DE KRACH EN DE GEVOLGEN

De uiengeur van de depressie

Door de crisis die de wereld in zijn greep heeft worden er vaak vergelijkingen getrokken met de grootste economische depressie van de laatste eeuw, die van de jaren dertig. Gaat de huidige kredietcrisis dezelfde gevolgen krijgen als de beurskrach van 1929? Een scherpe terugblik.

DE GEUR VAN UIEN bleef na de crisis van 1929 lang een ‘armoelucht’. Bij ons in de straat in IJmuiden woonde een groot Brabants gezin naast een poort. In die poort stonk het altijd naar uien. Die ‘stank’ hing ook aan de kleren van de kinderen uit dat gezin. Op school werden ze daarom gemeden. Van familieleden op het land kregen ze balen uien om in leven te blijven. Aardappels en uien waren hun belangrijkste voedingsmiddelen. Toch was in die tijd de ui de beste vriend van de armen. Die gedachte kreeg later vorm bij het lezen van de prachtige Oda a la Cebolla van de beroemde Chileense dichter Pablo Neruda. Een ui maakt een karig maal smakelijk. Met bonnen van de ‘B-steun’ mochten werklozen pakjes ‘onvermengde margarine’ voor elf cent kopen in de winkel van het Crisiscomité in de Frans Naereboutstraat. Er werden daar ook gehakt en spinazie in blik en dikke borstrokken verkocht. Het verplichte ‘Rijwielplaatje’ werd gehaat. Het kostte een rijksdaalder en moest op de voorstang van de fiets worden bevestigd. Werklozen die deze ‘belasting’ niet konden betalen, kregen een plaatje met een groot gat erin.
Kinderen van werklozen kregen op school bijvoeding uit de Centrale Keuken: ’s maandags snert, op zaterdag rijst met krenten. Kinderen van de werkers op de Hoogovens waren rijk in hun ogen. Ze hadden zelf niets om tegen op te kijken. Hun moeders waren altijd bang om zwanger te worden. Van voorbehoedmiddelen hadden de meeste vrouwen nog geen notie. Ze liepen met betraande gezichten als ze ‘over tijd’ waren. Straks weer een mondje erbij dat gevoed moest worden. Hun mannen hadden alleen nog het bed. Vaak stonden ze doelloos op de hoek van een straat. Later werden ze opgeroepen voor het aanleggen van projecten zoals het Amsterdamse Bos en het Kralingse Bos in Rotterdam met de schop en kruiwagen in het kader van de ‘Werkverschaffing’. Opzettelijk werden ze naar ver van hun woonplaats gelegen projecten gedirigeerd, zodat ze in barakken moesten overnachten en alleen op zaterdagavond en zondag thuis konden zijn.

‘Een Krach op de beurs en m’n zaken failliet. Aan flarden m’n hele bestaan’, zong in die dagen een steeds groter wordend koor van straatzangers in navolging van de populaire zanger Willy Derby. ‘Een vriend die me hielp? Ach, die vond ik toen niet. Ze lieten het Noodlot begaan. En drie maanden later, toen greep het m’n vrouw. En gaf haar een kerel met geld. ’t Was uit met de liefde. ’t Was uit met haar trouw. Ze was zo op weelde gesteld.’ Zes lange coupletten vol tegenslag. Daarna steeds met lange uithalen het trotse refrein. ‘Maar onder m’n lompen, daar draag ik nog iets. Waarmee ik de wereld tart. Daar klopt en daar leeft. Daar lijdt en daar beeft. M’n fiere schooiershart!’ De langdurige crisis van de jaren dertig heeft een weelde van dit soort smartlappen opgeleverd.
De Limburgse mijnwerkers zongen het Bergmanslied: ‘Ontelbare malen ben ik afgedaald. In die eenzame donkere mijn. Altijd vrolijk en even blij. Totdat ’t noodlot voor mijn deur stond. Dat ik ook werkloos geworden zij.’ De Chinese zeelieden die door het opleggen van hun schepen in Amsterdam waren gestrand, kregen hun eigen lied toen ze uit nood met een broodtrommel aan een riem om hun hals de boer op gingen om stropdassen, kammen en blokjes pinda’s in gebrande suiker aan de man te brengen. Het refrein van dat lied luidde: ‘Pinda Pinda, Lekka Lekka. Als je maar vijf centen biedt. Pinda Pinda, Lekka Lekka. Of je kauwen kan of niet.’ De parodie op het door de Andrew Sisters beroemd geworden Jiddische Bei mir bist du schön werd razend populair. Het refrein luidde: ‘Bei mir bist du schön. We leven van de steun. We eten van het Crisiscomité. We eten vlees uit blik. Van een bedorven sik. We krijgen erwtensoep. Zo dun als koeienpoep.’

