Koos Breukel, De zusters Norbertinessen van Sint-Catharinadal in Oosterhout, 2021 © Koos Breukel

Op de zwart-witte foto staan twaalf zusters Norbertinessen gegroepeerd in een gladde, kale gang van het Brabantse klooster Sint-Catharinadal waar ze wonen. Ze staan daar statig en sober. Ze weten hoe het hoort. Eerder had de fotograaf, Koos Breukel, de plek en het stille licht daar al gevonden: een diepe, holle gang van egaal witte kalk. Wit is de maagdelijke kleur van de foto. De vloer is donkergrijze hardsteen. Ik stel me voor dat Breukel de zusters naar die plek had gehaald om daar een opstelling te gaan proberen. Vier van de zusters waren moeilijk ter been. Er waren dus ook vier stoelen nodig. Ik denk dat de fotograaf, in het klooster rondkijkend, al wel gezien had waar hij wilde dat de zusters zouden poseren: midden in de gang, tussen ramen en daar waar een stevige boog zijwaarts rechts in een zijgang uitkwam. De donkere tegelvloer zag er zo strak uit als een podium. Daar, in dat glimmende grijs, met reflecties van wit, begon de vertoning tot leven te komen. Dat zag Breukel in het compacte zoekbeeld van zijn camera.

In de grote gang waren de rechte wanden hoofdzakelijk krijtwit. In de zijwaartse boog werd het licht dan grijs. Helemaal achter in de gang zien we nog zo’n boog waar een hoek naar rechts gaat. De hoge gang waar de zusters werden opgesteld was groot als een toneel. Tegenover de boogdoorgang rechts begon een rechte rij van smalle ramen. Daar kwam een vlak sterk licht van buiten naar binnen. De fotograaf keek ernaar en vroeg de zusters om zich op te stellen waar het meeste licht binnenkwam. Het gleed daar zijwaarts verder en begon in de grijze boog dan langzaam te verstuiven. Meer licht uit nog meer ramen zweefde verder in de gang. Op de muur ertegenover werd het wit poederzacht als bloem. In die wonderlijke ruimte van allerlei wit, kaal als een leeg fresco, begon Breukel vriendelijk en geduldig de zusters duidelijk te maken hoe hij het liefst wilde dat ze poseerden. Rustig naast elkaar maar niet te dicht tegen elkaar. Hij liet ze zo plaatsnemen dat hun hoofden en gestalten goed gevangen werden door het zijwaartse licht uit de ramen. Zo werd de rij van zusters stap voor stap gegroepeerd.

zaal in het Van Abbemuseum met Palisade, 1976, van Carl Andre en een zevendelig schilderij, 1979, van Alan Charlton © Peter Cox, Eindhoven / collectie Van Abbemuseum
De zusters zouden ook met broos houtskool getekend kunnen zijn

Ze zijn devoot en staan daar zwijgzaam. In de foto werd de beeldruimte gedragen door de glimmende vloer. Ook die is geheimzinnig roerloos. Wit, grijzig, glanzend, donkergrijs. Dat is de ernstige toon. Intussen is de glad geplooide kleding van de zusters van strak gestreken kraakhagelwitte stof. Op hun hoofd dragen ze zwarte sluiers tot over de rug. Dat is hun sobere sierlijkheid. Sierlijk zwart-wit: ze zouden ook met broos houtskool getekend kunnen zijn. Daar staan ze dan te kijken. Vier van hen zitten, twee bij twee. Ze kijken naar de fotograaf en glimlachen goedmoedig terug. Dat is wat fotografen zeggen: even stil. Dan: een lachje. Dat is om gelaatstrekken los te maken. Langzaam en geduldig werd zo de foto in elkaar gezet. Eerst de vier zusters die zitten, daarachter de acht naast elkaar. De zuster helemaal links koket leunend op de vensterbank.

Die helemaal rechts, staande in de grijze boog, eerder beschouwelijk. Ze staan rustig naast elkaar gegroepeerd, strak en keurig hagelwit. Tegelijkertijd kijken ze naar de fotograaf – en dus nergens naar elkaar. Ze kijken ernstig, ze volgen de fotograaf zijn aanwijzingen. Daardoor ontstond het effect dat ieder van de zusters, hoewel gegroepeerd, toch ook op zichzelf staat. Tussen de gestalten zien we verschillend smalle tussenruimten. De gestalten zijn kraakwit gekleed. Zo zijn de ruimtes daartussen hoofdzakelijk verticale pauzes van licht en schaduw. Doorheen de groepering, van links naar rechts zoals ook het licht binnenkomt, begon ik een kabbelende vormbeweging te zien, die ook wezenlijk is in de stille beweging van deze witte foto.

Ik kwam erop omdat ik, net als wij allen, de laatste decennia in de kunst gewend geraakt zijn aan een bepaalde onverbiddelijke abstractie. Ook Breukel heeft die gezien. Het is een strakke abstractie, na Mondriaan, die voor alle artistieke morfologie onvergetelijk bleek. Bijvoorbeeld: ik denk aan een stevig werkstuk van Carl Andre dat ik in een museumzaal ooit samen zag met zeven slanke, gelijk grijze panelen van Alan Charlton. Het gaat er niet om die bepaalde vormgeving te vergelijken. Eerder bedoel ik intenties van vormgeving. In de opeenvolging van de figuren heeft Breukel lichte tussenruimtes laten ontstaan. Het werd zo een strakke maar niet een stijve groepering. Geenszins onwrikbaar zijn de lichtgrijze panelen, op linnen, van Charlton. Ze zijn niet stijf omdat de smalle intervallen hun ritme losmaken. Zeven maal na elkaar een slank paneel is een beweging die zonder een zwaar gewicht is. De opeenvolging is ontworpen. Intussen zijn de dertien rechthoekige volumes van hout, van Carl Andre, tegen elkaar geschoven. Zo is het werk gemaakt. Als het weer wordt opgesteld, kan de volgorde van blokken in de rij ook een andere zijn. De expressie van het werk is dat het werd samengesteld uit blokken cederhout die een mens nog dragen kan. Het is een maakwerk – en als de zwart-witte foto tegelijk ook maatwerk.

PS. De kloostergemeenschap bestaat 750 jaar. Deze dagen verschijnt bij Lecturis in Eindhoven De Norbertinessen van Sint-Catharinadal, foto’s Koos Breukel, vormgeving Willem van Zoetendaal, tekst Femke Deen. In november opent een tentoonstelling in de Grote Kerk in Breda