Essay: Een leer aanhangen om de wankele identiteit te stutten

De twijfelende moslimterrorist

De moslimterrorist liegt wanneer hij zich beroept op de koran. Hij hangt een leer aan die de waarde van de koran juist ondermijnt. Een leer die hij aangenomen heeft om zijn wankele identiteit te stutten.

De moslimterrorist handelt niet uit overtuiging, maar uit twijfel. De moslimterrorist twijfelt namelijk aan zijn absolute waarheid. Hij twijfelt omdat zijn onwetendheid over de islam schrijnend is. Schrijnende onwetendheid leidt tot schrijnende twijfel. Vaak proberen mensen hun identiteitscrisis te bezweren door hun identiteit te zoeken in iets waarvan zij denken, of waarvan verteld wordt, dat het stabiel is. Omdat het nooit zo goed heeft geboterd tussen mensen en denken kiezen velen voor iets waarvan verteld wordt dat het stabiel is. Ook moslims. Het gevaarlijke is echter dat de religie, die hun wordt aangesmeerd, vol dogma’s zit waarbij geen vraagtekens geplaatst mogen worden. Het is alles of niets. Om kennis te verwerven, moet je nadenken. Over dogma’s mag je juist niet nadenken. Daarom biedt de religie van de meeste moslims geen zekerheid en wordt hun identiteitscrisis niet bezworen. Die leegte kan de moslim proberen te compenseren met welvaart. Maar wanneer er geen of te weinig welvaart is, kan de twijfel te veel worden en leiden tot woede met alle gevolgen van dien.

Wie zijn die moslims? Kort door de bocht geformuleerd zijn moslims aanhanger van dé islam en is dé islam dat wat de moslims aanhangen. De islam is een verzamelnaam voor de diverse monotheïstische stromingen die twee elementen gemeen hebben. Ten eerste: de god heet Allah, is Schepper en communiceert met zijn schepping. Ten tweede: de Arabische koran is door Allah geopenbaard aan de profeet Mohammed.

Maar daarna beginnen de verschillen. De soennitische islam heeft de meeste aanhangers. Van de ruim één miljard moslims op de wereld is meer dan tachtig procent soenniet. Voor Nederland ligt het percentage tegen de honderd. De soennitische islam bepaalt dus grotendeels het gezicht van de islam. De andere grote stroming is de sjiïtische variant. Beide vallen onder de noemer izjmaa (religieuze consensus). Deze term, niet meer dan een idee, wordt gebruikt door moslimgeestelijken uit beide stromingen om verschillen recht te praten en (verplichte) verkettering te voorkomen. Het belangrijkste onderscheid tussen soenna en sjie’a is de vraag welke overleveringen naast de koran worden aanvaard en welke autoriteit er aan welke overlevering wordt toegekend. De izjmaa-geestelijken erkennen allen in theorie de Arabische koran als goddelijke openbaringstekst. In de praktijk gebruiken zij echter alles behalve de koran om te bepalen wat de islam is.

Wanneer ik de geestelijken en hun volgelingen hiermee confronteer, krijg ik te horen dat de koran niet alleen onbegrijpelijk, maar ook nog eens incompleet is. Is dit een grap? Als ik nog maar nauwelijks ben bijgekomen van deze hemeltergende domheid komt er nog een schepje bovenop. «Als de koran zo compleet is, waar staat dan hoe ik mijn harde schijf moet formatteren?» Wat is er met deze mensen? Hebben ze zand in hun hoofd? In de koran staat toch ook niet hoe ik een geit moet melken! De koran is er om moslims de islam te leren. De koran is niet bedoeld als computerhandleiding of als spoedcursus geiten melken.

