Dertig jaar neoliberalisme

De uitholling van Nederland

Met de ontmanteling van de verzorgingsstaat hebben opeenvolgende kabinetten het sociaal contract tussen overheid en burgers eenzijdig verbroken. Mensen kunnen er niet meer op rekenen dat de overheid er voor hen is en verliezen het vertrouwen.

Inboedel van de failliete IJsselmeerziekenhuizen staat in een hal van het veilinghuis Troostwijk, Amersfoort. Het meubilair en de apparatuur van de ziekenhuizen worden via het veilinghuis verkocht © Koen Van Weel / ANP

Het was een dubbeltje op z’n kant: bijna waren jongeren in Noord-Holland die zijn aangewezen op intensieve zorg plots daarvan verstoken geweest. Voor de onderhandelingen met de jeugdzorginstellingen over de tarieven hadden de gemeenten in die provincie ambtenaren van hun afdelingen contractmanagement ingezet. Niet alleen boden ze irreëel lage vergoedingen, ook eisten ze dat de hulpverleners elk uur dat ze werkten in detail zouden gaan administreren en gaven ze geen ruimte voor loonsverhogingen. Drie grote instellingen (William Schrikker Stichting, Jeugd- en Gezinsbeschermers en het Leger des Heils) besloten daarop niet mee te doen aan de aanbesteding. Ze voelden zich in een situatie gedwongen waarin ze moesten kiezen tussen de duivel en Beëlzebub, met in beide gevallen als uitkomst dat ze de jongeren die aan hun zorg zijn toevertrouwd in de kou zouden laten staan.

Dit was die keuze: de geboden tarieven accepteren, met een grote kans op bankroet en sluiting als gevolg, of zich met ingang van de nieuwe contractperiode uit de jeugdzorg terugtrekken. Uiteindelijk zijn gemeenten en instellingen om de tafel gaan zitten om tot een oplossing te komen. Voorzichtig proberen ze de geschonden relaties te herstellen.

De betrokken ambtenaren, wethouders en directeuren besloten te elfder ure dat ze hun tijd en energie beter in de continuïteit van de jeugdzorg konden steken dan in hun conflict. Niet het systeem maar goedwillende mensen boden hier uitkomst, zoals zo vaak in situaties waarin het ideaalbeeld van beleidsmakers rooskleuriger is dan de praktijk. Het conflict in Noord-Holland kon ontstaan doordat het kabinet-Rutte II in 2015 de verantwoordelijkheid voor de jeugdzorg naar de gemeenten schoof en tegelijkertijd vijftien procent bezuinigde op het bijbehorende budget, hoewel het aantal jongeren die in de zorg belanden ook dat jaar al een stijgende lijn vertoonde. In 2015 waren 366.000 jongeren op jeugdzorg aangewezen, vorig jaar 405.000. De beknelling waarin de gemeenten door dit beleid terechtkwamen dwong ze in de contractonderhandelingen met de zorgverleners op koopjesjacht te gaan.

De bijna-crisis in de Noord-Hollandse jeugdzorg is een voorbeeld uit vele van de uitholling van publieke diensten in Nederland. Nee, het is geen prettige aanblik wat dertig jaar neoliberalisme heeft aangericht. Kerngedachte ervan is dat de markt het beste regulerende mechanisme is, ook in sectoren die de overheid ten tijde van de verzorgingsstaat juist bewust van de markt afschermde. In combinatie met de afstoting of overheveling van overheidstaken en bezuinigingen heeft dat neoliberale regime nogal wat teweeggebracht in het dagelijks bestaan van mensen.

Een willekeurige greep uit de praktijkvoorbeelden. In Lelystad kun je ’s nachts maar beter geen hartinfarct krijgen: na het faillissement van het plaatselijke ziekenhuis is de spoedeisende hulp alleen van acht tot acht open. Je autistische kind loopt de kans pas tot het speciaal onderwijs te worden toegelaten als het ook nog eens een angststoornis heeft opgelopen. De mbo-school in je stad valt zomaar om na onverantwoorde vastgoedinvesteringen. Je dorp is met het openbaar vervoer onbereikbaar doordat de onrendabele buslijn is geschrapt. Eigenlijk al voor de conceptie moet je je kind bij de kinderopvang inschrijven, anders is er waarschijnlijk geen plaats. Je staat jaren op de wachtlijst voor een huurwoning doordat projectontwikkelaars meer zien in de bouw van dure koopappartementen en gemeenten de hoogste prijs voor hun grond willen. Over de veiligheid van je psychotische zoon maak je je grote zorgen: het psychiatrisch ziekenhuis leunt op uitzendkrachten en zzp’ers en heeft onvoldoende vast personeel voor de reguliere zorg. Na het keukentafelgesprek met de gemeenteambtenaar voel je je genoodzaakt tot ‘vrijwillige’ mantelzorg aan je moeder omdat je vreest dat ze anders hulpeloos zal zijn.

