Het verdriet van Spanje

De tweede Transición

Tien jaar nadat Spanje officieel besloot het Franco-verleden te laten rusten, wil een toenemend aantal Spanjaarden opnieuw korte metten maken met de fascistische dictator. En daarmee ook met de Vallei der Gevallenen.

Spanje, Valle de los Caídos (De Vallei der Gevallenen) © Alfredo Caliz / Panos Pictures / HH

Zondag 18 juni 2017, een schijnbaar verdwaalde plek in hartje Spanje, een kilometer of veertig ten noorden van Madrid en een kleine tien kilometer van het stadje San Lorenzo de El Escorial. Een enorme kerk, gehouwen in een berg en alleen bereikbaar via een tweehonderd meter lange, schaars verlichte gang die door dezelfde berg loopt. Het is klokslag elf uur ’s morgens als links van het altaar tientallen koorknapen, misdienaars, priesters en broeders binnenschuifelen. Ze begeleiden zichzelf met zang en kaarsen. Bijna allen zijn in het wit. De gelovigen staan op. Even wordt het gezang overstemd. Dan vult het opnieuw de ruimte. De knapen lopen naar het koor achter het altaar. Enkele priesters en misdienaars nemen plaats op de verhoging waarop ook het altaar staat. De mis begint. Hij duurt ongeveer een uur en wordt alleen verstoord door een echtpaar dat de kerk wil bezichtigen en door de bewaking schijnbaar over het hoofd is gezien. Tijdens de mis zijn toeristen niet welkom.

Tegen het eind van de mis, op het voor de katholieke kerk heiligste moment, de consecratie, gaan zo goed als alle lichten uit, behalve dat ene dat op de hostie valt. De enorme ruimte implodeert bijna van stilte en duisternis. Elke kuch klinkt als een pistoolschot. De lijzige stem van de priester krijgt onder zoveel effect welhaast iets van muziek. Als het licht na enkele minuten weer aan gaat, kun je niet anders dan diep ademhalen en met de ogen knipperen.

Dit laatste is nog sterker het geval als de hele groep even later in processie de basiliek uit loopt, naar buiten, het licht tegemoet. Voorop de knapen en misdienaars, achteraan de priesters, in het midden de prior. Hij loopt onder een door zes mannen gedragen baldakijn en houdt in beide handen de hostie. Een dergelijke processie vindt slechts eens per jaar plaats, op Corpus Christi zoals deze katholieke feestdag heet, het Lichaam van Christus. Dat ‘lichaam’ wordt op deze dag plechtig door talloze Spaanse dorpen en steden gedragen. En ook hier gaat het naar buiten. Daarbij contrasteert het felle zonlicht zo sterk met de relatieve duisternis van kerk en gang dat het pijn doet aan de ogen. Indrukwekkend is het contrast wel. Die kleine poort van licht aan het eind van de tunnel, het geschuifel van de processie, de ijle knapenzang die door de ruimte galmt, het licht dat almaar dichterbij komt en dan, uiteindelijk, de overval door een zee van licht als het gezelschap naar buiten treedt.

Elk dorp, elk stadje van Spanje kent zijn variant van dit tafereel. In dit geval is er echter een groot ‘maar’ dat door gebrek aan eensgezindheid, gebrek aan besluitvaardigheid dan wel door een overmaat aan politiek-maatschappelijke tegenstelling met de dag nijpender en pijnlijker wordt. Dat voorbehoud kan het best aangeduid worden met een naam, dezelfde naam die bij uitstek kenmerkend is voor het Spanje van de twintigste eeuw: Francisco Franco.

Francisco Franco ligt niet alleen begraven in de basiliek van deze zogenoemde Vallei der Gevallenen, hij ligt zelfs onder dezelfde verhoging waarop het altaar staat. De mis vindt dus bijna op zijn graf plaats. Hij is niet de enige die op deze plek rust. Aan de andere kant van het altaar liggen de stoffelijke resten van de man wiens ideologische erfenis door Franco sinds lang (hij werd in 1936 gefusilleerd) wordt opgeëist, die van de voorman van het Spaans fascisme, José Antonio Primo de Rivera. Dit is voorzover ik weet de enige plek ter wereld waar de overblijfselen van het fascisme nog onaangeraakt zijn, de enige plek in de democratische wereld ook waar een dictatuur zo openlijk, als dat de juiste uitdrukking is, ‘verheerlijkt’ wordt.

