het einde van het westerse vooruitgangsgeloof

De uitgewoonde Verlichting

Als de toonaangevende Europese denkers van nu één ding gemeen hebben, is het wel een grondig wantrouwen ten aanzien van het Europese denken zelf en de Verlichting. Zo zwart als in John Gray’s Zwarte mis was dat nog niet verwoord.

‘Wie zou het over zijn hart verkrijgen Kant een overzicht te geven van de geschiedenis sinds 1795, het jaar waarin de filosoof zijn geschrift Zum ewigen Frieden uitgaf? Wat zou er gebeuren wanneer de jubilaris in hoogst eigen persoon onder de tijdgenoten verscheen? Wie zou de moed opbrengen hem in te lichten omtrent het peil der Verlichting – die uittocht van de mens uit zijn “zelfveroorzaakte onmondigheid”?’

Gedurende meer dan twintig jaar heeft deze retorische vraag, door Peter Sloterdijk afgevuurd in zijn geruchtmakende Kritiek van de Cynische Rede (1983), boven de filosofische markt gezweefd. Geen auteur durfde de handschoen op te nemen. En dat terwijl het genoemde geschrift van Immanuel Kant een regelrechte uitnodiging is om het genie van Köningsberg er eens flink met zijn eigen, legendarische wandelstok van langs te geven. Het is een zeldzaam naïef traktaat over wereldvrede, zo optimistisch en simplistisch dat de integrale toepassing ervan onvermijdelijk een wereldoorlog zou ontketenen. Als het iets bewijst, dan is het dat Kant geen benul had van de oorzaken en achtergronden van oorlog en vrede. Bodemloos Verlichtingsoptimisme kan enkel de weg effenen voor de grootst denkbare excessen. Dáárover zou iemand eens een goed boek moeten schrijven, denk je na het lezen van Zum ewigen Frieden.

Welnu, dat boek is onlangs verschenen. De durfal is John Gray, hoogleraar Europees gedachtegoed aan de London School of Economics, en hij beperkt zijn kritiek niet tot Kant. In Zwarte mis zegt Gray maar liefst de hele Europese humanistische traditie de wacht aan. De geschiedenis sinds 1795 is er een geweest van utopisch rationalisme, seculiere kruistochten en bloeddorstige pogingen tot wereldverbetering. Bewegingen die zich – net als Kants bovenvermelde geschrift – beriepen op de Rede, maar wortelden in dezelfde irrationele en tot mislukking gedoemde heilsverwachtingen als de millenaristische bewegingen van de hoge Middeleeuwen.

Kritiek op het ‘Verlichtingsproject’ (een term waarvan ook Gray toegeeft dat hij te vaag is en een te heterogene lading dekt om hem systematisch te gebruiken) is niet nieuw. Vooraanstaande auteurs van de Frankfurter Schule hebben reeds in de jaren vijftig het nazisme omschreven als een radicale triomf van de Verlichting. Volgens Horkheimer en Adorno was de Rede, aanvankelijk een middel tot geestelijke bevrijding, in de twintigste eeuw ontaard in een instrumentarium voor beheersing en onderwerping van de mens. De Franse ‘Nieuwe Filosofen’ kritiseerden in de jaren zeventig op dezelfde gronden de Sovjet-Unie en het ‘reëel bestaande communisme’. De communistische concentratiekampmaatschappij was het resultaat van een hardnekkig vooruitgangsgeloof dat een nieuwe mens wilde ontwerpen, zo niet goedschiks, dan maar kwaadschiks. Hun standpunten waren problematisch, maar het inzicht dat de Rede op zichzelf geen moreel richtsnoer is en dat kennis en macht een dubbelzinnige relatie onderhouden is sindsdien niet meer uit het intellectuele debat weg te denken.

Zo zout als Zwarte mis hebben we het echter nog niet eerder gegeten. Gray omschrijft de Verlichting zélf als een fanatieke millenaristische beweging, lijdend aan dezelfde doctrinaire verblinding en voortgedreven door hetzelfde vertrouwen dat de mensheid is voorbestemd om een paradijs op aarde te scheppen. De beweging was een voortzetting van het christendom met andere middelen. De Verlichting predikte dezelfde eschatologische boodschap, bedrieglijk verpakt in de parafernalia van de ratio en de moderne wetenschap: ‘De Verlichtingsfilosofen konden het christendom alleen uitbannen door het verlangen naar verlossing dat het had opgewekt te bevredigen. Ze konden niet erkennen wat vóór-christelijke denkers vanzelfsprekend achtten, namelijk dat de menselijke geschiedenis geen alomvattend doel heeft. Ze moesten terugvallen op een manicheïsche visie van de geschiedenis als een strijd tussen licht en duisternis. Het licht mag dat van de kennis zijn geweest in plaats van het goddelijke en het duister dat van de onwetendheid in plaats van het kwade, maar het wereldbeeld was hetzelfde.’

