De twee gebroeders

De sprookjes van Grimm
Paul Biegel is auteur van voornamelijk sprookjesachtige verhalen. Hij kreeg vele prijzen, waaronder de Staatsprijs voor kinder- en jeugdliteratuur 1973.
‘LIEVE JAGER laat mij leven, ik zal u ook twee jongen geven.’ Vijf maal wordt deze smeekbede uitgeroepen, door haas, vos, wolf, beer en leeuw, en de gegeven jonkies zijn zo aardig om te zien, en zo speels, dat de twee gebroeders het niet over hun hart kunnen verkrijgen ze te doden.

Opgekruld in de krakkemikkige leunstoel naast de haard in mijn vaders werkkamer bracht de cadans van deze passage mij in een zelfde soort vervoering als herhalingen in muziek teweeg kunnen brengen.
Dit was nog maar het begin van het verhaal over de identieke tweelingbroers; wat er nog allemaal ging komen: het mes, de jonkvrouw, de draak, de boze maarschalk, de tongen, de bruiloft, de jachtpartij, de heks, de zilveren knopen en het tweesnijdend zwaard - dat alles stond nog tussen de coulissen te wachten en gaf extra lading aan het vijfmaal herhaalde rijmpje. Want ik las het verhaal zeker al voor de zevenentwintigste keer.
Er was al het nodige aan deze rijmpjesrij voorafgegaan: de broertjes waren door een jager opgevoed na in het bos te zijn achtergelaten door hun vader, een arme bezembinder die men had wijsgemaakt dat zijn kinderen ‘in de macht van den Boze’ waren omdat er elke ochtend een goudstuk onder hun kussen lag.
De Boze! Ik wist precies hoe hij eruit zag, en rillingen van genot over mijn eigen veiligheid bij vaders haardvuur liepen over mijn rug.
Wanneer de twee volgroeid zijn, willen ze weg bij hun pleegvader, en aan het avondmaal zeggen ze: 'Wij roeren het eten niet aan voordat…’
Niemand in mijn wijde omgeving sprak ooit over eten aanroeren - veel te moeilijk woord voor een kind. Psychiatrischpedopsychologischlectoribusdeskundigen zouden de zin toegankelijk hebben gemaakt met 'Wij nemen geen hap voordat…’, maar juist door het woord aanroeren zag ik de scene en de karakters, zonder te weten wat scene en karakters waren, uiterst scherp voor me, in terieur, kleur en geur. De jongens gaan dan uit elkaar, na een mes in een boom te hebben gestoken. De een komt in een stad waar hij een draak verslaat, de koningsdochter trouwt, zelf koning wordt, gaat jagen in een bos, door een heks in een steen wordt veranderd en niet meer terugkeert.
De andere broer ziet dan aan het mes, een kant half verroest, dat er iets niet deugt en gaat erop af. Maar twee-druppels-water- tweelingbroer die hij is, wordt hij bij het paleis voor de jonge koning aangezien, en om erachter te komen wat er met de ander is gebeurd, neemt hij die rol aan. “s Avonds’, zo staat er, 'werd hij naar het koninklijke bed gevoerd, maar hij legde een tweesnijdend zwaard tussen de jonge koningin en zichzelf in.’
Spannend. Maar geen idee wat het betekende.
Dan hoort hij van ’t jagen, gaat zelf het bos in, schiet de heks neer met drie zilveren knopen en redt zijn broer. Getweeen keren ze terug en benaderen het paleis van tegenovergestelde kanten, zodat de jonge koningin tegelijk van de westelijke en de oostelijke poort te horen krijgt dat haar gemaal in aantocht is. Gelukkig weet ze de juiste aan te wijzen, en er volgt een groot feest. Bij het naar bed gaan zegt ze: 'Waarom heb je de vorige nachten toch steeds dat tweesnijdend zwaard in ons bed gelegd?’
Toen besefte hij, zo luidt de slotzin van het verhaal, hoe trouw zijn broeder hem geweest was.
Ook van deze zin begreep ik niets. Ik laat het aan de psychiatrischpedopsychologischlectoribusdeskundigen over om uit te leggen waarom ik deze zin de aller-aller-allermooiste vond, de meest pregnant aanwezige tussen de coulissen tijdens het rijmpje van lieve jager laat mij leven…