De Spanjaarden discussiëren al jaren op belabberd niveau: er wordt vooral gevochten, zij het met woorden, of geminacht

Bij deze kwalificatie hoort wel een kanttekening, tevens de kern van het probleem: een flink percentage van het spraakmakend deel van de Spaanse gemeenschap denkt hier volstrekt anders over, meent dat de Vallei der Gevallenen een gedenkplek is van alle slachtoffers van de Spaanse Burgeroorlog, ontkent dat Franco een dictator was, in ieder geval niet een van het type Hitler, vindt dat hij zoals zovele groten der aarde ‘gewoon’ in een kerk begraven ligt en beweert daarom dat het ritueel rond zijn persoon niets van doen heeft met politiek, laat staan verheerlijking. Om dezelfde redenen betogen deze personen dat de plek moet blijven zoals hij is. Vernietiging cq. desacralisatie ervan, zoals steeds meer Spanjaarden bepleiten, zou gelijk staan aan vernietiging van erfgoed cq. ontkenning van de geschiedenis.

Bijna al mijn Spaanse vrienden zijn deze mening toegedaan, zo ook mijn (Spaanse) vrouw. Elders in mijn directe, Spaanse omgeving haalt men bij dit onderwerp veelal de schouders op en denkt zoals de, in ieder geval tot voor kort, overgrote meerderheid van de Spaanse bevolking: dat dit Franco-gedoe allemaal ouwe koek is, tijdverlies.

Maar net als een snel groeiende meerderheid in het Spaanse parlement zijn steeds meer Spanjaarden het zowel met deze gelatenheid als met de stille aanvaarding van het Franco-verleden fundamenteel oneens en menen dat het tijd wordt dat met dit verleden en dus ook met de Vallei der Gevallenen korte metten wordt gemaakt. De belangrijkste reden hiervoor is niet de Vallei zelf, de belangrijkste reden is wat die zegt over het Spanje van nu: een land dat ernstig met zichzelf in de knoop zit, mede en volgens velen met name omdat het de knopen van het verleden nooit goed heeft ontward. Het gevolg is een land vol onoverbrugbare en onwerkbare tegenstellingen. Schoon schip wat betreft het verleden, zo beweren dezelfde critici, is een absolute voorwaarde voor een leefbare toekomst.

Een voorbeeld van die onoverbrugbare tegenstellingen krijg ik op het moment van dit schrijven, eind juni, begin juli 2017, kort nadat ik op een Facebook-pagina van het stadje waartoe de Vallei behoort, San Lorenzo de El Escorial, (Tu eres de El Escorial, ‘Jij bent van El Escorial’), een discussietje ben begonnen. De reacties gaan bijna meteen van dik hout zaagt men planken, terwijl ik op mijn belangrijkste vraag, of en hoe in het dorp gediscussieerd wordt over de Vallei, eigenlijk geen antwoord krijg. Dat wil zeggen: het niveau van de discussie is meteen onder de gordel. Grote woorden, schelden, verwijten, geen wederzijds begrip, zelfs geen poging daartoe.

Zo gaat het overal, en op zo goed als alle gebied. De Spanjaarden discussiëren al jaren op belabberd niveau: er wordt vooral gevochten, zij het gelukkig nog alleen met woorden, of geminacht. Een opmerkelijke illustratie van die minachting zijn twee dissertaties die de afgelopen jaren over de Vallei der Gevallenen in Madrid gepubliceerd werden. De ene verscheen aan de katholieke universiteit van San Pablo (van de hand van Alberto Bárcena Pérez), de andere aan de neutrale Complutense (van Belén Moreno Garrido). Maar de auteurs verwijzen niet naar elkaar, doen zelfs alsof ze elkaars werk niet kennen. De reden is eenvoudig: de een verdedigt het (voort)bestaan van de Vallei, de ander niet. Dat beide auteurs goed onderzoek deden en talloze zaken vermelden die de ander kan gebruiken, lijkt niet ter zake te doen. Feiten zijn immers ondergeschikt aan ideologie en wie niet over de juiste ideologie beschikt, kan onmogelijk de juiste feiten brengen. Aldus de impliciete veronderstelling.

