De twaalf ambachten van frits bolkestein de toneelcriticus

De zomerslaap is voorbij, het politieke seizoen is begonnen. De enige die gedurende de lange, landerige zomer nog voor politieke opwinding wist te zorgen, was Frits Bolkestein. Of het nu een tv-optreden bij de VPRO was of een toespraak op een theaterfestival, de VVD-leider stond steeds weer in het nieuws. Met hem opent De Groene daarom het nieuwe politieke jaar.
Frits Bolkestein was de laatste toneelrecensent van het weekblad de Haagse Post. In die hoedanigheid schreef hij tussen 28 oktober 1989 en 12 mei 1990. Hij begon vrij traditioneel. In zijn eerste kritiek vertelde hij het verhaal na van Frans Strijards’ Het syndroom van Stendhal, hij beschreef wat hij zag, deelde ons mede dat dat niet was wat hij wilde zien, om te eindigen met de krom opgeschreven conclusie dat Strijards’ voorstelling ‘aan zeggingskracht gewonnen had als hij een overdaad aan beelden gepaard had laten gaan met een duidelijker verhaal’.

De sympathie met de eigenzinnigheid van kunstenaars die niet per se een duidelijk verhaal willen vertellen, is er sinds die eerste kritiek niet groter op geworden. Bolkestein opereerde als Markies de Cantecler in potsenmakersland. Fidonc, parbleu, en: moeder haal de was binnen, de toneelspelers komen eraan! Het oordeel over de voorstelling beperkte zich meestal tot de mededeling dat die-en-die acteur of regisseur zich wel of niet behoorlijk van zijn taak had gekweten. Regelmatig klonk er een vaderlijke vermaning: ‘Men zou toch mogen verlangen dat een regisseur zijn visie dwingend oplegt aan de toneelspelers’ - een zin waaruit bleek dat de politicus regie verwarde met fractiediscipline. Andere keren produceerde de criticus opmerkelijke one-liners: 'Het streven naar absolute macht vereist absolute concentratie’ (uit de recensie van een Shakespeare-voorstelling). Hier was een criticus aan het werk die het politieke bedrijf van de Engelse bard afkeek.
In de loop van die zeven maanden schreef Frits Bolkestein steeds minder over het toneel dat hij had gezien en steeds vaker over het politieke bedrijf en over machteloze linkse types (sinds jaar en dag zijn stokpaardje). Hij werd de schoolmeester die zichzelf voor de enige intellectueel aan de dorpspomp houdt. Hoofdschuddend verliet hij de theaters. Thuis sleep hij zijn pennetjes, doopte die in rechts-liberaal vitriool, om vervolgens de stuurloze avantgardisten de mantel uit te vegen.
In mei 1990 werd Bolkestein - via een coup d'etat van inderdaad shakespeareaanse allure - politiek leider van de VVD. Zijn laatste recensie die week ging over een stuk van de dandy die hij volgens mij zijn leven lang al wil zijn: Oscar Wilde. Titel van het toneelstuk: De ernst van Ernst. Het inspireerde Bolkestein tot de mooiste openingsalinea in zijn korte loopbaan als criticus: 'Een jaar of dertig geleden werd in de Tweede Kamer gezegd dat men kon zien waar een ober heenging aan de drank die hij bezorgde. Droeg hij rode wijn dan was hij op weg naar de KVP, jenever dan ging hij naar de AR. Sherry was de drank van de VVD, bier van de PvdA. De fracties hebben hun alcoholisch kenmerk verloren en misschien is die homogenisering te betreuren.’