De twintigste eeuwen

DIT IS HET jaar van terugblikken en vooruitkijken. Bijna had ik geschreven ‘vooruitzien’, maar dat klinkt wel erg optimistisch. Onze horizon lijkt immers niet verder te reiken dan de eerste uren van de eerste januari van het jaar 2000. Door welke rampen worden wij dan getroffen? Het feit dat zelfs over dit betrekkelijk triviale probleem de deskundigen elkaar, en dikwijls ook zichzelf, tegenspreken, stemt weinig vrolijk voor de toekomst.
Onze blik op de tijd die nog voor ons ligt mag dan bijzonder troebel zijn, met het verleden ligt dat een stuk eenvoudiger - zou men denken. Wie echter de boeken bekijkt die de balans opmaken van de afgelopen eeuw, ziet dat het zelfs niet meevalt om een beeld te schetsen van de geschiedenis van eergisteren. Uiteraard verschijnen er momenteel veel populaire en oppervlakkige boeken over de twintigste eeuw. In die boeken is de geschiedenis weinig problematisch. De serieuzere auteurs breken zich echter het hoofd hoe je nu in hemelsnaam de gehele eeuw, en dan nog over de gehele wereld, kunt ‘vatten’. Wie een aantal van deze boeken leest, ziet dat historici dit probleem op verschillende manieren te lijf gaan - of een uitvlucht verzinnen.

AL IN 1994 kwam de vermaarde Engelse historicus Eric Hobsbawm met een poging de balans op te maken van de eeuw die nu al de meest bloedige uit de geschiedenis van de mensheid wordt genoemd. Met zijn uitstekende Age of Extremes muntte Hobsbawm de term ‘korte twintigste eeuw’. In tegenstelling tot de 'lange’ negentiende eeuw, die had geduurd van het begin van de Franse Revolutie in 1789 tot aan het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914, was de twintigste eeuw van korte duur geweest. Begonnen met het fatale schot in Sarajevo was hij al geëindigd met de val van het communistische bewind in Rusland. Evenals Hobsbawms magistrale trilogie over de lange negentiende eeuw - The Age of Revolution (1789-1848), The Age of Capital (1848-1875) en The Age of Empire (1875-1914) - staat in Age of Extremes de sociaal-economische analyse centraal. De twintigste eeuw laat de triomf van het kapitalisme zien. In het derde kwart van deze eeuw kwam er een einde aan een periode van zeven à acht millennia waarin de landbouw de voornaamste bron van bestaan voor de wereldbevolking vormde. Het grenzeloze karakter van het kapitalisme, dat gekenmerkt wordt door eeuwige expansie en dat ertoe leidt dat ondernemingen nooit 'tevreden’ zijn maar altijd moeten groeien, kwam duidelijk tot uitdrukking in de Eerste Wereldoorlog. Tot dan toe waren de doelstellingen van oorlogen altijd beperkt van aard geweest. Het ging om de verovering van een bepaald gebied, het zeker stellen van grenzen. Zodra het doel bereikt was, of onhaalbaar bleek, werd de vrede getekend. De Eerste Wereldoorlog was niet alleen in de wijze van oorlog voeren maar ook in de doelstellingen van de deelnemende landen een 'totale oorlog’. De Grote Oorlog van 1914-1918 veroorzaakte de opkomst van het communisme in Rusland en van verschillende vormen van fascisme in andere landen. Dit leidde ten slotte tot het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, die werd gevolgd door een Koude Oorlog die pas eindigde met het uiteenvallen van de Sovjetunie. Op deze wijze lijkt het tijdvak 1914-91 een logisch geheel. Het grote conflict in deze periode is dat tussen kapitalisme en communisme. Hoewel de marxist en communist Hobsbawm kritisch schrijft over de Sovjetunie ziet hij geen reden om over de overwinning van het kapitalisme de loftrompet te steken. HOBSBAWMS idee van de 'korte twintigste eeuw’ heeft opgeld gedaan. Voor een inwoner van Europa of de Verenigde Staten lijkt het inderdaad een vanzelfsprekende indeling. In 1991 leek met het uiteenvallen van het communistische machtsblok in Oost-Europa een ontwikkeling afgerond die was begonnen in die rampzalige zomer van 1914. Maar is voor iemand uit Peru, Senegal of Maleisië die periodisering even overtuigend? In zijn Progress and Barbarism wijst Clive Ponting er terecht op dat Hobsbawms concept getuigt van een sterk eurocentrische visie. Dat geldt ook voor de stelling dat de grote controverse in de twintigste eeuw die tussen kapitalisme en communisme is geweest. Op deze manier wordt immers de betekenis van bijvoorbeeld het nationaal-socialisme erg gebagatelliseerd. Veel vooroorlogse marxisten mochten de nazi’s en fascisten dan zien als 'de knuppelgarde der bourgeoisie’, beide bewegingen waren toch ook méér, ze hadden een volstrekt eigen karakter. Volgens Ponting zou het, als je evenals Hobsbawm de economische ontwikkeling als uitgangspunt neemt, meer voor de hand liggen om de periode 1929-73 te