De ellende begon in de Verenigde Staten op dinsdag 3 september 1929, de heetste dag van het jaar in New York. Deze derde september is de geschiedenis ingegaan als de dag waarop de ‘Grote Depressie’ begon. De productie was in de voorgaande jaren in de VS nooit zo groot geweest. De aandelen op de beurs in Wall Street beleefden een langdurige hausse. Mensen geloofden in wonderen. Mensen werden rijk. De Saturday Evening Post publiceerde een gedichtje ter illustratie van het geloof in rijkdom:
‘Oh, hush thee, my babe, granny’s bought some more shares
Daddy ’s gone out to play with the bulls and the bears.
Mother’s buying on tips, and she symply can’t lose
And baby shall have some expensive new shoes!’
Alexander Dana Noyes, de befaamde financiële redacteur van The New York Times, geloofde niet in sprookjes. Het ging volgens hem helemaal niet goed in Wall Street. De hoofdredacteur van The Commercial and Financial Chronicle zei ronduit dat Wall Street zijn verstand had verloren. Hij waarschuwde voor het steeds wijder verspreide systeem van het kopen van aandelen op prolongatie om snel rijk te worden. Het met geleend geld kopen en met winst verkopen van aandelen was een nationale gekte geworden. Er was echter sprake van overproductie in de landbouw en de industrie. De Amerikaanse boeren waren na de grootscheepse voedselleveranties aan Europa tijdens de Eerste Wereldoorlog niet in staat geweest hun productie aan normale omstandigheden aan te passen en leden armoede. De lonen van de fabrieksarbeiders waren te laag om alle producten te kopen die door de mechanisering in steeds groter wordende hoeveelheden werden geproduceerd. Het nationale inkomen in de Verenigde Staten was in 1929 zeer ongelijk verdeeld.
1929 was het jaar van de mythe. Wie weet waarom duizenden Amerikanen na het verlagen van het discontotarief van vier tot 3,5 procent plotseling met geleend geld gingen speculeren op de effectenbeurs? Waarom hingen duizenden goedgelovigen aan de lippen van de grote beursgoeroes uit die dagen? Waarom stuurden zij woedende brieven naar de waarschuwende Alexander Dana Noyes van The New York Times? Zinsbegoocheling? Economisch onverstand? Te vast geloof in de Nieuwe Tijd met zijn records en technisch vernuft, zijn steeds grotere schepen, vliegtuigen, zeppelins, radio, tv, eeuwige vrede? Het resultaat van dit alles was in elk geval rampzalig.
Met een omzet van 4.438.910 aandelen kwam op de New Yorkse effectenbeurs op 3 september 1929 plotseling een einde aan de grote hausse van de jaren twintig. Op 5 september daalde de index van deze beurs met tien punten. ‘Vroeg of laat komt er een Krach en die Krach kan verschrikkelijk zijn’, zei de financier Roger Babson op die dag in een rede voor zakenlieden. Hij voorspelde dat de Dow Jones Index zou dalen met zestig tot tachtig punten: ‘Fabrieken zullen sluiten. Mensen zullen worden ontslagen. De vicieuze cirkel zal op volle kracht gaan werken en het gevolg zal zijn een ernstige crisis in het economische leven.’
Op ‘Zwarte Donderdag’, 24 oktober 1929, vervloog de droom van de Amerikaanse bovenlaag in rook. 12.894.650 aandelen gingen tegen verpletterend lage prijzen van de hand. Wilde geruchten deden de ronde. Elf speculanten zouden zich van het leven hebben beroofd. Om twaalf uur kwam een groep bankiers bijeen in het kantoor van J.P. Morgan en Co. op 23 Wall Street. De bankiers overwogen uit eigenbelang het verlenen van ‘georganiseerde steun’ aan de beurs.
Op ‘Tragische Dinsdag’, 29 oktober 1929, volgde de genadeslag. De steun van de bankiers had niet geholpen. Miljonairs werden in een paar minuten straatarm. Bankiers beroofden zich met revolverschoten van het leven. Later bleek dat mee te vallen. Er waren niet zo veel zelfmoorden gepleegd. Maar de bodem was uit de markt. Zestien miljoen aandelen veranderden voor spotprijzen van eigenaar. De lange mars voor miljoenen in armoede wierp zijn schaduwen vooruit.