De rode draad in deze voorbeelden is dat in de publieke sector personeelstekorten eerder regel dan uitzondering zijn, de dienstverlening tekortschiet of gewoon helemaal afwezig is. De kortste samenvatting van de gevolgen van dit uithollingsproces staat op naam van Herman Tjeenk Willink: de overheid doet niet meer wat de burgers van haar verwachten. ‘Er kunnen nog zo veel rapporten zijn die, met cijfers onderbouwd, aangeven dat het goed gaat met Nederland, als individuele burgers in buurt of wijk – ook met feiten gestaafd – dat niet zo ervaren wordt dat als extra onrechtvaardig gezien’, schrijft hij in Groter denken, kleiner doen.

De klassieker ‘sociaal contract’, uit de koker van de Verlichtingsfilosofen Locke en Rousseau, is nog altijd een treffende metafoor voor de betrekkingen tussen burgers en de staat. Mensen leggen macht en invloed in handen van de overheid, in het vertrouwen dat ze er wat voor terugkrijgen: enige steun en bescherming op momenten in het leven dat ze daaraan behoefte hebben. Dat vertrouwen wordt beschaamd als de overheid het dan laat afweten.

De uitholling van de publieke diensten kun je dus ook karakteriseren als een contractbreuk. De overheid laat er geen misverstand over bestaan wat zij van de burgers verwacht, maar minder duidelijk is wat zij de burgers nog te bieden heeft. Kim Putters, directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau (scp), zegt: ‘De mensen moeten erop kunnen rekenen dat de overheid er voor hen is als dat nodig is. Dat is de grondgedachte achter het sociaal contract. Nu al decennialang vertelt de overheid daarentegen wat zij vooral niet meer van plan is te doen.’

Socioloog Godfried Engbersen zegt kortweg over de contractbreuk: ‘Aan de sociale grondrechten is nogal gemorreld.’ Engbersen, lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (wrr), kenschetst die rechten als ‘het beginsel dat iedereen in gelijke mate aanspraak kan maken op bepaalde voorzieningen’. In 1983 kreeg dat beginsel een expliciete, meer verplichtende vorm, toen de sociale grondrechten een onderdak kregen in de grondwet. Voor de overheid houden ze een normatieve opdracht in: dit is wat zij voor de Nederlanders behoort te waarborgen op het terrein van de werkgelegenheid, de bestaanszekerheid, het leefmilieu, de gezondheidszorg en het onderwijs (grondwet hoofdstuk 1, artikelen 19 tot en met 23).

De sociale grondrechten ‘zijn het slotakkoord van een beschavingsproces dat eeuwen heeft geduurd’, schreef de wrr. In de achttiende eeuw, eindigend met de Franse Revolutie, kregen de burgerrechten vorm. De negentiende was de eeuw waarin de politieke rechten opgeld deden, met de invoering van het algemeen kiesrecht als kroonjuweel. In de twintigste eeuw erkenden de machthebbers ook de sociale rechten van de burgers, een verworvenheid die zijn weerslag kreeg in de verzorgingsstaat. Mensen waren sindsdien niet meer alleen aangewezen op onderlinge verzekeringen met soms beeldende namen als ‘knechtsbussen’ of ‘krankenkassen’, maar konden een beroep doen op de overheid.

Noem ‘verzorgingsstaat’ een ‘sociale rechtsstaat’ en het perspectief verandert op slag: om je te kunnen ontplooien en je kansen in het leven te vergroten, heb je recht op publieke diensten in de sfeer van zorg, onderwijs, sociale zekerheid, huisvesting. Ze zijn het ‘toegangskaartje tot de samenleving’, schreef Thomas Marshall, de Britse socioloog die in de jaren veertig als een van de eersten formuleerde welke verplichtingen de overheid in de sociale sfeer aan de burgers heeft.

