Hoe de Chinese communisten overleven

De tweede Culturele Revolutie

De Chinese communisten willen ten koste van alles overleven. President Jiang Zemin neemt nu zelfs een gok die hem fataal kan worden: hij beschouwt de mediterende slow motion gymnasten van Falun Gong als een protest tegen het consumptiecommunisme en is uit op hun vernietiging. Maar hij vergeet de echte gevaren die de Chinese partij bedreigen: de explosief gestegen werkloosheid en de enorme corruptie.

Het moment waarvoor Napoleon de wereld heeft gewaarschuwd, is aangebroken: de slapende reus China is wakker geworden. Na de lange jaren van zelfopsluiting heeft zich een weerga loze economische ontwikkeling ingezet, en nu eist China op het wereldtoneel de plaats op die het door zijn geschiedenis, zijn omvang, zijn mensenmassa’s en zijn mondiale betekenis toekomt. Maar dit nieuwe China heeft nog altijd een oud regime dat nog altijd meent de absolute waarheid in pacht te hebben en nog altijd geen tegenspraak duldt. China mondialiseert, maar het wil niet democratisch worden. De paranoïde vervolging van de geloofsbeweging Falun Gong en alle niet-erkende godsdiensten, de rechteloosheid van verdachten van politieke misdrijven, de ruime toepassing van marteling en de doodstraf (minstens veertig executies per week), de ijzeren greep op de media, de noeste pogingen om internet onder controle te brengen; het zijn maar een paar van de anachronismen die China’s entree in de moderne tijd vergezellen.

Is dat levensvatbaar, die combinatie van mondiale opening en politieke geslotenheid? Kan een regime zich economisch liberaliseren en politiek een fundamentalistische dictatuur blijven? Of hebben de Chinese leiders een proces in beweging gezet dat een eigen dynamiek heeft ontwikkeld en zich geleidelijk aan zal ontrekken aan hun controle als ze niet tijdig bijsturen? Die vragen zijn nog niet te beantwoorden, maar wel te analyseren.

Geen enkel regime heeft het eeuwige leven, maar voor dat van China heeft de geschiedenis tot nu toe een uitzondering willen maken. Sinds ruim 22 eeuwen wordt het Rijk van het Midden geregeerd door een totalitair systeem. China is geteisterd door opstanden, oorlogen, invasies en rampen, maar op iedere keizersdynastie volgde steeds weer een volgende. Ook na de ontstellende beroeringen van de eerste helft van de twintigste eeuw kwam er toch weer een nieuwe dynastie aan de macht, zij het niet die van een keizersfamilie maar van een totalitaire politieke partij.

En nu kraakt ook de «rode dynastie» in haar voegen. Niet dat de val van de communistische partij aanstaande is; daarvoor is ze nog veel te hecht. Bovendien heeft ze elk politiek alternatief de kop ingedrukt. In 1989, het jaar van de Tienanmen-revolte, gebeurde dat pas na grote aarzeling en na uitschakeling van de hervormingsgezinde vleugel in de partij.

Sindsdien laten de hoogste leiders er geen gras over groeien. Alles wat de continuïteit van het regime en de eenheid van de natie bedreigt of zou kunnen bedreigen, geldt als rebellie en moet worden gesmoord. Zo was het onder de keizers, zo is het nog steeds. Stabiliteit, harmonie en continuïteit vormen voor elk Chinees regime het hoogste goed.

Juist die stabiliteit loopt alom gevaar als gevolg van een ontwikkeling die het bewind zelf in gang heeft gezet en die niet meer is terug te schroeven: de opening van China naar de buitenwereld. Deng Xiaoping was daartoe gedwongen, want het land was bijna aan Mao’s ideologische obsessies ten onder gegaan. De economische liberalisering heeft China sneller en grondiger veranderd dan ooit enig ander land. In een adembenemend tempo maakt het oude China plaats voor een nieuw land waarin geen steen op de andere blijft. Oude gebouwen verdwijnen even hard als oude ideeën. Alles is in beroering, behalve de communistische partij.

Op het partijcongres in oktober volgend jaar moeten nieuwe leiders de macht overnemen. Na Mao, Deng en Jiang Zemin stormt nu de vierde generatie aan. Waarschijnlijk wordt vice-president Hu Jintao — met zijn 58 jaar een jonkie in China’s gerontocratie — de nieuwe partijleider en in 2003 ook de nieuwe president. Hij is destijds door Deng gezalfd als toekomstig leider, waarna hij in de schaduw van Jiang carrière heeft gemaakt.