zien als logische eenheid. Maar dat wordt een wel erg korte twintigste eeuw. Ponting stelt dat het eigenlijk onmogelijk is om een chronologisch kader te construeren waarin niet alleen alle ontwikkelingen op economisch, maatschappelijk, politiek en cultureel gebied passen, maar dat bovendien ook toepasbaar is op alle delen van de wereld. Daarom kun je maar het beste gewoon beginnen bij 1900 en eindigen bij 2000, zonder te suggereren dat deze jaren een meer dan toevallige betekenis hebben. Niet alleen de chronologie vormt bij een wereldgeschiedenis een probleem, ook het geografische kader. Hobsbawm denkt als het gaat om politiek in de termen Oost-West, terwijl hij in zijn economische analyse de tegenstelling Noord-Zuid hanteert. Ponting vindt dit verwarrend en onjuist, en hij sluit aan bij de indeling van Immanuel Wallersteins Modern World System, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen de economische kernlanden, de semi-periferie en de periferie. Hij wijst erop dat boeken als deze worden geschreven door en voor goed opgeleide, uit de middenklasse afkomstige burgers in West-Europa, de Verenigde Staten of Australië. Hun ervaringen in en beleving van de twintigste eeuw zijn bepaald niet te vergelijken met die van de meeste mensen die vanaf 1900 geleefd hebben en die in meerderheid landbouwers op of onder het bestaansminimum waren. Als voorbeeld van mensen voor wie deze eeuw een aaneenschakeling van rampen is geweest, neemt Ponting iemand die rond 1900 in de Oekraïne is geboren. De Eerste Wereldoorlog, de revolutie en de burgeroorlog, de collectivisatie van de landbouw en de daarmee gepaard gaande hongersnoden, de stalinistische terreur, de Duitse bezetting, de 'bevrijding’ door de Russen en de grootscheepse deportaties - dat alles maakte de kans op een niet-natuurlijke dood wel erg groot. Wie al deze rampspoed tóch overleefde, liep op hoge leeftijd alsnog de kans slachtoffer te worden van de nucleaire ramp in Tsjernobyl. Omdat Ponting het eurocentrische perspectief wil vermijden en een chronologisch verhaal onmogelijk recht kan doen aan het tempo van en de verschillen in ontwikkeling in de verschillende delen van de wereld, heeft hij gekozen voor een thematische aanpak. Na in een aantal hoofdstukken de sociaal-economische ontwikkelingen en de internationale verhoudingen te hebben geschetst, gaat hij in op de 'binnenlandse politiek’, maar ook daar maakt hij geen onderverdeling naar landen of regio’s maar naar onderwerp. Zo besteedt hij onder meer aandacht aan thema’s als traditionalisme, fascisme, dictatuur, democratie, revolutie, staatsrepressie en genocide. Het voordeel van deze aanpak is dat Ponting duidelijke verschillen kan laten zien tussen de verschillende delen van de wereld, zodat het voor ons vanzelfsprekende Europese perspectief voortdurend ter discussie wordt gesteld. Een voorbeeld is Pontings beoordeling van de positie van China. Terwijl de economische macht van Europa geleidelijk minder groot wordt, neemt die van China sterk toe. In 2010 zal China in economisch opzicht de grootste mogendheid zijn, zodat een historicus over enkele tientallen jaren vermoedelijk de hereniging van China in 1949 als de belangrijkste gebeurtenis van de twintigste eeuw zal zien. Het nadeel van Pontings benadering is een, om met Jan Romein te spreken, 'vergruisd beeld’, waarin de chronologie soms onduidelijk wordt. De wel erg hoge 'vogelvlucht’ heeft als grootste nadeel dat het zicht op de concrete geschiedenis wat wazig wordt. DIAMETRAAL tegenover de aanpak van Ponting staat het werk van Martin Gilbert. Deze Churchill-biograaf heeft bijna vijftig boeken op zijn naam. Gilbert is een bijna maniakale verzamelaar van gegevens, die hij vervolgens chronologisch ordent. Elk hoofdstuk van de eerste twee delen van de geplande trilogie over deze eeuw beslaat één jaar, al worden cruciale jaren als bijvoorbeeld 1914 en 1945 gesplitst. Met zijn ongekende hoeveelheid feiten en feitjes weet Gilbert een vlot leesbaar en meeslepend verhaal te construeren. De geschiedenis komt heel dichtbij. Zo maken we op 10 september 1916 de eerste Engelse aanval met tanks mee, waarbij de latere premier Harold Macmillan zwaar gewond werd. In 1945 zijn we getuige van Churchills overwegingen bij de beslissing om de eerste atoombom te gooien, en vijf jaar later maken we in Korea het eerste gewapende treffen met Chinese soldaten mee. Dat deze voorbeelden alle betrekking hebben op oorlogen is geen toeval. Gilbert beperkt zich vrijwel uitsluitend tot een beschrijving van de politieke ontwikkelingen, en die liepen in deze eeuw van gewapend conflict naar gewapend conflict. Dat de voorbeelden van de