‘De mensen moeten erop kunnen rekenen dat de overheid er voor hen is als dat nodig is. Maar nu al decennialang vertelt de overheid wat ze vooral niet meer wil gaan doen’

Engbersen vertelt over zijn Amerikaanse collega Robert Merton. ‘Opgegroeid in de slums van Philadelphia kwam hij later eens in zijn oude stad terug om een prestigieuze prijs voor zijn wetenschappelijke werk in ontvangst te nemen. Ze vroegen hem hoe hij zich aan de armoede had kunnen ontworstelen en erin was geslaagd zo ver in de wetenschap op te klimmen. Nou, zoals zoveel Amerikanen van mijn generatie, antwoordde hij: mijn ouders stuurden me naar een goede publieke school in de buurt, om de hoek stond een rijk gevulde bibliotheek die voor iedereen toegankelijk was, voor een paar dollarcenten kon ik naar een concert. Merton noemde dat publiek kapitaal. Dat publieke kapitaal is in het hedendaagse Amerika sterk gedevalueerd.’

Na de oorlog kon de sociale rechtsstaat uitgroeien tot een nieuw ‘groot systeem’, naast de democratische rechtsstaat en de economie. Alle drie zijn ze ordenende systemen van de samenleving en hebben ze op hun manier een rol in de bevordering van de welvaart en de maatschappelijke vrede. Ze versterken elkaar wederzijds, via allerlei kruisverbanden, en in dat opzicht zijn ze van elkaar afhankelijk, maar ieder voor zich hebben ze ook hun specifieke waarde voor het welbevinden van mensen.

Het gaat mis als het ene systeem het andere gaat overvleugelen. In de jaren zeventig, op het toppunt van de naoorlogse welvaartssprong, raakte de economie tot in haar fundamenten aangetast doordat de verzorgingsstaat allengs verder uitdijde. Wat zich wreekte volgens rechtskundige en socioloog Kees Schuyt, kenner van de geschiedenis van de verzorgingsstaat, was het ontbreken van een mechanisme om de noden van mensen te onderscheiden van hun wensen. Daarmee werd de verzorgingsstaat sluipenderwijs vatbaar voor politieke druk om tegemoet te komen aan de uiteenlopende materiële verlangens van groepen kiezers, bij wie politieke partijen een electoraal belang hadden. Die wensen kregen een vertaling in rechten. Daarmee lag ook voor belangen- en pressiegroepen de weg open om de financiering van steeds meer voorzieningen en diensten naar de overheid door te schuiven. De kosten stegen met elk nieuw recht dat de verzorgingsstaat voor zijn rekening nam, tot voorbij het punt waarvan Margaret Thatcher ooit zei: ‘Er is een grens aan het uitgeven van andermans geld.’

In deze tijd is de situatie spiegelbeeldig: het systeem van de economie heeft dat van het sociale domein in de verdrukking gebracht. Met een bezuinigingsprogramma van 33 miljard gulden (15,2 miljard euro), in die tijd een ongekend hoog bedrag, nam het kabinet-Lubbers I in 1982 de eerste maatregelen om de overheid terug te dringen, gedwongen door een torenhoog financieringstekort (elf procent), bedrijven die financieel op apegapen lagen en een exploderende werkloosheid. Sindsdien heette de verzorgingsstaat ‘in crisis’. Met die crisis vatte bij leidende politici de gedachte post dat ook de dragende idee achter de verzorgingsstaat – de overheid is de eerst aangewezene om mensen voor hun ontplooiing toe te rusten – onjuist was. De neoliberale wending die het beleid nam, aanvankelijk aarzelend, maar na het aantreden van Paars (1994) met volle kracht, kwam uit dit crisisbeeld voort.

In de calculerende neoliberale logica is de overheid een kostenpost waarop zoveel mogelijk moet worden besnoeid. ‘De nadruk in het politieke debat kwam te liggen op wat de overheid om financiële redenen niet meer zou kúnnen doen’, zegt Tjeenk Willink, ‘en niet meer op wat zij in een sociale en democratische rechtsorde móet doen.’ De Amerikaanse president Ronald Reagan vatte het neoliberale motto kortweg samen in de oneliner: ‘De overheid is niet de oplossing van onze problemen, de overheid ís het probleem.’

