Jos Joosten, Onttachtiging

De uitgeperste sinaasappel

In de essaybundel ‹Onttachtiging› maakt Jos Joosten een onderscheid tussen goede en slechte poëzie. Hij eigent zichzelf een positie toe waarin hij geen rekenschap hoeft af te leggen voor zijn selectie. Tragisch.

Wat zijn goede en slechte gedichten? Steeds vaker lees je pogingen om een beslissende indeling te maken. «De honderd beste gedichten van 2002», «De beste dichters van de laatste eeuw». Waarom zou dat niet met dichters en gedichten kunnen als het ook met reisbureaus en wasmachines kan? Kom je als dichter op de lijstjes voor, dan zit je goed; sta je er niet bij, dan moet je het zelf maar weten. Ook in de wat serieuzere artikelen over poëzie zie je de laatste tijd een sterke neiging om het kaf van het koren te scheiden. Dit is goed en dit is niet goed, deze poëzie «telt» en die niet. Het kwaliteitsdenken staat zoals altijd voorop: wat goed is, is nu eenmaal goed en komt snel. Je hoeft als poëziekenner alleen maar over de juiste antenne te beschikken om het te kunnen zien, de rest is gebeuzel in de marge.

Dirk van Bastelaere deed vorig jaar in zijn essaybundel Whhhooosshh een scherpe aanval op «kleinburgerlijke poëzie» waarmee het nu maar eens afgelopen moest zijn. Ik was het gloeiend met hem eens, want ook in mijn gedichten wil ik ten koste van alles voorkomen kleinburgerlijk te zijn en precies Van Bastelaere schijnt haarscherp aan te voelen hoe dat moet. Het is een talent en hij heeft het, vooral omdat hij zelf niet kleinburgerlijk is.

Ik ben een liefhebber van dit soort artikelen omdat ze alles zo mooi en duidelijk in schematische betogen op een rijtje zetten en veel inzicht geven in de denkwereld van de schrijvers ervan. Natuurlijk ook omdat ik ergens bij wil horen en eindelijk kan lezen waarbij. Zelf maak ik ook indelingen, maar uit valse bescheidenheid en lafheid publiceer ik die niet. Ik vind meestal alleen gedichten van mezelf en van bevriende dichters goed of van oude dichters waar mijn moeder erg van hield, zoals De Genestet, Dèr Mouw, Ida Gerhardt, Guido Gezelle en Martinus Nijhoff. Dat waren nog eens dichters, daar kunnen ze tegenwoordig een puntje aan zuigen.

Onlangs verwierp Ilja Leonard Pfeijffer in De Revisor poëzie die niets anders is dan «een uitgewerkt ideetje». Slechte poëzie is geschreven «volgens de principes van een auteur die denkt in ideeën, schema’s en plotlijnen, niet door een dichter die denkt in termen van klank, muziek, ontworteling, verwarring en taal». In hetzelfde artikel maakte hij gehakt van de poëzie van Van Deel, Nooteboom en Mulisch. Deze dichters denken namelijk wel in schema’s, hanteren potsierlijke beelden en schrijven in het algemeen wanna be-poëzie.

Het is toch maar gezegd, denk ik altijd bij dit type essayistiek, gelukkig dat het alweer niet over mij ging. En wie weet heeft hij nog gelijk ook en is het allemaal niks wat deze dichters ervan bakken. Dat Pfeijffer in zijn essay een klassieke cirkelredenering voltrekt, die voorschrijft dat je altijd in literatuur vindt wat je wilt vinden als je maar lang genoeg zoekt, neem ik dan maar op de koop toe. Je kunt niet alles willen.

Maar wat vindt hij wél goed? Poëzie die «uit het lood hangt», waarbinnen sprake is van «gevaarlijk knarsen», die «niet af» is, die «niet klopt», die «zingt». Ik heb veel zin om het helemaal met hem eens te zijn, want poëzie die «zingt» en «onaf» is, moet wel goed zijn, al was het alleen maar omdat dit zo goed klinkt. Verderop staat: «Poëzie is niet het domein van de heldere geest met een helder inzicht, maar van onrust, onderbuik en ontworteling.» Ineens hoor ik mezelf dertig jaar geleden tijdens de eerste les van de twaalfdelige cursus De Vijftigers over Rimbaud vertellen. Dat was nog eens poëzie jongens, ja, toen was poëzie nog poëzie, een dichter nog een dichter en Rimbaud was vooral helemaal Rimbaud, die tijd komt niet weer.

