De tussenbeense kern

Zelfs jaren later werden ze nog met enig ontzag aangewezen: de imposante deuren waarmee in het Parijse studentenhuis waarin ik verbleef ooit de meisjesafdeling van die van de jongens gescheiden werd gehouden. Het was het najaar van 1979, de roemruchte revolutie van Nanterre en Quartier Latin lag alweer elf jaar in het verleden, maar de herinneringen eraan spookten nog levendig rond.

Zelfs toen was in niet alle huizen in de internationale Cité Universitaire de toegang voor alle geslachten vrij. Een Argentijnse vriendin die ik in het paviljoen van haar land soms kwam opzoeken, kreeg mij pas in de vestibule te zien. Daarna zat er niets anders op dan urenlang rond te lopen op de campus of door de straten van de Linkeroever. Mijn voorstel om naar haar kamer te gaan stootte op een onverzettelijke verbazing van de portierster over zo veel promiscue onbeschaamdheid.

Dat was misschien te wijten aan het Argentijnse regime, dat zijn dictatoriale klauwen zelfs tot in zijn buitenlandse studentenhuizen wist uit te strekken – hield ik mij voor. Maar in de Franse provincie ging het er nauwelijks anders aan toe. Vol goede moed was een Spaanse vriendin nog maar een paar jaar daarvoor mét haar vriend gearriveerd bij de Straatsburgse universiteit, waar ze een voorbereidende taalcursus zouden volgen. Of zij wettelijk gehuwd waren? Nee, antwoordden zij stralend bij het intakegesprek, opgelucht te zijn ontkomen aan de mufheid van de franquistische moraal, ‘mais ça n’importe pas’.

Mocht wezen, maar voor Frankrijk had dat wel degelijk importance – en beiden werden ondergebracht in verschillende studentenhuizen, op veilige afstand van elkaar. Het Franse paradijs bleek nauwelijks van het bigotte Spaanse vagevuur te onderscheiden. Zo groot was hun ontgoocheling dat ze de subtiele correctie van hun taalgebruik nauwelijks bemerkten.

In Parijs lagen de zaken er wat vrijer voor, maar ook dat was niet vanzelf gegaan. In hun monumentale boek Géneration, het standaardwerk over Mei ’68, hebben Hervé Hamon en Patrick Rotman er bijna vierhonderd bladzijden voor nodig om door alle bagger van het links-radicale jargon heen tot de tussenbeense kern te komen. Nanterre was er het toneel van en die bagger moest letterlijk worden genomen. In 1964 was deze nieuwe campus ten westen van Parijs in gebruik genomen. Drie jaar later lag hij er nog desolaat bij, vrijwel zonder voorzieningen en ’s avonds zonder openbaar vervoer.

De studenten zaten er praktisch opgesloten, elke sekse in haar eigen woontoren. Uit arren moede werd in maart 1967 een meisjesetage door de jongens bezet. Na onderhandelingen werd er af en toe een oogje dichtgeknepen, maar fundamenteel veranderde er niet veel. Een jaar later begon in Nanterre de revolutie van Mei ’68.

In La revue de Paris heeft de kinderarts Robert Debré later betoogd dat het allemaal biologie was die de opstandige jeugd gedreven had, zo herinnerde J.L. Heldring zich onlangs in NRC Handelsblad. Zo boud werd het tijdens mijn Parijse jaar niet gezegd. De mythe van Mei ’68 dwong nog altijd het nodige ontzag af. Veeleer was die waarheid een publiek geheim, waarvan de wijd openstaande deuren in het Collège Néerlandais de stille getuigen vormden.

Mijn Argentijnse vriendin heeft mij er op mijn kamer nog wel eens bezocht – helaas in alle gehuwde deugd waarvan zij vol was. Mijn Spaanse moest eraan te pas komen om het Franse liefdeselixer te doen werken en Parijs maakte alsnog zijn reputatie waar. De stad bleek nog altijd de grootste koppelaar onder de metropolen.