In de ogen van Nederlandse politici waren Reagan en zijn Britse geestverwant Thatcher te onverzoenlijk, niet passend bij de gematigde politieke traditie van Nederland, maar in de praktijk stempelde de gedachte dat de overheid het probleem was niettemin het beleid van bezuinigen, taken afstoten, privatiseren, decentraliseren. Tjeenk Willink: ‘We koesteren dat beeld van Nederland als gelijkmatig en gematigd, zeker in vergelijking met andere landen, maar klopt dat beeld nog wel als we naar de feiten kijken?’

Amsterdam, Ziekenhuis MC Slotervaart is failliet verklaard © Michel Utrecht

In een lezing voor de Raad voor het Openbaar Bestuur (rob) maakte rechtsfilosoof Dorien Pessers de balans van het neoliberale beleid op. Ze sprak van een ‘fatale’ wisseling van het richtsnoer in het openbaar bestuur: het bestuursrecht heeft plaatsgemaakt voor de bestuurskunde. Ze nam niet zonder reden het geladen woord ‘fataal’ in de mond, lichtte ze naderhand toe. Is het recht nog gefundeerd in een normatieve zienswijze op het handelen van de overheid, de bestuurskunde oriënteert zich vooral op economische modellen.

Ze vindt het daarom niet verwonderlijk dat het boek met de omineuze titel Reinventing Government: How the Entrepreneurial Spirit is Transforming the Public Sector een onverbiddelijke bestseller onder bestuurskundigen werd. Tekenend, volgens Pessers: ‘Wat tot de publieke belangen gerekend moet worden, dat blijft volgens deze ideologie een taak van de politiek, maar hoe deze belangen het beste behartigd kunnen worden is een andere vraag, waarop kennelijk maar één antwoord mogelijk is: door een rationele, bedrijfsmatige aanpak, waarbij een systeem van prestatiecontracten, prestatie-indicatoren, financiële prikkels, kwantificering van de output en toezicht achteraf door de overheid garant moet staan voor een efficiënte uitvoering.’

De uitkomst was, in Pessers’ woorden: ‘De sociale zekerheid kwam in handen van ondernemende uitkeringsinstanties, het hoger onderwijs in handen van ondernemende universiteiten, de cultuur in handen van ondernemende musea, de gezondheidszorg in handen van ondernemende zorgverzekeraars en ondernemende ziekenhuizen.’

Zo ontstond het uithollingsproces dat onder de publieke diensten heeft huisgehouden en dat Tjeenk Willink tot zijn conclusie bracht: de overheid doet niet meer wat mensen van haar verwachten. Onder invloed van de neoliberale doctrine kreeg het beeld dat de overheid zelf van de burgers heeft ondertussen een paradoxaal karakter. Senator Roel Kuiper (ChristenUnie), voorzitter van de onderzoekscommissie in de Eerste Kamer die de privatiseringsgolf onder de kabinetten-Kok en -Balkenende onder de loep nam, schreef in een terugblik dat de overheid aan de ene kant de burger graag ziet als mondig, assertief, maatschappelijk betrokken. Dat is het optimistische beeld van het zelfredzame individu dat de verantwoordelijkheid voor zichzelf aankan. In het neoliberale beleid van procesmanagement, kostenbeheersing en prestatiemetingen daarentegen verschijnt de burger in een minder prettige gedaante, als een homo economicus, een calculerend individu dat daarom nauwlettend in de gaten moet worden gehouden.

‘We koesteren dat beeld van Nederland als gelijkmatig en gematigd, zeker in vergelijking met andere landen, maar klopt dat beeld wel?’

Kuiper schreef in zijn boek De terugkeer van het algemeen belang over het ‘privatiseringsverdriet’ van Nederland: ‘Het verdriet over de teloorgang van zeggenschap over aangelegenheden die de eigen samenleving raken, over het verdampen van de publieke zaak als gemeenschappelijke kern van het politieke leven.’