De Vallei der Gevallenen was altijd al een probleem, maar dit probleem is in het afgelopen decennium veel groter geworden. Definitief keerpunt was de Wet op de historische herinnering, de Ley de memoria histórica uit 2007. Deze wet betekende een officiële breuk met de tot dan toe heersende omgang met het Spaanse verleden, stammend uit de jaren van de zogenoemde Transición, de overgang van het Franco-tijdperk naar de democratie (1975-1982), de periode ook waarin Spanje voor het eerst sinds de jaren dertig weer een parlement kreeg, een democratische grondwet, een moderne rechterlijke macht, een vrije pers en tal van andere instellingen die bij een vrije samenleving horen. Maar een van de uitgangspunten van deze Transitie was de stilzwijgende afspraak – tussen alle partijen, niet alleen bij rechts zoals tegenwoordig steeds weer wordt betoogd – het verleden te laten rusten en alle aandacht aan heden en toekomst te besteden.

Lang niet iedereen was het daarmee eens, velen hielden zich niet aan de afspraak. Vooral in de eerste jaren van de Transitie verschenen tal van boeken en artikelen over de keerzijde van de Franco-tijd en de halfbakken democratisering, maar vanaf het begin van de jaren tachtig, met als keerpunt de mislukte staatsgreep van 23 februari 1981, werd het verleden toch daadwerkelijk zo veel mogelijk met rust gelaten. Spanje stootte op in de vaart der volkeren, werd lid van allerlei internationale verbanden, democratiseerde, althans zo leek het, onder de bezielende leiding van een socialistische premier (Felipe González) maar bovenal: moderniseerde, Amerikaniseerde, werd welvarender. Daarmee was er voor het verleden weinig tijd en steeds minder geduld.

‘Heb je gekeken naar het wapen dat boven de eerste versie van de grondwet staat?’ De fasces, symbool van het fascisme

Het hoogtepunt in dit proces ligt precies 25 jaar geleden: 1992, toen in Barcelona de Olympische Spelen werden gehouden en in Sevilla een Wereldtentoonstelling plaatsvond. In de ogen van buitenstaanders en voor het gevoel van een, voorzover na te gaan, overgrote meerderheid van de Spanjaarden had het land in minder dan twintig jaar bereikt waar gewoonlijk een halve eeuw of langer voor staat. Als zoiets mogelijk was, zou je moeten zeggen dat Spanje halverwege de jaren negentig straalde. Het was verder gekomen dan de grootste optimist in het jaar van Franco’s dood, 1975, voor mogelijk had gehouden.

Maar toen, halverwege het eerste decennium van de nieuwe eeuw, ging er iets fout. Het is moeilijk te zeggen wat er fout ging, maar er gebeurde iets wat alle recente successen in een ander daglicht plaatste, iets ook wat de brede grijns van de jaren negentig binnen korte tijd in een grimas deed verkeren. Ook in dit geval is het keerpunt weer duidelijk aan te wijzen. Het ligt ergens tussen eind 2007 toen de Wet op de historische herinnering werd aangenomen en het voorjaar van 2008 toen het besef doordrong dat ook Spanje een economische crisis niet zou ontlopen. Bijna meteen rees het vermoeden dat deze crisis het land bovengemiddeld hard zou treffen. Dat vermoeden is juist gebleken: in Spanje is in het afgelopen decennium een volledige generatie verloren gegaan, terwijl tal van onopgeloste problemen, gevallen van verregaande corruptie en illustraties van onverzoenlijke tegenstelling naar boven zijn gekomen. Hiermee is ook het beeld van het recente verleden, met name van de Transitie en alles wat daarmee verband houdt, veranderd: in toenemende mate wordt erkend dat zo goed als alle heikele punten destijds opzij zijn geschoven, niet opgelost maar verplaatst, met de huidige puinhoop tot gevolg.

‘Zoals heel de Transitie is ook de Spaanse grondwet een opeenstapeling van compromissen’, zegt Carlos Zarco. Carlos bracht zijn jeugd door in de Vallei der Gevallenen, zijn vader werkte er als administrateur en is sindsdien een gedreven verdediger van het monument. Maar gek is hij niet. Hij is jurist, werkt voor het Spaans patrimonium, volgt de Spaanse politiek op de voet en ziet heel goed in dat er veel moet veranderen om van Spanje een modern en leefbaar land te maken.