Daar komt nog bij dat deze geestelijken claimen dat de koran in het Arabisch geopenbaard is omdat dit de taal van de hemel zou zijn. Als het niet zo vreselijk racistisch was, zou het grappig zijn. De koran legt niet uit waarom die in het Arabisch geopenbaard is omdat het voor de hand ligt: de ontvanger van de openbaring, Mohammed, was een Arabier. Omdat de openbaring in een taal is vervat, moet er rekening gehouden worden met taalkundige eigenaardigheden, zoals ambiguïteit. Eventuele ambiguïteiten dienen dus binnen de context van de koran zelf opgelost te worden. Wanneer een interpretatie een contradictie veroorzaakt, mankeert er iets aan de interpretatie. De openbaring zelf is vrij van tegenspraak. De geestelijken erkennen deze koranische waarheid echter niet en gebruiken extra-koranisch materiaal in hun tafseer (koraninterpretaties) met als gevolg dat die vol contradicties zitten. Vertalingen van de koran zijn zelfs per definitie interpretaties en worden bovendien aan de hand van tafseer gemaakt.

De moslims die de autoriteit van deze geestelijken en hun producten niet erkennen, vallen buiten de izjmaa-boot. Deze groep is marginaal en wordt verketterd door de izjmaa en omgekeerd. Verkettering is geen groot woord. Iedereen die een rechtzinnige leer denkt te volgen, verkettert per definitie elke volger van een leer die niet de rechtzinnige is.

Verkettering hoeft op zichzelf niet te betekenen dat iedereen elkaar in de haren vliegt. Mensen gaan niet met elkaar op de vuist omdat ze van mening verschillen over wat de rechtzinnige leer is. Mensen gaan met elkaar op de vuist om de ander te domineren. Het meningsverschil over wat de rechtzinnige leer is dient slechts als legitimatie voor geweld. Als er sprake is van vergevorderde secularisatie worden andere ideologieën dan religieuze gebruikt om het geweld te legitimeren. Zo is in Turkije de soennitische islam dominant, maar is de staat seculier. Tegen de Koerden kan de Turkse regering dus niet de religie gebruiken. Daarom spreekt zij over half barbaarse Koerden die alleen maar uit zijn op het ondermijnen van Atatürks droom.

Als er wordt gesproken over de intolerante islam wordt er in feite gesproken over de islam van de izjmaa. Deze godsdienst van de izjmaa is geïnstitutionaliseerd en net als alle andere geïnstitutionaliseerde religies is zij per definitie intolerant. Wanneer aanhangers van een geïnstitutionaliseerde godsdienst tolerant zijn, worden ze liberaal of vrijzinnig genoemd. Zo niet, dan zijn ze radicaal, extremistisch of fundamentalistisch. Ten eerste worden deze benamingen alleen door niet-moslims en onwetende moslims gehanteerd. Ten tweede kloppen ze niet. Wanneer een moslim bijvoorbeeld geen «potenrammer» is, heet hij liberaal of vrijzinnig. Deze benaming impliceert dat de moslim kennelijk potenrammer moet zijn. Als moslims homo’s in elkaar moeten slaan maar dat niet doen, wat is er dan met deze «vrijzinnigen en liberalen» aan de hand? Denken ze dat het wel moet en doen ze het toch niet? Dan zijn het slechte moslims. Vinden ze het immoreel en denken ze dat het niet mag? Dan hebben ze het verkeerd begrepen. Wie homo’s in elkaar slaat, is op zijn beurt weer radicaal, extremistisch of fundamentalistisch. Als ik geen potenrammer ben, maar wel vijf keer per dag naar de moskee ga en een vuistdikke baard draag, wat ben ik dan?

Een fundamentalist is iemand die de basis van een leer erkent. Iedere aanhanger van een leer is per definitie fundamentalist. Fundamentalisme heeft niets te maken met terrorisme. Een terrorist is iemand die geweld gebruikt als tactiek om angst te zaaien en zo de angstigen te domineren.

Zoals gezegd vallen de meeste moslims theoretisch onder de noemer izjmaa. Maar in de praktijk stelt zo’n beetje ieder van die moslims zijn eigen islam samen. Niemand volgt consequent de soenna. Dat kan ook niet omdat die vol tegenstellingen zit. Zo staat tegenover elk vrouw onvriendelijk dogma wel een vrouwvriendelijk dogma. Zowel vrouwenhaters als feministen kunnen dus bij de soenna terecht. Wie wel consequent probeert te zijn met de soenna komt dus behoorlijk in de knel. Met zichzelf, maar ook met de religieuze instituties. Hier nu zit ’m de kneep.