De werkloosheid in de Verenigde Staten steeg van maart 1930 tot maart 1933 onafgebroken van 3.250.000 tot 14.300.000 mensen. Een kwart van de beroepsbevolking. Ontstellend veel mensen raakten op drift in de hoop op het platteland met druivenplukken of iets anders wat te verdienen. In de parken van de steden ontstonden bidonvilles van kratten en golfplaten, gebouwd door mensen die hun huur niet meer konden betalen. De bidonville in Central Park, dicht bij de obelisk in New York, werd ‘Hoover Valley’ genoemd. Eén man noemde zijn bouwsel ‘Radio City’. Bij hem kwam de bevolking van Hoover Valley naar de nieuwsberichten luisteren. Hij was de enige bezitter van een radiotoestel. Een ander doopte zijn onderdak ‘Custer’s Last Stand’.
De prijsdaling van agrarische en industriële producten en de stijging van de werkloosheid kwamen hard aan in het oude Europa. Er was hier al veel werkloosheid. In Duitsland maakte het nationaal-socialisme zich breed met de belofte van Hitler dat hij de Duitse arbeiders werk zou verschaffen. In Italië was met Mussolini het fascisme reeds aan de macht. Nederland ging het ook niet voor de wind. Door de val van de Österreichische Credit-Anstalt op 11 mei 1931 liep de gehele internationale kredietverlening vast. Duitsland werd in die val meegesleept. De buitenlandse crediteuren van dat land werd een Stillhalte van zes maanden opgelegd waarin zij hun vorderingen niet mochten opeisen.
Engeland zag zich gedwongen de gouden standaard te verlaten. Het pond verloor in één klap twintig procent van zijn waarde. Veel landen gingen ook over tot devaluatie van hun munt, andere landen kozen voor deviezenrestricties. Het gevolg was het ineenschrompelen van het internationale handelsverkeer. Alle landen beperkten hun invoer en trachtten hun uitvoer te vergroten. De wereldmarkt verviel daardoor tot een ordeloos conglomeraat van nationale markten.
De in Nederland al in 1928 begonnen daling van het prijsniveau zette zich in een versneld tempo voort. Veel groenten en fruit werd op de veilingen doorgedraaid. Duizenden kilo’s tomaten belandden op de mestvaalt. De bedrijvigheid holde achteruit. Steeds meer vrachtschepen werden opgelegd. Het kabinet van jhr. C.J.M. Ruijs de Beerenbroek, leider van de Rooms-Katholieke Staatspartij (RKSP), in 1929, en de drie opeenvolgende regeringen van Hendrik Colijn, voorman van de Antirevolutionaire Partij (ARP), reageerden met strenge bezuinigingen en het verlagen van loon en salarissen van het overheidspersoneel. ‘Wie maakt onze centen zoek? Honger Ruijs de Beerenbroek!’ riepen de werklozen die op straffe van inhouding van de ‘steun’ van aanvankelijk dertien gulden per week tweemaal per dag moesten stempelen. De gouden standaard werd star gehandhaafd. Colijn zag het loslaten van die standaard als diefstal. Het spaargeld van de mensen zou minder waard worden. Dat jarenlang volgehouden standpunt verzwakte de concurrentiepositie van Nederland tegenover de landen die hun nationale munt hadden gedevalueerd. Arbeiders, boeren en vissers, maar ook het bedrijfsleven groot en klein, rederijen en fabrieken leden onder deze monetaire politiek. Met de oproep ‘Koop Nederlandse waar, dan helpen wij elkaar’ probeerde Colijn de economie op gang te houden. Linkse socialisten reageerden met: ‘Colijn gij everzwijn. Weet ge wat ge doet? Gij stinkt naar rubber en Javaanderbloed.’ Hun woede mocht niet baten. In november 1930 was het aantal werklozen al groter dan ooit tijdens vorige depressies. In 1935 was in Nederland een half miljoen mensen werkloos op een bevolking van nog geen acht miljoen zielen. Mensen leden honger. Anderen werden gekweld door de angstige gedachte dat ze spoedig honger zouden moeten lijden. Velen ondergingen de vernedering van de armoede.