Het is een teken des tijds dat niemand weet welke ideeën Hu heeft. Hij houdt zich bewust op de vlakte, om conservatieven noch hervormingsgezinden van zich te vervreemden. De tijd is immers voorbij dat communistische leiders gedreven werden door grote idealen. Ze worden nu voornamelijk gedreven door hun ambitie. Tegenwoordig word je lid van de partij niet omdat je de maatschappij wilt veranderen, maar omdat je carrière wilt maken.

Het hemelbestormende partijprogramma van weleer is inmiddels ingekrompen tot één enkele paragraaf: hoe blijven we aan de macht? Dat kan volgens de partij alleen door reële of potentiële tegenstand de kop in te drukken en het volk tevreden te houden. Een probaat middel daartoe is het verhogen van de levensstandaard, zodat men de corruptie maar voor lief neemt en niemand tijd en zin heeft om zich in te zetten voor politieke hervormingen.

Een beter leven houdt in: minder plan- en meer markteconomie. Maar economische veranderingen hebben gemakkelijk hun weerslag op het sociale en politieke terrein, waar juist alles bij het oude moet blijven. Daarom probeert de partij een evenwicht te zoeken tussen stabiliteit en hervorming. Beide zijn voor haar overleving even noodzakelijk: zonder stabiliteit verliest ze de controle, en zonder hervormingen verliest China de aansluiting bij de rest van de wereld.

En dus is de partij gedwongen tot een evenwichtsoefening tussen stabiliteit en hervorming. Het is een adembenemend gezicht, dit gebalanceer tussen twee afgronden. Aan de ene kant moeten de staatsbedrijven worden gesaneerd, anders komt de aanstaande toetreding tot de Wereldhandelsorganisatie neer op de doodsteek van de nationale industrie. Aan de andere kant mag dat saneren niet te ver gaan, anders komen er nog meer arbeiders op straat te staan en worden de protestexplosies nog talrijker en heviger.

Dit schema herhaalt zich in vele vormen. Neem de staatsbanken, die andere loodzware erfenis van de planeconomie. Ze waren bedoeld om de staatsbedrijven draaiende te houden en daarmee de werkgelegenheid en de stabiliteit te garanderen. Ze hebben dringend een grote beurt nodig, want een markteconomie heeft geen boodschap aan politieke liefdadigheid.

Maar als de banken geen geld meer storten in de bodemloze put van de staatsbedrijven, zijn deze gedoemd te verdwijnen, met alle sociale beroeringen van dien. Gevolg: het particuliere bedrijfsleven kan bij de bank nog altijd bijna geen geld lenen, hoewel al meer dan de helft van de Chinese economie niet meer onder staatscontrole staat.

Officieel bedraagt de werkloosheid 3,1 procent. In werkelijkheid is het minstens drie keer zo hoog, en dan is het tweederde deel van de bevolking dat op het platteland woont niet eens meegerekend. In Mao’s tijd, toen drie mensen het werk deden dat door één persoon beter en sneller kon worden gedaan, bestond er geen werkloosheid. Nu doemt dat spook overal op.

In het milieu bijvoorbeeld. In het kader van de vooruitgang is China veranderd in een poel van smerigheid. Tegenwoordig beseft men dat de zorg voor het milieu geen decadent-kapitalistische liefhebberij is, maar een kwestie van leven of dood, nog afgezien van het feit dat Peking naar de Olympische Spelen van 2008 kan fluiten als het China’s milieu niet saneert. Bedrijven die geen maatregelen nemen tegen de vervuiling, moeten dicht. Een mooi plan. Maar hoe voer je het uit als daardoor miljoenen mensen op straat komen te staan en de lokale inkomstenbronnen opdrogen?

Bij gebrek aan een sociaal vangnet probeert men de ergste werkloosheid op te vangen met het uitvoeren van publieke megawerken, te financieren uit staatsleningen. Met schipperen, afremmen en bijsturen probeert de partij tussen Scylla en Charybdis te koersen, in de hoop na een paar kritische jaren rustiger vaarwater te bereiken. Maar er zijn zoveel andere problemen tegelijk, dat zelfs de meest ervaren stuurman zich een betere boot zal wensen dan het aftandse schip van de Chinese communistische partij.

De centrale vraag wordt steeds nijpender: hoe kan een totalitair politiek systeem de controle houden over een maatschappij die zich in razend tempo moderniseert? De officiële ideologie slaat allang nergens meer op. In de Volksrepubliek is een kleine kaste aan de macht, die door een ondoordringbare bureaucratische muur van het volk is gescheiden. Op papier streeft het regime nog steeds naar een klasseloze maatschappij, in werkelijkheid maakt het de afstand tussen rijk en arm onoverbrugbaar groot.