Geïnstitutionaliseerde godsdiensten zijn niet zomaar geïnstitu tionaliseerd. Godsdiensten worden geïnstitutionaliseerd en gebruikt door machthebbers om hun macht beter uit te kunnen oefenen. In het geval van oorlog bijvoorbeeld moet het potentiële kanonnenvlees eerst ethische en praktische bezwaren overwinnen voordat het deelneemt aan een gewelddadig treffen. Dat kan alleen als het idee gaat leven dat degene die aangevallen moet worden, een bedreiging vormt. Als dat niet meteen duidelijk is, of niet zo is, kan de machthebber de godsdienst inzetten. Het beste voorbeeld vind ik de zogenoemde godsdienst oorlogen in Europa eind zestiende, begin zeventiende eeuw, waar ook Nederland bij betrokken was in de Tachtigjarige Oorlog of de Opstand.

Toen Luther in 1517 zijn 95 stellingen aan de deur van de kerk in Wittenberg spijkerde, was hij niet de eerste die protesteerde tegen bepaalde gebruiken in de kerk van Rome. Maar de politieke situatie in West-Europa was toen wel rijp voor een omwenteling. De kerk wilde niet toegeven aan zijn eisen. Luther weigerde op zijn beurt zijn bezwaren in te trekken, wat ertoe leidde dat de machthebbers in de kerk hem en de zijnen wilden vervolgen omdat hij de legitimiteit van hun macht in twijfel trok. Dit laatste had ook materiële gevolgen. Volgens Luther hadden zij bijvoorbeeld niet het recht om aflaten te verkopen of tienden te eisen.

Het verschil met eerdere hervormingsbewegingen was dat aan beide kanten machthebbers stonden. Aan de ene kant stonden de kerk en de Habsburgse keizer met de vorsten die hem trouw bleven. Karel V legitimeerde zijn macht in de kerk. Aan de andere kant stonden de Duitse vorsten die zich verzetten tegen het centraliserende beleid van de keizer. Diegenen in het Heilige Roomse Rijk die de legitimiteit van de kerk in twijfel trokken, erkenden daarmee het gezag van de keizer niet. De lutherse variant van het christendom bood de rebellerende vorsten ruimte voor verregaande autonomie, ook omdat ze hun rebellie religieus konden verantwoorden. Niet omdat ze zo begaan waren met het lot van de mensen die leden onder het juk van de kerk. Ook niet omdat ze in theologisch opzicht zo tegen de kerk gekant waren.

De rol van Frankrijk in dit conflict geeft nog het best aan waarom het niet om de religie op zich draaide. De Franse koning was katholiek. Toch steunde hij de claims van de rebellerende Duitse vorsten. In zijn hoedanigheid van katholiek zou hij hen te vuur en te zwaard moeten bestrijden als de ketters die zij volgens de paus waren. Hij deed dat niet omdat hij belang had bij een verzwakking van het Heilige Roomse Rijk. Frankrijk was namelijk ingesloten door de Habsburgers die ook Spanje en delen van Italië beheersten. Frankrijk voelde zich daardoor bedreigd. Dat de Franse koning toch katholiek was gebleven, bleek uit zijn vervolging van de Hugenoten die zich tegen de kerk keerden en daarmee zijn gezag niet meer erkenden.

Een geïnstitutionaliseerde godsdienst heeft ook andere voordelen. Die kan makkelijker zieltjes winnen. De meeste, zo niet alle, nieuwe zieltjes sluiten zich uit opportunisme aan en niet omdat ze het zo goed kunnen vinden met de leer zelf. Dit leidt tot een toename van huichelaars binnen de godsdienst en daarmee tot een groeiende behoefte aan dogma.

In de diverse islamitische rijken werden er bijvoorbeeld verschillende soorten belastingen geheven, zoals een belasting die alleen voor niet-moslims verplicht was. Gevolg hiervan was natuurlijk dat bijna iedereen moslim werd. De machthebbers zagen daardoor hun inkomsten flink slinken en verzonnen allerlei andere constructies om toch zo veel mogelijk belasting te kunnen innen. Maar het kwaad was geschied. De institutionalisering van de islam was compleet in die zin dat bijna niemand meer uit religieuze overtuiging moslim was.