De vader van de koopvaardijveteraan Gerrit Winterswijk (90) was in de crisisjaren sleepbootkapitein. ‘Bij de Rotterdamse rederij van die sleepboot vielen elke week ontslagen. Ik was toen een jaar of dertien’, vertelt hij. ‘Elke zaterdag of zondag als mijn vader na een week varen thuiskwam, vroeg hij of er een witte envelop was bezorgd. Zijn rederij verzond de ontslagbrieven in witte enveloppen. Gelukkig is het voor hem niet zo ver gekomen, maar hij was ontzettend zenuwachtig als hij naar die envelop vroeg. Het was een heel nare tijd. Vrij dicht bij ons in de buurt woonde een sleepbootkapitein, die wel was ontslagen. Hij zat vaak met mijn vader op zondagmorgen bij ons in de tuin. Dan vertelden ze elkaar waar ze de hele week hadden rondgescharreld. Na zijn ontslag kwam daar meteen een eind aan. Ook zijn vrouw kwam niet meer bij ons over de vloer. Ik heb me altijd afgevraagd of zij zich schaamden voor dat ontslag.’
De gevolgen van de crisis van ’29 raakten vele lagen van de bevolking. De vader van mr. Aron de Vries (87) had een textielzaak in Leeuwarden. ‘Hij kocht kleding bij fabrieken en moest die betalen via een wissel. De termijn daarvoor was drie maanden, maar omdat hij steeds minder verkocht verkeerde hij voortdurend in paniek over het halen van die termijn.
Ik weet dat hij heel hard moest sappelen om zijn hoofd boven water te houden. Elke vrijdag stond hij met kleding op de markt in Leeuwarden. Ik herinner me dat een ouderling in zijn winkel kwam. Die droegen vroeger gestreepte fantasiebroeken. Hij moest er een hebben. Nou, zei mijn vader, ik heb er wel één in mijn magazijn. Achter in de winkel riep hij mij apart en fluisterde dat ik als de bliksem naar C&A moest rennen om voor twee piek zo’n broek te kopen. Hij hield die ouderling aan de praat tot ik terugkwam en verkocht die broek aan hem met twee kwartjes winst.’
De vader van Johannes W. Beeling (89) had grote moeite om zich als makelaar te handhaven. ‘Hij had geen eigen kantoor, maar kwam met andere makelaars bijeen in een bekend café-restaurant in Rotterdam om zaken te doen’, vertelt hij. ‘Er was in die jaren nauwelijks meer een huis te verkopen. De crisis duurde veel te lang. Hij teerde steeds meer in op zijn vermogen. Op het laatst was hij blij dat hij het leven had. Alles werd heel goedkoop. Een Scheveningse slager hing een zij spek aan zijn gevel. Iedereen mocht er een stuk afsnijden. Hij wilde daarmee klanten winnen. Als militair in het Fort Erfprins in Den Helder heb ik op Duitse vliegtuigen geschoten en daarna twee jaar in krijgsgevangenschap doorgebracht, maar de crisisjaren vond ik erger dan de oorlogsjaren.’
Pieter de Visser (85), oud-sluismeester van de Volkeraksluis, is bijgebleven dat vanuit zijn woonplaats Willemstad en Brabant een trek op gang kwam van werklozen naar Rotterdam omdat daar de steunnormen hoger waren. ‘In Merijntje Gijzen’s jeugd heeft A.M. de Jong dat vastgelegd’, zegt hij. ‘Die trek leidde tot verpaupering van de volkswijken in Rotterdam.’ Een ander kwalijk gevolg van de crisis waardoor De Visser zelf werd getroffen, was het vanwege de kosten onthouden van voortgezet onderwijs aan kinderen: ‘Wij hadden het thuis redelijk goed. Vier van de vijf kinderen in ons gezin konden goed leren, maar voor vervolgonderwijs moesten we naar Breda of Oud-Beijerland. Dat werd te duur. Wat hij niet voor vier kon doen, wilde mijn vader ook niet voor één doen. Er was dus geen geld voor. Later hebben we onze achterstand wel ingehaald.’

In het voorjaar van 1933 bereikte de depressie haar dieptepunt. Wereldwijd werd het aantal werklozen op dertig miljoen geschat. Veel landen gingen in het kielzog van Engeland over op het voeren van een doelbewuste economische politiek. Nazi-Duitsland wakkerde de latent aanwezige oorlogsdreiging in Europa aan met herbewapening, dienstplicht en de aanleg van Autobahnen. De wijze waarop Nederland nog steeds met bezuinigingen probeerde de crisis te beteugelen, vormde een schril contrast met de poging van president Roosevelt om de Verenigde Staten uit het slop te halen. Op onorthodoxe wijze trachtte hij na zijn verkiezing in 1932 met een ‘New Deal’ de stagnerende economie van de VS nieuw leven in te blazen. Twee dagen na zijn aantreden sloot hij om een einde te maken aan de Bankrun met een Bank Holyday alle banken voor vier dagen, totdat het Congres in speciale zitting bijeen kon komen. Daarmee maakte hij duidelijk dat het hem ernst was om met een Emergency Banking Act het failliet gaan van banken een halt toe te roepen en de kredietverlening op gang te brengen.
