De gebeurtenis was het congres van de International Union of Students (IUS), een communistische mantelorganisatie, in Praag in 1956. Ik ben daar als waarnemer namens de Asva naar toe gegaan. Ik was gewaarschuwd dat niet te doen omdat ik het toch nooit tegen de communisten zou kunnen opnemen. Ik ben toch gegaan, met als argument dat het belangrijk is de argumenten van je tegenstanders te kennen. Dat congres vond plaats in een enorme hal, waarin rij na rij de vertegenwoordigers van de communistische studentenorganisaties. Waarnemers zaten achterin. Wat vooral opviel was het automatische applaus dat op elke toespraak volgde. Nadat ik had moeten aanhoren, op de tweede dag, hoeveel scholen er in Buiten-Mongolie waren gebouwd, besloot ik mijn naam op de sprekerslijst te zetten. Ik was de eerste niet-communist die het woord kreeg. Ik was toen 23 jaar. Mijn toespraak had weinig om hakken, op een punt na. Nederland kreeg daar veel kritiek omdat het Nieuw-Guinea niet wilde opgeven. Ik erkende dat, maar zei dat de daar aanwezigen niet moesten vergeten dat Polen door de Sovjetunie werd gekoloniseerd. Toen ik van dat hoge spreekgestoelte afdaalde en over het lange middenpad naar achteren liep, heerste er een doodse stilte. De derde dag kreeg ik bezoek van een Poolse delegatie die mijn verontschuldigingen eiste. Ik had daar geen zin in, want ik vond dat het waar was wat ik had gezegd. Kom dan bij ons kijken, was de tegenzet, en dat was een alleszins aannemelijk voorstel.
En zo gebeurde het dat ik in 1957 de eerste niet-communistische studentenuitwisseling organiseerde: vijf studenten van de Universiteit van Amsterdam tegen hetzelfde aantal van de Universiteit van Warschau. Ik liep met onze gids door een straat van Krakow toen het gesprek plotseling stokte. Ik vroeg hem waarom hij stilviel. Hij wees op een Russische soldaat die in de buurt liep. Het was een glimp van de terreur. In Warschau ontmoette ik de leider van de Poolse studentenorganisatie. Volgens Stefan Olszowski moesten wij zoeken naar een weg tussen kapitalisme en communisme. Ik antwoordde dat wij die in West-Europa al hadden gevonden.
Omstreeks 1975 - ik werkte toen in Parijs - heb ik een openbare bijeenkomst van de communistische afdeling in mijn buurt (het zesde arrondissement) bijgewoond. Daar werd verteld dat de multinationale oliemaatschappijen de uitvinder van een procede om auto’s op water te laten rijden, hadden vermoord. (Hij bedoelde natuurlijk op waterstof, dat door splitsing uit water wordt verkregen.) Ik raakte dus in debat. Spoedig kreeg ik het verwijt een primitieve anti-communist te zijn (un anti-communiste primaire). Ik gaf dat grif toe. Dit bracht mijn tegenstander in verwarring, want die erkenning was toen, in Parijs, zoiets als toegeven dat men debiel was. In Parijs, in de eerste helft van de jaren zeventig, was de slagzin: ‘Comment peut-on etre anti-communiste?’ Ik daarentegen vroeg mij af hoe iemand na Boedapest 1956, na Praag 1968, nog communist kon zijn. Ik weet nog precies waar ik Chinese schimmen van Simon Leys heb gelezen, dat de verschrikkingen van de Chinese culturele revolutie beschreef. Het was in een cafe tegenover het Gare du Nord, in het Parijs waar het bon ton was met Mao’s rode boekje te wapperen.
Toen kwamen de boeken van Solzjenitsyn op de markt en viel het stil. Toen kwamen de ‘nieuwe filosofen’ Bernard-Henri Levy en Andre Glucksmann. In het Parijse intellectuele wereldje sloegen die boeken in als een bom.
Ik vond het communisme afgrijselijk. Het had het grootste Europese land in een poel van ellende gestort. Overal ter wereld waar het aan de macht was gekomen, had het - economisch en ecologisch - een onversneden ramp veroorzaakt. Het had de menselijke verhoudingen totaal gecorrumpeerd. Het rode fascisme of het bruine fascisme: voor mij was het een pot nat. Beide waren pogingen tot infantilisering van een geheel volk, en in het geval van de Sovjetunie is dat nog aardig gelukt ook.