‘Heb je wel eens gekeken naar het wapen dat boven de eerste versie van de grondwet staat?’ vraagt hij. Ik geef toe dat ik dat nooit heb gedaan. ‘Daar zie je in één oogopslag het onmogelijke compromis. En begrijp je ook meteen waarom iedereen op dit moment met die Transitie in zijn maag zit.’ Carlos heeft gelijk. Boven de grondwet van 1978 prijkt het wapen van Spanje dat zich in zo goed als niets onderscheidt van het wapen uit de Franco-tijd, dat op zijn beurt weer zeer sterk lijkt op het wapen van de Katholieke Koningen (1474-1516) en Karel V (1516-1556). Het meest opmerkelijke aan dit wapen is de afbeelding van dezelfde pijlen die sinds de Tweede Wereldoorlog overal in West-Europa taboe zijn. Deze fasces zijn immers het symbool van het fascisme. Dat de Spanjaarden de fasces boven de eerste versie van hun democratische grondwet lieten staan is dan ook veelzeggend, zoals het ook veelzeggend is dat zij enkele jaren later, in 1981, toch een ander wapen kozen. Zo lang duurde het besef dat een daadwerkelijke breuk met het verleden nodig was. Maar volgens de critici van dit moment was het toen al te laat en is zo’n breuk nooit verder gekomen dan de buitenkant, een wapen dus. Aan de binnenkant van de Spaanse samenleving veranderde veel minder – of bijna niets. Vandaar het huidige verlangen naar een nieuwe Transitie – en nu echt.

‘La segunda transición Española pendiente’, schreef een van de oudere, regionale kranten van Spanje, El Correo Gallego, eind juni boven een artikel, ‘de tweede Spaanse transitie is ophanden’. Het is een van de talloze artikelen van dergelijke strekking die de afgelopen maanden verschenen zijn. Dat is geen toeval. Naast een diep verlangen naar structurele verandering is er ook het moment: het is dit jaar veertig jaar geleden dat in Spanje voor het eerst sinds 1936 democratische verkiezingen werden gehouden. Dat gebeurde in juni 1977. Daarbij werden volksvertegenwoordigers gekozen. Die volksvertegenwoordigers waren verantwoordelijk voor de grondwet van 1978 die de basis legde van de huidige Spaanse democratie en daarmee van het huidige Spanje. 1977 is dus een sleuteljaar en dat verklaart alle retrospectie.

Vrolijk is die niet. ‘Veertig jaar later zijn we terug bij af’, schrijft El Correo Gallego, ‘en zien we een land dat aan alle kanten verdeeld is en ver af staat van zijn burgers, met instellingen zonder transparantie, politieke partijen die, ook intern, in voortdurende strijd zijn verwikkeld en een samenleving die almaar bezig is chaos en corruptie te overleven, een samenleving ook die wat betreft identiteit en waarden een ernstige crisis doormaakt.’ Iets dergelijks klinkt, zeker buiten de hoofdstad Madrid, zo goed als overal. In Catalonië is het zelfs het refrein. Het verklaart mede het verlangen Spanje zo snel mogelijk te verlaten en op eigen benen te staan. Degenen die zo ver niet gaan, willen op z’n minst schoon schip, om te beginnen met alles wat van het onopgeruimde verleden nog zichtbaar, tastbaar en voelbaar is. Vandaar de aanzwellende polemiek over het monument der franquistische monumenten, de Vallei der Gevallenen.

De fascistische groet tijdens de herdenking van de sterfdag van Francisco Franco bij de basiliek waar hij begraven is, Valle de los Caídos, 2011 © Dominique Faget / AFP / ANP
Als de Vallei opgedoekt, ja zelfs vernietigd moet worden, waarom zou het kloosterpaleis dan moeten blijven staan?

In eerste instantie was de Vallei, ooit niet meer dan een onontgonnen stuk land aan de voet van een paar flinke bergtoppen op de Spaanse hoogvlakte, bedoeld als herinneringsplek aan degenen die aan de nationalistische zijde van de Burgeroorlog gevallen waren. Dat is door Franco en de zijnen sinds het eind van de jaren vijftig altijd ontkend, zoals het op dit moment ook door politiek rechts ontkend wordt. Maar zo is het wel. De stichtingsakte van 1 april 1940, daterend van ruim een half jaar na het einde van de Burgeroorlog, laat hierover geen twijfel bestaan. Zij spreekt van ‘perpetuar la memoria de nuestra gloriosa cruzada’, het bewaren van de herinnering aan onze glorieuze kruistocht. Maar, ook dat is waar, in hetzelfde document wordt gesproken van het koesteren van de herinnering aan ‘los que cayeron’, de gevallenen, zonder nadere specificatie. Omdat dit overeenkomt met de latere, door Franco gekoesterde versie, heeft rechts Spanje altijd doen voorkomen alsof het altijd zo is geweest: dat de Vallei een herinneringsplek is voor alle slachtoffers van de Spaanse Burgeroorlog.