Juist de armsten vallen in communistisch China structureel buiten de prijzen. Het gaat vooral om de acht- à negenhonderd miljoen boeren en de honderd miljoen plattelanders die naar de steden zijn getrokken. Hun inkomen is het afgelopen jaar even hard achteruitgegaan als de afpersing door de lokale partijpotentaatjes is toegenomen. De boeren, de motor van Mao’s revolutie, zijn de grootste slachtoffers van de afbraak van de maoïstische verzorgingsstaat.

Voor onderwijs en gezondheidszorg moet nu worden betaald. Wie geen geld heeft, kan niet naar school en kan beter niet ziek worden. Dat zet zelfs bij een van nature lijdzaam volk als het Chinese kwaad bloed. Vooral als zich uitwassen voordoen zoals de recente explosie van een plattelandsschooltje. De kinderen verdienden het salaris van hun onderwijzers als onbetaalde arbeidertjes in de vuurwerkfabriek die in hun school was ondergebracht. Dergelijke praktijken zijn geen betreurenswaardige uitzondering.

Die explosie was er maar één uit een onafgebroken serie ongelukken, die bijna alle door de mens zijn uitgelokt. In China wemelt het van de «Enschede’s» en erger. Alleen al in de kolenmijnen komen iedere week tweehonderd mensen om. Dit aantal is zelfs voor een immens land als China onhoudbaar groot.

De frequentie van deze man made disasters wettigt de conclusie dat de veiligheid, dus de mens, moet wijken voor de economische groei. Deze nieuwe illustratie van de oude Chinese mentaliteit om het individu ondergeschikt te maken aan het collectief, botst op de nieuwe mentaliteit van individualisme, zelfontplooiing en, voor wie het betalen kan, hedonisme. Ongelukken roepen tegenwoordig protesten op, vooral als de autoriteiten de politieke schade erger vinden dan het verlies aan mensenlevens. Nog altijd is de gewoonte in zwang om na een groot ongeluk radiostilte af te dwingen.

Maar de waarheid sijpelt vaak toch door, vooral dankzij onverschrokken verslaggevers van kleine kranten en websurfers die in de anonimiteit van de chatrooms geen last hebben van censuur. Hoe bang de partij is voor de politieke fall-out van de grote ongelukken, blijkt uit het recente bevel van de top om alle gebouwen te controleren op hun veiligheid en in geval van ongelukken de schuldigen streng te straffen. Ook ongelukken zijn uitgeroepen tot een gevaar voor de stabiliteit. Datzelfde geldt voor de criminaliteit, die in het kielzog van het Chinese kapitalisme een glorieuze rentree heeft gemaakt.

Het grootste gevaar komt volgens de partij van binnenuit. Oud-premier Li Peng, als voorzitter van het Nationale Volkscongres nog altijd de tweede man van het regime, heeft het pas nog zelf gezegd. De corruptie, klaagde hij, is zo ernstig geworden dat ze de partij zelf ten val dreigt te brengen. Li Peng kan het weten: zijn familie en protégés zijn geregeld in verband gebracht met forse corruptiepraktijken. Kort geleden zijn twee van zijn beschermelingen, topmanagers van het staatselektriciteitsbedrijf, wegens het aannemen van smeergeld gearresteerd. Volgens Hu Angang, de gezaghebbende directeur van het Centrum voor China-studies van de Chinese Academie van Wetenschappen, hebben corruptie en smokkel tussen 1995 en 1999 ongeveer 368 miljard gulden gekost. Het oude relativeringsargument van het immense China waar alle cijfers nu eenmaal enorm zijn, gaat niet op: het in die periode gestolen bedrag komt overeen met 17 procent van het bruto binnenlands product. Corruptie, zegt Hu Angang, is voor de regering de grootste politieke uitdaging, zoals werkloosheid de grootste economische uitdaging is.

Hij heeft ongelijk. Jiang Zemin heeft een andere prioriteit: de vernietiging van Falun Gong. Het lijkt totaal bizar, de fanatieke vervolging van deze wereldvreemde beweging van mediterende slow-motion-gymnasten die onder het motto «waarheid, mededogen en duldbaarheid» slechts uit zijn op hun geestelijk en lichamelijk heil. Ad nauseam wordt de bevolking ingepeperd dat er op de wereld nauwelijks iets boosaardigers bestaat dan Falun Gong, hoewel het eerste bewijs daarvoor nog geleverd moet worden.