De geïnstitutionaliseerde islam is niet de enige godsdienst met zo’n verleden. Maar de Reformatie bood wel een instrument om zich los te maken van Rome, conform het principe cuius regio eius religio (die het land regeert, diens godsdienst geldt), waaruit ook Nederland is ontstaan. Het instituut katholieke kerk verloor met de Franse Revolutie vervolgens nog meer wereldlijke macht in West-Europa. En sinds de Eerste Wereldoorlog heeft Rome geen invloed meer op de formele machts verhoudingen in Noordwest-Europa. Noord-Ierland is een laatste stuiptrekking.

Binnen de islam is het nog niet zo ver. De invloed van de geïnstitutionaliseerde islam is nog steeds groter dan een godsdienst past en heeft duidelijk geformuleerde wereldwijde aspiraties die zich vertalen in de roep om het kalifaat. Want de dogma’s vereisen gedrag dat alleen goed haalbaar is binnen het kalifaat.

Van het feit dat er geen kalifaat is, ondervinden vooral de moslims die in West-Europa leven hinder in hun dagelijks leven. Hun identiteit gronden ze immers in hun godsdienst. Bovendien weten ze niet zo goed wat ze aanmoeten met hun niet-islamitische tradities. Zo was het bij Arabische nomaden gebruikelijk de mannen te besnijden. Toen deze moslim werden, om wat voor reden dan ook, bleven ze dit doen. Omdat de koran zelf nergens over besnijdenis rept, ontstond er onduidelijkheid. De geïnstitutionaliseerde islam incorporeerde dit gebruik dus. Sindsdien worden alle moslimmannen besneden. Alle geïnstitutionaliseerde godsdiensten hebben gebruiken geïncorporeerd. Zie de kerstboom en de paaseieren binnen het christendom. Om de binding vervolgens te bestendigen werkt de geïnstitutionaliseerde godsdienst met dogma’s. Dit heeft tot gevolg dat de aanhangers geen vraagtekens kunnen plaatsen bij hun godsdienst uit angst verketterd of uit de gemeenschap verstoten te worden.

Ook bij moslims is dit patroon zichtbaar. Terroristen die uit naam van de islam aanslagen plegen, lijken uit overtuiging te handelen. Het lijkt erop dat zij gedreven worden door absolute zekerheid. Maar dit moet genuanceerd worden. De enige zekerheid die voor de moslimterrorist een rol speelt, is die van de dood. Voor het overige twijfelt hij aan zijn religie omdat haar dogma’s niet te verenigen zijn met zijn dagelijks leven. Die religie heeft hij bovendien als absolute waarheid aangenomen ter wille van zijn wankele identiteit, niet omdat hij zo van Allah houdt en wil dat Allah ook van hem houdt.

Turken bijvoorbeeld hebben niet zo’n identiteitscrisis als Marokkanen omdat Turken veel nationalistischer zijn. Hun identiteit ligt meer in hun Turk-zijn dan in hun moslim-zijn. Marokkanen zijn niet zo nationalistisch en plaatsen hun identiteit juist veel meer in hun moslim-zijn. Wanneer het niet goed gaat met een Marokkaan is die eerder geneigd te denken dat dit komt doordat hij geen goede moslim is. Niet uit overtuiging, maar omdat hij niks beters kan of wil bedenken. Het probleem van zijn islam blijft dat die geïnstitutionaliseerd is, vol met dogma’s die weinig helpen om het aardse bestaan te verlichten en vaak intern tegenstrijdig zijn. Maar als hij vraagtekens zou plaatsen bij die dogma’s tornt hij aan zijn eigen identiteit.

Desondanks zijn er wel degelijk vraagtekens te plaatsen bij het uitgebreide corpus aan extra-koranische regels en voorschriften die zo ver gaan dat ze ook voorschrijven hoe de stoelgang verricht zou moeten worden. De moslim moet zelfs zaken geloven die ethisch stuitend zijn. Bijvoorbeeld dat de Gezant Gods Mohammed getrouwd zou zijn met een negenjarige en het huwelijk geconsumeerd had op haar vijftiende. Beweren dat dit een leugen is, verzonnen door vijanden van de islam, is geen optie omdat deze moslim dan geen kant-en-klare religie meer heeft waarin hij zijn heil kan zoeken. Ook de tegenstrijdige interpretaties van de koran zelf dragen bij aan de groeiende twijfel. Want zelf interpreteren wordt niet bepaald aangemoedigd.