Daarbij wijst men er steeds weer op dat van de ongeveer 34.000 mensen die er begraven liggen een flink percentage aan de republikeinse kant stond, anti-Franco was. Maar hierbij vergeet men gemakshalve te vermelden dat zo goed als al die republikeinen hier ná de officiële opening in 1959 naartoe werden gebracht. De Burgeroorlog was op dat moment al twintig jaar afgelopen en het was tijd voor een nieuwe eenheid. De Vallei werd derhalve expliciet voorgesteld als een teken van verzoening. Dat leek te slagen. Maar de dubbele schijn van gisteren maakt de huidige werkelijkheid des te bitterder. Het verklaart waarom allen die zich op dit moment actief bekommeren om de toekomst van de Vallei zo fel en onverzoenlijk tegenover elkaar staan. Het is zoals een van de commentaren op mijn Facebook-oproep luidde: dat over de Vallei geen discussie mogelijk is; je bent ervoor of je bent ertegen, punt uit.

Maar zelfs als je een voorstander bent van de Vallei en betoogt dat deze een verzoeningsoord is voor alle Spanjaarden, dan nog valt onmogelijk te ontkennen dat ter plekke niets herinnert aan de andere, republikeinse, linkse kant van de Burgeroorlog. Dat geldt in de eerste plaats de enige twee graven die zichtbaar zijn – alle andere zijn verborgen in de crypten van de basiliek, ze zijn ook ontoegankelijk. Het geldt ook voor de dominante aanwezigheid van de katholieke kerk in de Vallei. In het hart ervan staat een basiliek, met overal, binnen en buiten, katholieke beelden en symbolen. Boven op de koepel van de basiliek, pal boven het graf van Franco en José Antonio, staat een enorm kruis. Het is vanaf vele kilometers afstand zichtbaar. Vlak bij de basiliek staat een klooster. De monniken ervan beheren de Vallei.

Al met al is dit een door en door katholieke locatie terwijl juist dat katholicisme tijdens de Burgeroorlog sterk ter discussie stond, zoals het in het Spanje van tegenwoordig, althans in linkse kring, nog altijd ter discussie staat. De kerk wordt als een rechts instituut gezien, het uiterst rechtse Opus Dei is in Spanje een gezaghebbende organisatie, de banden tussen de rechtse en nadrukkelijk christelijke (katholieke) Partido Popular en de kerk zijn nauw, kortom een plek voor alle Spanjaarden zou op z’n minst voorzichtig moeten zijn met religieuze symboliek. Dat is de Vallei niet.

Er is nog een derde, subtieler en voor de meeste mensen nauwelijks herkenbaar teken van de rechtse, volgens velen zelfs fascistoïde ideologie van de Vallei. Dat is de locatie, zoals onder meer weerspiegeld in twee grote, in steen gehouwen wapenschilden die hangen bij de toegang tot het plein dat naar de basiliek leidt. Daarop staan dezelfde symbolen die boven de eerste versie van de democratische grondwet staan, met slechts een paar ondergeschikte verschillen. Locatie en schilden maken duidelijk dat met de Vallei eigenlijk heel de Spaanse geschiedenis ter discussie staat en dat het hier dus om veel meer gaat dan om een gebouw of een zoveelste historische omstandigheid. Het gaat om een wereldbeeld. Het gaat om een traditie. Het gaat om ‘Spanje’ – wat het land was, is en wil zijn.

Want Franco koos niet toevallig het Escorial als herdenkings- cq. verzoeningsplek. De plek ligt in het midden van het land. Dat is een goede bijkomstigheid – én een teken van de door Catalanen en anderen verachte centrale macht. Maar belangrijker is dat de Vallei der Gevallenen in hetzelfde stadje ligt waar hét symbool van Spanje’s gewezen grootheid staat: het Monasterio van San Lorenzo de El Escorial, het verbijsterend grote en indrukwekkende kloosterpaleis dat Filips II in de tweede helft van de zestiende eeuw in het midden van niets liet neerzetten en waar zo goed als alle Spaanse koningen begraven liggen, van ‘onze’ Karel V tot en met de grootouders van de huidige koning, vijf eeuwen Habsburgers en Bourbons dus, vijf eeuwen Spaanse eenheid ook.