Heeft de politie niets beters te doen dan de landelijke heksenjacht op geweldloze lieden, meestal van middelbare leeftijd, die niets anders willen dan in rust hun oefeningen doen? De mitrailleurcampagne tegen Falun Gong, de meetings waarop ze door de mangel wordt gehaald, de oproep om de buren in de gaten te houden, het bespioneren van «verdachten», de arrestatie van op heterdaad betrapten, het roept allemaal de sfeer op van een infame periode die allang op de vuilnisbelt van de geschiedenis terecht leek te zijn gekomen: de Culturele Revolutie.

Volgens mensenrechtengroepen zijn al ruim vijftigduizend beoefenaren van Falun Gong gearresteerd en duizenden naar «heropvoedingskampen» of gekkenhuizen gestuurd. Processen zijn geheim. De verdachten mogen geen advocaten nemen. Zo’n 150 Falun-Gongers zijn tijdens hun hechtenis omgekomen. Klopt, zegt de partijpropaganda tegenwoordig, maar dat komt doordat ze op bevel van hun naar New York gevluchte leider Li Hongzhi zelfmoord hebben gepleegd.

Dat moet de beschuldiging kracht bijzetten dat Li zijn adepten de dood injaagt. Zestienhonderd aanhangers zouden zijn gestorven omdat ze niet in een dokter geloofden maar in Li’s miraculeuze geneeswijzen, terwijl — een geschenk uit de hemel voor de partijpropaganda — vijf volgelingen zich op het Tienanmenplein in brand hebben gestoken. Woordvoerders van de beweging ontkennen dat de zelfverbranders echte Falun-Gongers waren, omdat de beweging geweldloos is. Hadden die desperado’s soms een toelatingsexamen gedaan?

De claim van het Chinese regime dat het met de vervolging van Falun Gong de mensenrechten beschermt, komt nogal cynisch over. Jiang Zemin had nog nooit van de beweging gehoord tot die dag in april 1999 dat ze met tienduizend man in stille meditatie het beleg opsloeg voor Zhongnanhai, de vroegere keizerlijke lusthof naast de Verboden Stad waar de leiders van partij en regering wonen.

Deze demonstratie voor haar bestaansrecht was tegelijk een manifestatie van onafhankelijkheid, en dat was onduldbaar. Een totalitair systeem eist immers ook de geestelijke loyaliteit op van zijn onderdanen. Vandaar dat de leider van de atheïstische communistische partij tegelijk de leider is van de vijf in China erkende godsdiensten. Concurrenten worden niet geduld, of het nu de paus van Rome of Li Hongzhi is.

De vervolging is nu al bijna twee jaar aan de gang. Ze heeft het regime weinig opgeleverd, behalve veel negatieve publiciteit in het buitenland en nieuwe beschuldigingen over schendingen van de mensenrechten. De miljoenenkoppige beweging blijkt veel taaier dan wie ook had gedacht. «Dwang kan het hart van de mensen niet veranderen», schreef Li Hongzhi kort geleden op de website van Falun Gong.

Onstuitbaar gaat de escalatie door. De protesten van Falun Gong tegen de vervolging bewijzen volgens Peking dat Li Hongzhi uit is op de politieke macht, quod erat demonstrandum. Falun Gong gaat nu door voor een «instrument van westerse anti-Chinese krachten». Van de weeromstuit radicaliseert ook Li Hongzhi. Bij het in ontvangst nemen van een Amerikaanse vredesprijs waarschuwde hij dat het optreden van de Chinese leiders een gewelddadige revolutie in de hand werkt.

Jiang Zemin heeft begrepen dat Falun Gong een geestelijke leegte opvult en een protest is tegen het consumptiecommunisme. Tegenwoordig spreekt hij over de deugden en de geestelijke beschaving die het communisme het land te bieden zou hebben.

Intussen bijt hij zich vast in de vervolging van Falun Gong, want als dat karwei niet is geklaard vóór het komende partijcongres, lopen hij en zijn protégés grote kans alles te verliezen: hij zijn gezicht, en zijn cliëntèle haar hoop op politieke macht.

Redelijkheid en logica dwingen China de richting op te gaan van politieke pluriformiteit. Het blokkeren van die weg kan zowel China als de partij duur komen te staan. De huidige partijleiding kan niet meer veranderen. Maar misschien is het voor veranderingen in 2002 nog niet te laat.