Het boek verwijst naar gezichtspunten uit Gray’s eerdere werk, zoals de opvatting dat de geschiedenis zich net zomin als de evolutie lineair ontwikkelt en dat de mensheid geen morele of politieke progressie vertoont. Maar het verwijst ook naar een aantal gemeenschappelijke thema’s van de hedendaagse Europese filosofie. Als de toonaangevende Europese denkers van vandaag één ding gemeen hebben, is het wel een grondig wantrouwen ten aanzien van het Europese denken zelf en met name tegen de Verlichting, een scepsis die tot uiting komt in pijnlijk zelfonderzoek en een urgente herwaardering van vergeten denkers en stromingen. Pijnlijk, omdat we eindelijk moeten erkennen dat Europa de geboortegrond is van de meest perfide gedachtesystemen uit de menselijke geschiedenis: nazisme, communisme, ‘wetenschappelijk’ racisme, eugenetica. En urgent, want we hebben nog steeds geen intellectueel antwoord op de vraag hoe het zo ver kon komen. Zeker, we hebben de totalitaire episoden van de twintigste eeuw overwonnen. Maar we hebben de intellectuele wortels ervan niet uitgeroeid. De verdenking dat westerlingen nog steeds de wereld willen hervormen met totalitaire middelen in dienst van een irrationele heilsverwachting (nu onder het mom van mensenrechten en de ‘vrije markt’) blijft knagen.

Sloterdijk zelf spot sinds de verschijning van zijn magnum opus onophoudelijk met de uitgewoonde tempel die wij Verlichting noemen en die hij tot Schemerduister heeft omgedoopt. Hij verklaart het feit dat de westerse mens ondanks alle aanzetten tot Verlichting nog steeds in het halfdonker leeft uit een ‘cynische blokkade’ in ons denken. Die blokkade hebben we te danken aan het feit dat we onszelf en elkaar in de loop van tweehonderd jaar Verlichting onophoudelijk hebben ‘ontmaskerd’ en bevrijd van allerlei vormen van ‘vals bewustzijn’, of het nu ging om onze klassenpositie (Marx), onze seksualiteit (Freud), onze religie (Nietzsche) of onze persoonlijke autonomie (Foucault, Derrida). Tegenwoordig nemen we het denken zélf niet meer serieus, omdat het toch alleen maar bestaat uit verkapte machtsaanspraken De ratio is vervangen door de rationalisering. Het resultaat is dat niemand meer ergens in gelooft, behalve in macht: ‘Wir sind aufgeklärt, wir sind apathisch.’ We geloven niet eens in de smoezen waarmee we onze medeplichtigheid aan het oog van anderen trachten te onttrekken. ‘Let op wat ik zeg, niet op wat ik doe’ is het adagium. En we schamen ons er niet voor. Als ik het niet doe, doet een ander het wel. Draait alle menselijk handelen niet enkel om macht, geld en seks? Zo zit de wereld in elkaar, toch? Ons maken ze niks wijs.

Omdat de kritiek van de Rede na tweehonderd jaar misbruik volstrekt onschadelijk is gemaakt, pleit Sloterdijk voor een andere benadering: een ‘kritiek van het lichaam’ naar het voorbeeld van de authentieke cynicus, Diogenes van Sinope, beter bekend als de filosoof in de ton. Zijn ‘hondsbrutale’ optreden (‘cynisme’ is afgeleid van het oud-Griekse kuoon, dat ‘hond’ betekent) stak de draak met de grote denksystemen van zijn tijd, met de persoonlijkheid van de systeembouwers en met hun pedante taalgebruik. Toen Plato na jaren piekeren eindelijk zijn definitie van de mens als een ‘veerloze tweevoeter’ bekendmaakte, plukte Dioneges een kip kaal en gooide die in Plato’s academie naar binnen met de woorden: ‘Daar heb je Platos’ mens!’