Het kloosterpaleis van El Escorial wilde nadrukkelijk de voltooiing zijn van het grootse, nationale project dat de overgrootouders van Filips II, de zogenoemde Katholieke Koningen, eind vijftiende eeuw begonnen waren: Spanje niet alleen één maar ook groot, ja zelfs het grootste maken. Dat lukte behoorlijk, ook al mislukte het vervolgens net zo opzienbarend. Waar het hier om gaat is dat Franco’s keuze voor het Escorial en de symboliek op de schilden nadrukkelijk aan dit project herinneren, niet alleen door de afbeelding van het juk en de pijlen, maar ook door de dominante aanwezigheid van de adelaar van Johannes, het ‘plus ultra’ (almaar verder) van Karel V en het bovenschrift ‘Una, Grande, Libre’ (Eén, Groot, Vrij). Vereenvoudigend gezegd: wat de Katholieke Koningen waren begonnen en Filips II tot een hoogtepunt had gebracht, zou in Franco een waardig opvolger hebben gevonden. Aldus de pretentie, de propaganda. Vreemd genoeg is het dezelfde boodschap die boven de grondwet van 1978 staat, de boodschap van de Transitie.

Het verklaart waarom ik tijdens mijn rondgang door het stadje van verschillende zijden te horen kreeg dat een vernietiging van de Vallei logischerwijze ook tot een vernietiging van het kloosterpaleis zou moeten leiden. De redenering kan een zekere logica niet ontzegd worden. Zij gaat als volgt: Franco was een dictator, verantwoordelijk voor de dood en het leed van talloze mensen. Filips II was eveneens een dictator, verantwoordelijk voor de dood en het leed van, zonder twijfel (denk alleen maar aan de verovering van Latijns-Amerika), nog veel meer mensen. Als Franco uit de Vallei verwijderd moet worden, waarom Filips dan niet uit het kloosterpaleis? Als de Vallei opgedoekt, ja zelfs vernietigd moet worden, waarom zou het kloosterpaleis dan moeten blijven staan? Als we met het ene slechte verleden tabula rasa maken, waarom dan niet met het andere? Omdat de tijd alle wonden heelt? Dat is geen sterk argument. Bovendien, hoeveel tijd is voor heling nodig?

Hoewel er inderdaad mensen zijn die een dergelijke redenering serieus volgen, gebruiken de meesten haar gekscherend. Bijna iedereen is het er immers over eens dat vernietiging van zo’n prachtig stuk erfgoed als het kloosterpaleis van het Escorial ondenkbaar is, zoals het ook ondenkbaar is dat de Spaanse koningen hier worden weggehaald. Maar ja, zeggen dezelfde spotters, eenmaal begonnen met de aanpassing van het verleden aan het heden moet je doorzetten en alles wat herinnert aan de pijnlijkheden van gisteren – wat dacht je van kerken, kathedralen, musea – met de grond gelijk maken. Leuk, gekscheren zij, Spanje een historisch knekelhuis.

Hier staat vanzelfsprekend een ander argument tegenover. Het is niet zozeer rationeel als wel emotioneel en bovendien diep politiek: dat het voor velen onverdraaglijk is dat veertig jaar na het einde van het Franco-regime het belangrijkste symbool van dat regime nog altijd onveranderd op zijn plek staat. Dit is des te onverdraaglijker voor degenen die tijdens die dictatuur of de daaraan voorafgaande Burgeroorlog een familielid, geliefde of vriend verloren hebben. Weliswaar zijn van hen nog maar weinigen in leven, maar er zijn nog ontelbare familieleden en daar komen elke dag nieuwe bij. Bovendien heeft het Franco-regime wel meer op zijn kerfstok dan executies, stellen zijn critici. Wat te denken van de kinderen die moedwillig van hun ouders gescheiden werden en opgevoed in zogenaamd ‘goede’, lees politiek rechtse kring? Die kinderen zijn nu oude mensen, in veel gevallen vol onzekerheid over hun verleden en zichzelf, vol vragen. Die vragen schreeuwen om een antwoord, om een politieke reactie. Die reactie kan niet anders dan de erkenning zijn dat in het verleden ontoelaatbare zaken hebben plaatsgevonden. En zo’n erkenning op zijn beurt verplicht ertoe dat met de symbolen van die misdaden korte metten wordt gemaakt.