Alle voormalige avant-gardekretologie uit de jaren 1910-1930 en 1960-1970 begint ineens in Pfeijffers artikel over tafel te vliegen: «ontworteling», «incoherentie», «chaos», «onafheid», «onvoorspelbaarheid» als kenmerken van de juiste poëzie. Hij haalt zonder enige aarzeling dit uitgekauwde denkschema van stal om er de aanval mee te openen op dichters die «in schema’s denken». Tel uit je winst. Graag hoor ook ik tot de groep dichters die ertoe doen, ook al omdat ik nu eenmaal overal bij wil horen, anders is het zo zielig. Misschien wil meneer Pfeijffer me dispensatie geven en mag ik tijdelijk, bij wijze van hoge uitzondering, nog voltooide gedichten schrijven die niet de hele tijd «zingen». Als ik het hem beleefd vraag, moet het lukken.

In de essaybundel Onttachtiging maakt ook Jos Joosten een onderscheid tussen goede en slechte poëzie. Hij constateert dat er geen elkaar bestrijdende poëtische generaties meer bestaan. Geen Tachtigers meer, geen Vijftigers en zeker ook geen opvolgers. Hij laat zien dat het begrip «generatie» een negentiende-eeuwse uitvinding is die kunstenaars destijds gebruikten om zich binnen allerlei kunst instituties een plaats te verwerven.

Joosten heeft het terecht over een «komedie» wanneer hij de Maximalen en de Nix-generatie noemt, die een tiental jaar geleden met generatiejargon een poot aan de grond probeerden te krijgen. Ook maakt hij duidelijk dat voor «literaire revoluties» wel meer nodig is dan een grote bek. Volgens hem — en hier beroept hij zich op Pierre Bourdieu — hebben literaire revoluties maatschappelijk revolutionaire bewegingen nodig willen ze wortelen in de literaire instituties.

Maar er is een probleem. Er heerst sinds het einde van de «generatiestrijd», sinds de Tachtigers en de Vijftigers dus, rondom poëzie een toenemend liberale houding, vindt Joosten, die inhoudt dat je alles wel zo ongeveer goed mag vinden, van light verse tot onbegrijpelijk geneuzel. We zouden volgens deze tendens niet meer moeten zeuren over de verschillende poëticale uitgangspunten. Toonaangevende generaties bestaan niet meer, voor zover ze bestaan hebben, dus valt voor alle poëzie wel iets te zeggen. Laat alle gedichten bloeien. Maar hij wenst zich hierbij niet neer te leggen, je moet als poëziebespreker volgens hem altijd een streng onderscheid maken tussen de goede en de slechte poëzie. Want daar gaat het om in de poëziebeschouwing.

Als meest afschrikwekkend voorbeeld van «slechte» poëzie citeert hij een fragment uit een gedicht dat Willem Wilmink schreef naar aanleiding van de vuurwerkramp in Enschede en dat aldaar in de wijk in een gedenksteen is geplaatst. Hij citeert de volgende strofe: «Nu is in de heerlijke maand mei,/ bij vogelzang, zo vrij en blij,/ de stad opnieuw iets aangedaan/ dat nooit en nooit voorbij zal gaan». Joosten vindt dit: «Een rampgedicht, inderdaad. Het is hard zoeken naar meer clichés, stoplappen en ritmisch vulsel per vierkante meter in de recente Nederlandse poëzie.»

Hij verwerpt met veel aplomb iedere verdediging van dit gedicht, omdat het nu eenmaal een «poëtische wanprestatie is». Aan de ene kant is het imago van de dichtkunst volgens hem tegenwoordig veel beter dan het vroeger was, «terwijl tegelijkertijd minder mensen dan ooit maar enig benul hebben van wat poëzie eigenlijk is». Weten wat poëzie eigenlijk is, daar gaat het Joosten om en daar schrijft hij in zijn bundel veel artikelen over. Maar zelfs de minste poging een gedenkgedicht als dat van Wilmink binnen een context van herdenken te plaatsen, dit gedicht dus een plaats te geven binnen een ritueel dat herdenken altijd is en wie weet ook moet zijn, wordt door Joosten niet ondernomen. Hij is op zoek naar de «eeuwige schoonheid» van poëzie, naar datgene wat dichtkunst volgens hem verbindt: historieloze schoonheid, losgezongen van alle contexten, het idee van tijdloze kwaliteit die door kenners, waarmee hij zichzelf bedoelt, keer op keer wordt gecelebreerd.

Ik wil niet helemaal uitsluiten dat het ene gedicht «mooier» of «beter» is dan het andere, maar het lijkt me goed om aan een dergelijke indeling altijd de vraag te relateren op welke gronden je als poëziebeoordelaar in staat bent te oordelen over gedichten. Welke posities neem je met je oordeel in binnen maatschappelijke en literaire instituties? Wat wil je met je indelingen in «goed» en «slecht» bereiken? Welke belangen dien je ermee? Wie sluit je met dit type uitspraken uit? In hoeverre ben je erop uit je eigen status van poëziekenner of deskundige op te vijzelen?