Ook Sloterdijk keerde zich in 1983 af van de hoogdravende en impotent geworden marxistische maatschappijkritiek van zijn tijd. Hij geeft de voorkeur aan de directe ervaring, de filosofische inkeer, boven de theorie als bron van filosofische kennis-van-buitenaf: ‘Opnieuw leren leven vraagt om grote inspanning van het herinneringsvermogen, maar dan wel een herinnering die niet alleen geschiedenis tot leven wekt. De diepste herinnering leidt niet naar geschiedenis, maar naar een kracht. Wie die aanraakt, wordt door extase overspoeld. Die herinnering mondt niet uit in een of ander verleden, maar in een uitbundig nu.’ In zijn _Sferen-_trilogie heeft Sloterdijk de daad bij het woord gevoegd door een nieuwe, op ruimtelijke en lichamelijke ervaring gebaseerde fenomenologie van het menselijk bestaan te construeren.

Sloterdijk is niet de enige Europese denker die een kaalgeplukte kip in de arena gooit met de woorden: ‘Daar heb je de Verlichte mens!’ De atheïst, hedonist en veelschrijver Michel Onfray is na jarenlange modieuze omzwervingen op tv en in de Franse kranten eindelijk begonnen aan een groot werk dat staat als een huis, Tegengeschiedenis van de filosofie geheten. Het is een opmerkelijke prestatie, omdat Onfray de hele geschiedenis van de westerse filosofie herschrijft vanuit de optiek van de ‘verliezers’, zoals hij ze noemt.

Die verliezers zijn de materialisten, hedonisten en atheïsten die in de loop van meer dan tweeduizend jaar een groot en belangrijk filosofisch corpus hebben opgebouwd, wars van de grote aanspraken en hermetische denkschema’s die we met de Europese filosofie zijn gaan associëren. Dat corpus is systematisch verdrongen door geestelijke autoriteiten, totalitaire denkers en politieke leiders die de mensheid wilden verlossen in naam van God, de Rede, het Ras of de Wereldrevolutie. Zij zijn door de filosofische idealisten, de ‘winnaars’, letterlijk uit de geschiedenis van de filosofie geschrapt. De kracht van Onfrays tegengeschiedenis is dat hij aantoont hoezeer absolute kennisaanspraken, gebaseerd op een metafysisch of religieus verlossingsdenken, altijd het Europese denken hebben beheerst.

Gray’s boek vertoont ook opmerkelijke overeenkomsten met het oeuvre van Bernard-Henri Lévy, die van alle ‘Nieuwe Filosofen’ de meest fundamentele kritiek op het messianistische westerse vooruitgangsdenken heeft geleverd. Maar zowel Lévy als Sloterdijk, Onfray en andere critici van de Verlichting als Gadamer of Lyotard hebben altijd een paar veren aan de kip laten zitten. Dat zijn de veren van de liberale democratie waaraan ze, als het erop aankomt, meer hechten dan aan enig ander politiek systeem. Gray trekt ook die veren eruit.

Het liberale humanisme is volgens hem net zo goed totalitair als alle andere uit de Verlichting voortgekomen politieke systemen. Het is evenzo messianistisch en evenzo gedoemd om groot onheil in de wereld te veroorzaken, omdat het gelooft dat de geschiedenis een ingebouwd doel heeft. Het laatste bolwerk van dit Europese vooruitgangsgeloof is volgens Gray Amerika, een land dat de puriteinse eschatologie van zijn stichters verbindt met een onvoorwaardelijk geloof in vooruitgang, democratie en vrije markt dat uit de Verlichting is voortgekomen. Het is een buitengewoon krachtig ideologisch mengsel. De illusie van de Amerikaanse neoconservatieven dat Irak in een handomdraai kon worden omgevormd tot een moderne democratie is illustratief voor dit messianistische denken.

In de veldslag om de Iraakse stad Fallujah in november 2004 liet dit messianisme zijn ware gezicht zien: het was een strijd tussen Amerikaanse en islamitische strijders die elkaar als ‘Satan’ beschouwden en dat ook onomwonden lieten weten. In die veldslag sneuvelde ook de laatste Verlichtingspretentie. Het huis van de Rede is uitgewoond, de triomftocht van de liberale democratie is voorbij, aldus Gray. We staan aan de vooravond van een nieuw religieus tijdperk waarin de strijd tussen licht en duisternis zijn loop herneemt. En het machtigste land ter wereld bevindt zich helaas in de voorhoede.