ooggetuigen die Gilbert opvoert allemaal Europeanen, beter gezegd Britten zijn, is evenmin toeval. Hoewel hij conflicten over de gehele wereld beschrijft, is zijn visie uitgesproken eurocentrisch. De sociaal-economische ontwikkelingen, de cultuur en de niet-westerse samenlevingen komen in deze lekkere leesboeken nauwelijks uit de verf. Gilbert heeft een uiterst rijke tijdbalk vervaardigd, maar elke structuur is zoek. WIE DE BOEKEN van Ponting en Gilbert naast elkaar legt, moet wel tot de conclusie komen dat deze twee totaal verschillende uitgangspunten niet te verzoenen zijn. Je kunt niet tegelijkertijd op sociaal-economisch, politiek en cultureel gebied structuren blootleggen, samenhangen schetsen, (tempo)verschillen in ontwikkeling duidelijk maken én een chronologisch overzichtelijk verhaal vol menselijke details vertellen. Je zult keuzen moeten maken. Of je beperkt je tot een bepaald thema, of je besluit af te zien van een echte wereldgeschiedenis en kiest één regio uit. Marinus Schroevers heeft zich in zijn trilogie De twintigste eeuw: Een cultuurgeschiedenis van het westen zoals al uit de ondertitel blijkt in beide opzichten beperkingen opgelegd. Deze boeken verschenen alweer enige tijd geleden, maar ze zijn door de kritiek goeddeels genegeerd. En terecht. De drie delen ogen veelbelovend, maar ze maken de belofte beslist niet waar. Schroevers had de ambitie de samenhang en verscheidenheid van de westerse cultuur in de twintigste eeuw aanschouwelijk te maken. Het werk hangt aan elkaar van pretentieuze en onleesbare zinnen als deze: 'Dit christelijk geloof had zich al eerder meegedeeld aan de Romeinse cultuurpendant, het schoof zelfs reeds een enkele maal als een vallende ster door de nachtelijke hemel van de Griekse oudheid, in de eeuwen dat alleen de verliefden en de denkers des nachts wakker lagen.’ De boeken vormen niet meer dan een etalage voor de belezenheid van Schroevers die, als het jongetje op zijn eerste fietsje, overmoedig roept: 'Kijk mama, met losse handen!’, maar uiteindelijk op zijn gezicht gaat. NIET MINDER overmoedig, maar veel beter overeind blijvend, is de jonge Britse historicus Mark Mazower, die zich met zijn Dark Continent tot Europa heeft beperkt. Reeds uit de titel, die suggereert dat we te maken hebben met een achterlijk en barbaars werelddeel, blijkt de ongewone en frisse kijk op een toch wel afgekloven onderwerp. Veel dat vanzelfsprekend lijkt, zet Mazower op losse schroeven. Zo gaat vrijwel iedereen ervan uit dat Europa een stokoud werelddeel is, terwijl Mazower er terecht op wijst dat de huidige kaart van Europa in weinig lijkt op die van 1913. Maar het belangrijkste in Mazowers boek is dat hij de overwinning van de liberale democratie, die na 1989 compleet leek, niet ziet als een evidentie. Hij laat heel duidelijk zien dat het, na de korte euforie die volgde op de Eerste Wereldoorlog, al spoedig vrijwel gedaan leek met die democratie. De economische crisis en het parlementaire gestuntel zorgden er in de jaren dertig voor dat nationaal-socialisme en fascisme voor velen acceptabel werden. Het is uiteindelijk Hitler geweest die door zijn expansionisme en racisme te ver door te drijven de democratie aan haar nipte overwinning hielp. Evenals Hobsbawm gaat Mazower uit van het idee van de 'korte’ twintigste eeuw. Als belangrijkste tegenstelling ziet hij echter niet die tussen kapitalisme en communisme, maar die tussen de liberale democratie enerzijds en communisme en fascisme anderzijds. Opvallend is de relatie die hij legt tussen de opkomst van de nieuwe democratieën in Centraal- en Oost-Europa na de Eerste Wereldoorlog, en het toenemende antisemitisme. In de landen die voor 1914 deel waren van oude rijken als Oostenrijk-Hongarije, Rusland of Turkije was de politieke stabiliteit veelal gebaseerd op loyaliteit aan de regerende dynastie. Na 1918 verdween dit bindmiddel. In de op het idee van de volkssoevereiniteit gebaseerde democratieën begon de notie van nationale gemeenschap een steeds grotere rol te spelen. De burger was niet langer loyaal aan de vorst, maar aan de groep waartoe hij behoorde. Hierdoor ontstond al snel een onderscheid tussen 'wij’ en 'zij’. In deze landen waren het volgens Mazower vooral de vooruitstrevende liberalen die de vorming van een nationale eenheid trachtten te bevorderen door discriminatie van etnische, nationale en religieuze minderheden. Het antisemitisme van Hitler was allesbehalve een anomalie; het laat zien welke schaduwzijden de democratie kan hebben. Wat dat betreft waren de ontwikkelingen op de Balkan na 1989 te voorzien geweest en zou je bijna gaan denken dat mensen uit de geschiedenis nog iets kunnen leren.