Magic Seeds en Literary Occasions

De twee werelden van Naipaul

V.S. Naipaul

Literary Occasions: Essays

Picador, 203 blz., € 15,95

V.S. Naipaul

Magic Seeds

Picador, 294 blz., € 19,95

V.S. Naipaul (1932) leefde als kind van Indiase voorouders en wonend op het gekolonialiseerde Trinidad in twee werelden: de overzichtelijke thuisbasis rond grootmoeders huis en de wereld buiten het hek. Die buitenwereld «bestond als een soort duisternis, we vroegen nergens naar». Zo omschrijft Naipaul zijn jeugd in Two Worlds, de Nobelprijsrede die zijn essaybundel Literary Occasions afsluit. In zijn geïsoleerde jeugd bleek ook het lezen over die vreemde en verre wereld moeilijk, legt Naipaul uit in het autobiografische openingsverhaal over lezen en schrijven: «Ik had geen sociaal gevoel, geen gevoel voor andere samenlevingen.» De wereldvreemde Naipaul had geen moeite met de sprookjes van Andersen en Grimm, en het toneelstuk Ramlila, over de heilige Hindoe-held Rama, was een openbaring. Die vertelling over een onterechte verbanning naar een ge vaarlijk woud «leek op iets wat ik kende» en had te maken met het versplinterde leven van uit India naar de Cariben geëmigreerde Hindoe-families.

Dat prille inzicht vormde de bron van Naipauls schrijverschap: de ontdekking dat elk verhaal een morele revelatie was, het besef dat India ver weg bleek op het koloniale plantage-eiland Trinidad, dat slechts uit een schaduwwereld bestond omdat de echte machthebbers in Groot-Brittannië en Amerika zetelden. Het schrijven viel voor Naipaul samen met «volledig getransformeerde ervaring» (Evelyn Waughs definitie van fictie). Aan de grond in het Londen van de jaren vijftig zag hij opeens wat zijn literaire materiaal was: de straten in Trinidads Port of Spain met het gemengde leven waarvan de Naipaul-familie zich afzijdig hield, en het afgescheiden plattelandsbestaan van daarvoor, een leven volgens een herinnerd India, naar een vervaagd verleden.

In de roman Een weg in de wereld (1994) staat een vertellersgedachte over taaie tradities die als motto voor zijn reisboeken en romans kan gelden: «De meesten van ons kennen de ouders of groot ouders van wie ze afstammen. Maar we gaan steeds verder terug; we gaan helemaal terug naar het allereerste begin; in ons bloed, in onze botten en hersens dragen we de herinneringen mee van duizenden mensen. (…) Wij kunnen alle karaktertrekken die we hebben geërfd niet begrijpen. Soms kunnen we vreemden zijn voor onszelf.»

Om dat vreemd-zijn en die zoektocht naar weggezakte herinneringen en tradities gaan Naipauls laatste twee romans, Half a Life (2001) en het vervolg Magic Seeds. Hoofdfiguur in beide boeken is Willie Chandran. In Half a Life is hij een historieloze in India, een ontwortelde en uitgestotene in eigen familie, universiteit en land. Hij komt dan wel uit een geslacht van brahmaans maar heeft nauwelijks weet van de wereld, laat staan dat hij daar zijn eigen weg vindt. Later in Londen, nog meer ontworteld en werkzaam voor de BBC-radio, verzint hij op papier een christelijk-Indiaas verleden. Totdat de buitenwereld dat beschermde domein binnenvalt: de Suez-crisis van 1956 en de rassenrellen in het Londense Nottinghill twee jaar later. Hij debuteert als verhalenschrijver maar wordt door zijn zus Sarojini, een linkse documentairemaakster in Berlijn, op zijn eigen ijdelheid, leegheid en leven in een half-en-half-wereld gewezen. Als beroeps ontvluchter komt hij eind jaren vijftig in Mozambique terecht, trouwt en maakt de onafhankelijkheidsstrijd mee. «Maar al die tijd voelde Willie dat er een ander zelf in hem zat, een stil plekje waar zijn hele uiterlijke leven werd gesmoord.» Halverwege de jaren zeventig vlucht hij naar het West-Berlijn van zijn politiek actieve zus. Hij heeft zich een half leven lang voor zichzelf verstopt, niets geriskeerd en het beste deel van zijn leven laten voorbijgaan.

Magic Seeds neemt de draad op waar Naipaul die aan het slot van Half a Life zo abrupt laat knappen. Andermaal leest de door de West-Duitse staat gesubsidieerde filmmaakster Sarojini in West-Berlijn haar broer Willie de les en weer duiken de twee werelden op die zo moeilijk met elkaar zijn te verenigen: «De ene wereld was geordend, gevestigd, haar oorlogen afgesloten. In die wereld zonder oorlog of echt gevaar waren de mensen versimpeld. Ze keken naar de televisie en vonden hun gemeenschap; ze aten en dronken en keurden dingen goed; en ze telden hun geld. In de andere coëxisterende wereld waren de mensen woedender. Ze ondernamen wanhopige pogingen die simpele, geordende wereld binnen te komen. Maar terwijl zij alle loyale houdingen vermeden, zaten ze vast aan de resten van de oude geschiedenis; honderden kleine oorlogen vervulden hun met haat en verspilden hun energie.» Hij moet iets doen, in actie komen.

Het is een pseudo-revolutionaire wereld waar Willie naartoe gestuurd wordt door de warhoofdige beroeps revolutionaire Sarojini: onder guerril la’s op het platteland van India. Ogenschijnlijk dichter bij huis maar voor de zoveelste keer onthecht, weer zoekrakend en gevangen in een schijnwereld.

Naipauls nauwgezette beschrijvingen van Willies voortschrijdende onthechting, én Nai pauls meedogenloze analyse van de chaos onder de guerril la’s levert scherp proza op. Het magische zaad van de revolutie valt niet in vruchtbare bodem. De eeuwenoude tradities blijken te sterk.

Terug in het multiculturele Londen van de jaren tachtig merkt Willie dat alle werelden door elkaar zijn gaan lopen, dat orde schijnorde is en huwelijk seksuele chaos waarbij het zaad willekeurig wegvloeit. Wat te doen als de bijl in de wortel van de traditionele samenleving wordt gezet? Het kunstmatige optimisme lekt uit hem weg. Hij leert het wereldomvattende idealisme afzweren. Goed doen voor anderen was slechts stupide ijdelheid. «Het is verkeerd een ideaalbeeld van de wereld te koesteren. Daar begint het onheil.» Maar dat kan hij zijn zus niet schrijven. In plaats daarvan meldt hij Sarojini dat de gelukkigste en succesvolste mensen degenen zijn die een bescheiden en helder doel voor ogen hebben, zoals die West-Afrikaanse diplomaat die graag een blank kleinkind wil. Dankzij het «magische zaad» slaagt hij daarin.

Afrikaans racisme? En Naipaul maar weer een oude reactionaire brombeer noemen? Te gemakkelijk. Wie het werk van de schrijver niet verwart met het «sociale wezen» dat de Nobelprijswinnaar van 2001 ook is (twee werelden!), weet dat het Naipaul altijd om culturele vermenging gaat, met alle onzekerheid en onevenwichtigheid van dien. Is niet iedereen min of meer cultureel gemengd in een bestaan vol rangen en standen? Juist die constitutie maakt de mens een ingewikkeld, boeiend wezen dat – in zijn zoektocht naar een centraal punt in zijn leven – op soms onvoorspelbare wijze omgaat met de demonen van vroeger. Die tocht onderneemt Naipaul in Half a Life en Magic Seeds.