De legendarische Amsterdamse fotojournalist Kees Scherer (1920-1993) groeide op in de Jordaan. In 1929 woonde het gezin Scherer op de Lijnbaansgracht één hoog in een zogenaamde halve woning. De gang stonk naar de poepdoos, die ook door de bewoners van de andere halve woning werd gebruikt. Tijdens de depressie werd het makkelijker om naar een wat betere woning in de Nieuwe Leliestraat te verhuizen en in 1933 naar de Van Beuningenstraat in de Staatsliedenbuurt. Er stonden veel huizen leeg, vertelde Scherers zuster mij destijds voor het schrijven van een portret van Kees voor het fotoboek Het Amsterdam van Kees Scherer. Veel mensen konden geen huur meer betalen. Huiseigenaren lokten nieuwe bewoners met gratis zeil als vloerbedekking en enige weken vrij wonen. Op 4 juli 1934 sloeg in de Jordaan de vlam in de pan. De ‘steun’ aan de werklozen was verlaagd van 12,72 gulden tot 11,71 gulden per week. Dat was een inkomen waarvan geen enkel gezin rond kon komen, al kostte een tramkaartje elf cent en een pakje sigaretten drie stuivers. Kees Scherer was als veertienjarige jongen getuige van het overslaan van het oproer in de Jordaan naar zijn nieuwe buurt. Bij dat oproer vielen zes doden en dertig gewonden.
IJmuiden, het in 1876 geboren ondergeschoven kind van Amsterdam, was tijdens de crisis ook een roerig oord. Op zaterdag probeerden met de Fakkel ventende linkse socialisten Volk en Vaderland aanbiedende NSB’ers in de vijver op het Kennemerplein te gooien. In de harde winter van ’33 brak in de Vissershaven een verwoestende staking van zes maanden uit van vissers, ‘kaairidders’ (vislossers) en kolenwerkers. Volle vuilnisbakken vlogen door de ramen van werkwilligen. De huur in het ‘Rooie Dorp’, een arbeidersbuurt in IJmuiden-Oost, bedroeg 3,80 gulden per week. De bewoners konden dat niet meer opbrengen. Ze deden alsof ze niet thuis waren als ze ‘Smitje’, de huisbaas, zagen naderen om dat bedrag te innen. Als ze helemaal geen cent meer in huis hadden, verbraken ze het loodje van hun met dubbeltjes te voeden gasmeter.
Erg voor de kinderen was het door Theo Thijssen in Het taaie ongerief schitterend beschreven kleding- en schoenenvraagstuk. In te groot voor hen gekregen afdankertjes leken ze soms op vogelverschrikkers. Voor wat geborgenheid legden families vaak hutje bij mutje voor een gezamenlijke broodmaaltijd op zondag. Máár als ze in de verte Simon de Wit tingelend met z’n ijscokar hoorden aankomen, sprongen ze op voor een wilde rondedans met hun kinderen. ‘Nou is het wel weer genoeg’, kregen die te horen als het gevaar was geweken. Een torentje ijs kostte bij Simon één cent. Dat was in die dagen een cent te veel. Werklozen ondernamen van alles om aan de kost te komen. Huug Plug, een man met een prachtige tenorstem, ging met zijn zuster op straat aria’s zingen in deftige buitenwijken van Haarlem. Op 27 december 1936 zwichtte de regering-Colijn eindelijk voor de druk om de gouden standaard los te laten. Binnen enkele dagen daalde de goudwaarde van de gulden met twintig procent en kon ook Nederland profijt trekken van de conjunctuurstijging. Een lichtpunt werd de bouw van het passagiersschip Nieuw-Amsterdam in 1937. Het werd het symbool voor de komst van betere tijden. Maar het waren de verhoogde uitgaven voor defensie die voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog later dan in alle andere Europese landen in Nederland voor een economische opleving zorgden.

Dick Schaap (1928) is freelance journalist en schrijver van non-fictieboeken. In mei van dit jaar verscheen zijn boek De grootste duikbootoorlog uit de geschiedenis: The Battle of the Atlantic