Joosten stelt zich deze vragen niet meer. Waar hij aan de ene kant aangeeft dat literaire bewegingen binnen maatschappelijke contexten bloeien en afsterven, maakt hij aan de andere kant een onhoudbaar onderscheid tussen «goede» en «slechte» poëzie omdat ze los staat van welke context dan ook.

Joosten besteedt in zijn bundel uitvoerig aandacht aan wat hij slechte poëzie noemt. Dat levert vermakelijke uitvallen op naar het werk van bijvoorbeeld J.C. Bloem, maar het is altijd vermaak met een nare nasmaak. Het is de vraag of deze exercities doel treffen, omdat ze weinig rekening houden met de poëticale uitgangspunten en debatten van die tijd en ook niet met wat lezers destijds tot hun repertoire van goede poëzie meenden te moeten rekenen.

Ook Jean Pierre Rawie en Anna Enquist moeten eraan geloven, en net als bij Pfeijffer blijkt hier weer dat je alles in literatuur kunt vinden als je maar lang genoeg zoekt en vooral als je van tevoren al goed weet waar je naar zoekt. Joosten ontluistert met veel bombarie gedichten van bijvoorbeeld Anna Enquist die hij doelbewust kwaadaardig leest: alles voor de goede zaak natuurlijk. Hij noemt «pathetisch zo’n beetje Anna Enquists middlename». Misschien heeft hij gelijk, het ligt eraan wat je in haar gedichten wilt zien en welke status je aan je blik wilt ontlenen, maar wat precies een poëticaal bezwaar tegen pathetiek is blijft in het midden.

Veel gedichten van door Joosten wel goedgekeurde dichters zijn een stuk pathetischer en bevatten veel van de modernistische en postmodernistische clichés die ook Pfeijffer zo bijzonder hoog inschat. Mooi voorbeeld zijn de met veel instemming geciteerde regels van Erik Spinoy uit het gedicht Fratsen waarin Joosten het «deviante» zeer «subtiel» verwoord ziet, maar waarin je even goed, als je een beetje kwaadaardig leest, een verbluffend gratuite en zelfmedelijdende zoveelste versie kunt zien van uitgekauwde neppoëzie: «Het verzet dat je pleegt/ is dat je weigert te spreken/ waar je zwijgen moet». Verzet in zoveel woorden geëxpliciteerd, met veel poeha geformuleerd, het is maar wat je «goed» vindt. Een andere dichter zou liever met beelden hebben gewerkt waarbinnen dat verzet zich sluipend aandient en onhoorbaar onder woorden is gebracht.

Tegenover de «slechte» dichters stelt Joosten «echte» dichters als Arjen Duinker, Tonnus Oosterhoff, Dirk van Bastelaere, Elma van Haren, Nachoem Wijnberg, Peter Verhelst, Astrid Lampe en nog zo’n tien anderen. Zij die ertoe doen dus. Het is de komende tijd oppassen geblazen voor deze uitverkorenen; voordat ze het weten heeft ook de kenner Joosten ze in allerlei rare denkschema’s gepropt, waar ze als dichter nu juist hun uiterste best voor doen niet in te passen.

Niet zelden vindt Joosten bij zijn helden erg goed wat je net zo goed flauw kunt vinden. Zo prijst hij Holvoet-Hanssens uitvoerige beeldspraak rondom de ontsnappingskunstenaar Houdini, terwijl de metaforiek van de «ontsnapping» binnen de romantische dichtkunst veel weg heeft van een uitgeperste sinaasappel waar je als niemand kijkt toch nog een extra druppel uit tevoorschijn kunt toveren. In bewondering is Joosten gul, in verkettering altijd een vrek. Bij door hem afgekeurde poëzie laat hij elke context weg, bij door hem goedgekeurde haalt hij er de hele wereld bij.

Joosten wil graag bij de «juiste» poëziekenners horen, zij die het «goed» zien en het «echt» weten, kortom, de machthebbers van de juiste smaak. Enige aarzeling daarover kent hij niet, omdat hij zich nu eenmaal na lange studie die juiste smaak heeft eigengemaakt en in de positie verkeert daarvan geen rekenschap meer te hoeven afleggen. Hij voelt gewoon dat hij er talent voor heeft. Dat hij daarmee volmaakt voldoet aan de omschrijving die Bourdieu geeft van de wijze waarop binnen de literaire instituties de machthebbers hun posities proberen te versterken, kun je ironisch noemen. Maar even goed ook tragisch. Hij probeert zelfs zijn goedgekeurde dichters te vrijwaren van iedere kritiek door te beweren dat zij zich onttrekken aan analyses die Bourdieu van literaire markten geeft. Volgens hem willen zij helemaal niet meer meedoen aan welke markt dan ook. Maar precies deze mooie, romantische pose hoort tot een veelbeproefde strategie van schrijvers om hun positie van kleine ondernemers op de literaire optiebeurzen te verstevigen.

Jos Joosten

Onttachtiging

Uitg. Vantilt, 310 blz., € 18,85