De twaalf ambachten van frits bolkestein de politicus

De zomerslaap is voorbij, het politieke seizoen is begonnen. De enige die gedurende de lange, landerige zomer nog voor politieke opwinding wist te zorgen, was Frits Bolkestein. Of het nu een tv-optreden bij de VPRO was of een toespraak op een theaterfestival, de VVD-leider stond steeds weer in het nieuws. Met hem opent De Groene daarom het nieuwe politieke jaar.
Bolkesteins kracht is dat hij de Koude Oorlog heeft gewonnen. Wallage en Wolffensperger zijn in hun langharige periode ongetwijfeld gezwicht voor de ‘kritische’ universiteit, de baardige Heerma heeft ongetwijfeld de ‘kritische’ theologie als bevrijdend calvinisme ervaren, en zelfs in het krullenhoofd van de jonge Kok moet ooit de gedachte zijn overwogen om lid te worden van de ‘kritische’ vakbeweging. Bolkestein heeft de ‘kritische’ verleiding weerstaan. Zijn gelijk staat tegenover het ongelijk van al die modieuze intellectuelen die zichzelf zo eendrachtig onmodieus vonden. Ik kan mij voorstellen dat Bolkestein zich geen intellectueel wil noemen, al was het maar om vereenzelviging met de toenmalige ‘fellow travellers’ te voorkomen.

Bolkesteins kracht is niet alleen zijn gelijk achteraf. Zijn kracht is ook dat hij visie uitstraalt. Hij houdt zich niet bezig met de kruimels, maar wenst aan te zitten aan de Wereldtafel. Hij is geen afvallige gereformeerde provinciaal, hij doorziet realistisch de ware drijfveren der grootmachten. Eigenbelang en effectiviteit zijn het parool. Daar helpt geen moedertje moralisme aan. Bolkestein verlost ons van het schuldgevoel tegenover de derde wereld, Bosnie, asielzoekers en armen in eigen land. Internationale ervaring en belezenheid stellen hem in staat ons schuldcomplex als Hollands atavisme te ontmaskeren.
Misschien ligt Bolkesteins kracht ook wel in zijn inconsistentie. Europese normen en waarden zijn universeel, maar een Europa is een illusie; arbeidsmobiliteit moet bevorderd worden, maar immigratie mag niet; vrijhandel is opperst gebod, maar in het buitenlands beleid moet het nationaal-economisch belang prevaleren; wij moeten de Engelse kaart spelen, terwijl ons economisch belang in Duitsland ligt.
Die inconsistentie maakt Bolkesteins bereik bijna onbegrensd: de Telegraaf-lezer herkent zich in Bolkesteins geprefabriceerde slogans, de Volkskrant- en NRC-lezer in zijn kruistocht tegen hun intellectueel verleden, de moralist mompelt waardering voor zijn erkenning dat het liberalisme ‘een bezielend verband’ mist, de individualist knikt goedkeurend over zijn pogingen om elk samenlevingsverband irrelevant te maken voor de sociale en fiscale wetgeving.
De zwaktes van Bolkestein? De vertaling van zijn visie in concrete maatregelen draagt Bolkestein veelal over aan hulpkrachten. Het interesseert hem niet wezenlijk. Daarom vindt hij het ook niet erg om terug te treden op concrete punten. Als zijn visie maar staat. Dat vindt hij belangrijker dan wat de regering doet. Het morren van Dijkstal, Jorritsma of Voorhoeve raakt hem niet. Laten zij hun gang gaan, het is oninteressant in het licht van zijn eeuwige gelijk.
Nog eens: Bolkesteins zwakte? De Nederlandse economie en financien bevatten voor hem te veel details, het milieu lijkt verdacht veel op de nieuwe totalitaire verleiding, binnenlands bestuur is het toppunt van provincialisme (sinds Thorbecke niets nieuws), dus dat alles is een vrij veld voor de secondanten.
Bolkestein is geen onderhandelaar. Zijn visie is ononderhandelbaar. Hij ziet de noodzaak van een gentleman’s agreement om een regering te vormen, maar daar zou hij het ’t liefst bij laten. Hij gaat liever tennissen dan zich verder te committeren. Zijn zwakten zouden pijnlijk zichtbaar zijn als hij verantwoordelijkheid zou moeten dragen. In het Torentje vindt een premier Bolkestein zijn Waterloo. Hopelijk houdt hij zich dan aan de Carrington-doctrine: ik ga liever uit mijzelf dan dat ik gegaan word. Zo kan hij zichzelf ook nog de morele winnaar van de Falkland-oorlog wanen.