aan de fundamentalistische partij, die in Turkije op sterk water is gezet en die ondertussen in Europa grote massa’s aanhangers in dolle extase brengt. De beweging staat voor een meer of minder eigentijdse vorm van een op religie gebaseerde staatsinrichting en hecht ondertussen sterk aan de herinnering van het roemrijke Ottomaanse verleden.
De vraag is niet of een manifestatie als die in de Arena gebaseerd is op een, binnen de Europese context, achterhaald wereldbeeld. Natuurlijk is ze dat. Mannen en vrouwen, in gescheiden vakken ondergebracht, brullen zich de longen uit het lijf in de hoop daarmee een aantal onrechtvaardigheden te herstellen, zoals daar zijn: de scheiding van kerk en staat, de gelijkberechtiging van de vrouw, en de bij een democratie behorende verdeling der machten. De teneur van hun boodschap is van Nederlandse zijde voor het laatst verwoord in 1825, toen Da Costa zijn Bezwaren tegen de geest der eeuw publiceerde: een warm pleidooi voor de lijfstraf, tegen de democratie en voor de instelling van een aan Gods woord ondergeschikt staatsbestuur.
Voor de moderne westerling die er met verwonderde ogen bijstaat, gaat er van een manifestatie als deze een onmiskenbare dreiging uit. Een gevoel van vervreemding ook, van teleurstelling. Alsof zijn wereld van zwaarbevochten gelijkheid en moeizaam verworven tolerantie wordt afgewezen als een zondig oord - nota bene door de nieuwkomers die er ondertussen wel de vruchten van plukken.
Of schuilt daar juist het probleem?
De spreekkoren in de Arena, het vlaggengezwaai, de zwaarddansen en het historisch verantwoorde tromgeroffel zijn niet bepaald uitingen van tevredenheid. Hier kwamen de nieuwe Europeanen van Berlijn tot Amsterdam en van Gent tot Marseille aan het woord die uit één mond riepen dat het nieuwe Europa ze weinig tot niets te bieden heeft. En die, uit diepe gekwetstheid daarover, per megafoon lieten weten dat ze het hebben opgegeven om zich met hun nieuwe omgeving te identificeren.
Misschien kan het niet anders. Misschien moet een minderheidsgroep die zich achtergesteld voelt wel eerst het isolement in eigen kring, in eigen verleden, in eigen retoriek zoeken voordat het tot werkelijke integratie kan komen. Zo is het met de katholieken in Nederland gegaan toen die in het midden van de vorige eeuw hun godsdienstvrijheid terugkregen. Ook zij kwamen, in de daarop volgende fase van verzuiling, op gezette tijden in het Olympisch Stadion bijeen om de triomf van Rome, de heerlijkheid van de pauselijke hiërarchie en de verdorvenheid van de Hollandse moraal uit te schreeuwen. Pas toen hun zuil, naast die van de mannenbroeders en naast die van de gestaalde kaders, sterk genoeg was, bleek hij niet meer nodig.
Het lijkt er sterk op dat de minderheidsgroepen in Europa zich nu in die fase bevinden: de fase van het zelfgezochte isolement. Eigen scholen, eigen kerken, eigen omroep, eigen bladen, eigen wereld. In het Amsterdam van nu trouwen Turksen met Turken en Marokkaansen met Marokkanen. In 1996 schoven van de 6379 Turkse bruidegoms er niet meer dan 288 de ring om de vinger van een Nederlandse. En van de 8121 Marokkanen niet meer dan 467.
Merkwaardig genoeg zijn de Milli Görüs-voormannen in Nederland juist geen in Ottomaanse toogjurken gehulde karikatuurmoslims. Ze dragen snel gesneden kostuums, ze houden de modernste zaktelefoons tegen de oorschelp, ze noemen zich managers en ze springen flexibel ondernemend om met de grote sommen gelds. Verwarrend moderne mensen met een achterhaald maar in eigen wereld bruikbaar en aansprekend wereldbeeld.
Precies daar zit de hoop.
Want wie zich, als minderheid, bewust opsluit in de eigen wereld, die zal, als zijn zuil sterk genoeg is, toch compromissen moeten sluiten met de grote boze wereld om hem heen.
Het aardige van een maatschappelijke zuil is dat hij op dat moment omvalt.