Dat neemt niet weg dat de koran binnen de izjmaa helemaal niet zo’n grote rol speelt als gedacht wordt. De koran is er gereduceerd tot een magisch object. De koran wordt niet gelezen, hij wordt alleen uit het hoofd geleerd om te reciteren in het zogenaamde gebed dat vijf keer per dag zou moeten plaatsvinden. Wanneer iemand de islam wil kennen, wordt hij gestimuleerd boekjes te lezen als De weg van de moslim en De goede moslima. Van deze boekjes zijn er dertien in een dozijn en zij worden verkocht met de slogan «De islam is de oplossing». Ja, ook moslimgeestelijken hebben marketing ontdekt. Immers: «We kopen wat we willen zijn».

Zo ook de jongere moslims. De voor hen logische slogan «De islam is de oplossing» associëren ze met het product. Ten onrechte, want de boekjes gaan niet over de islam, maar over de persoonlijke speculaties van de auteur. Mensen als Mohammed Bouyeri zeggen van alles over hun geloof dat ze islam noemen. Ze hebben het niet uit de koran, maar uit een of ander boekje dat niet eens over de koran gaat. In feite denken de auteurs ervan het beter te weten dan God. «Nee», zeggen ze, «de koran, daar heb je niks aan. Die is te moeilijk en incompleet. Mijn boekje, daar heb je wat aan. Dat is dan vijf euro!»

Daar komt nog iets bij. De imam in de moskee is voor de jongere Marokkaanse moslims irrelevant. Ze spreken letterlijk en figuurlijk elkaars taal niet. De imam predikt in een klassiek Arabisch dat niemand begrijpt, over zaken die jongeren niet interesseren, als ze hem al begrijpen. Door deze taalverwarring wenden de genoemde jongeren zich steeds vaker tot internet en moslimgeestelijken die wél in een verstaanbare taal spreken. Er zijn steeds meer van dergelijke geestelijken die zich ophouden bij moskeeën en andere ontmoetingsplekken van jonge Marokkaanse moslims om zo hún islam te verkopen.

En dan komt het. Als iemand die islam aanneemt om zijn problemen op te lossen en ziet dat zijn problemen blijven bestaan of zelfs erger worden, slaat de twijfel pas echt toe. Want ondanks zijn bidden om verlichting van zijn aardse bestaan, blijft die verlichting uit. Hij krijgt geen baan en kan dus ook niet trouwen. Kortom, de neerwaartse spiraal komt op gang. Helemaal als hij ziet dat het veel beter gaat met mensen die alles doen wat God verboden heeft. Frustratie en afgunst zijn dan het gevolg. Waarna hij nog strikter volgens de regels probeert te leven en intussen, door zich blind te staren op die regels, niet doorheeft dat hij inderdaad in een neerwaartse spiraal is beland. Wanneer dan iemand komt beweren dat «je leven geven voor de goede zaak» gegarandeerd een plaats in de hemel biedt, is de keuze snel gemaakt.

De moslimterrorist liegt wanneer hij zich beroept op de koran. Hij hangt een leer aan die de waarde van de koran juist ondermijnt. Een leer die hij aangenomen heeft om zijn wankele identiteit te stutten. Een leer vol tegenstrijdige dogma’s die de identiteitscrisis alleen maar verergeren en alleen de dood als uitweg bieden. Hij is ondankbaar en wil zelfmoord plegen. Maar omdat hij weet dat dit een zonde is, probeert hij zichzelf en God te flessen door een leer aan te nemen die zelfmoord goedpraat. Een leer die verzonnen is en verkocht wordt door arrogante leugenaars die het beter denken te weten dan God. Iemand zou deze kooplui, zoals Jezus dat deed, de tempel uit moeten trappen.