In retrospectief gold voor de jaren zeventig, toen de verzorgingsstaat aan elefantiasis leed, dat mensen te veel van de overheid verwachtten en te weinig van hun eigen zelfredzaamheid. Volgens socioloog Jacques van Doorn was dat de ‘schaduw’ die van meet af aan dreigend over de verzorgingsstaat hing. Met een beleid gebaseerd op het neoliberale grondbeginsel meer markt, minder overheid leek de politiek twee vliegen in één klap te kunnen slaan. Het drong de hoge kosten die met de overheidszorg gepaard gingen terug: de panacee voor het hoge financieringstekort. Ook legde het meer verantwoordelijkheid bij de mensen zelf: het passende antwoord op de ‘dekolonisatie van de burgers’, zoals Henk Hofland hun bevrijding uit de greep van de zuilen noemde.

Met de belofte van deze tweeslag was het neoliberalisme zo verlokkelijk dat het een grote mate van consensus onder de drie volkspartijen pvda, cda en vvd mogelijk maakte. Over maatvoering verschilden ze van mening, over de richting van het beleid niet: meer markt, minder overheid. Die consensus maakte ook de doorbraak naar Paars mogelijk, de eerste coalitie van de vroegere ideologische aartsvijanden pvda en vvd.

De vergissing die Paars maakte was dat de introductie van marktwetten als vanzelf de kwaliteit van publieke diensten goed zou doen, ook met minder publiek geld. Het kabinet kon zo voortgaan met het terugdringen van de overheid. Aan het eind van de regeerperiode, in 2002, kon Paars pronken met mooie cijfers over de omslag van het financieringstekort in een -overschot, maar minder fraai was de indruk die de publieke sector maakte. Het dreigende perspectief van publieke armoede versus private welvaart domineerde het politieke debat. Gemeten naar individuele welvaart was Nederland in dat jaar terug in de kopgroep van Europa, dankzij genereuze lastenverlichtingen, bescherming van het eigen huis en de auto en een milde fiscale behandeling van vermogens. Tegelijkertijd maakte het publieke domein een bekaaide indruk, met groeiende wachtlijsten in de ziekenhuizen, ouderen die in de verzorgingstehuizen nog maar een keer per week onder de douche mochten, treinen die niet reden, steeds langere files op de wegen.

Pim Fortuyn baatte dat beeld politiek uit door er de karikatuur van de ‘puinhopen van Paars’ van te maken, maar dat moest het kabinet zichzelf verwijten: het had zich de handen op de rug gebonden met het automatisme dat belastingmeevallers – en die waren er in die tijd dankzij een uitbundige economie in overvloed – direct zouden worden omgezet in lagere lasten voor burgers en niet aangewend voor investeringen in de publieke sector.

Ook de kabinetten onder leiding van Jan Peter Balkenende (2002-2010) verkeken zich op het effect dat een terugtredende overheid had. De christen-democraat was eerder als medewerker van het Wetenschappelijk Instituut voor het cda gepokt en gemazeld in de ideologie van het communitarisme: de leer hoe een samenleving kan opbloeien dankzij de versterking van de gemeenschappen van mensen. Balkenende hoopte dat zijn beleid de ruimte zou creëren voor nieuw particulier initiatief, een spontaan proces waarin burgers zich opnieuw zouden organiseren. Hij zat ernaast: dat proces van zelforganisatie kwam niet op gang.

Historicus Marcel Hoogenboom analyseerde: ‘Er is niet zo veel particulier initiatief meer, met uitzondering van een enkele buurtcorporatie. De structuur waarop Balkenende wilde bouwen is er niet meer.’ Niet een nieuw maatschappelijk middenveld, maar commerciële dienstenverleners en andere marktpartijen vulden het vacuüm dat Balkenende trok door de verzorgingsstaat verder te ontmantelen. Zo bleek de kinderopvang, in 2005 prijsgegeven aan de markt, een aantrekkelijk beleggingsproject voor ‘durfkapitalisten’, de investeringsfondsen waarvan journalist Marc Chavannes ooit zei: ‘Ze hebben zoveel geld doordat ze altijd meer in hun zak steken dan ze eruit halen.’

Balkenende beëindigde zijn politieke bestaan in 2010 dus als een neoliberaal tegen wil en dank. De neoliberale vergissing die de kabinetten-Rutte maakten was dat ze doorgingen met bezuinigen, onder Rutte II (vvd/pvda) zelfs voor een recordbedrag, hoewel een ander beleid niet alleen economisch verstandiger zou zijn geweest, maar ook minder asociaal en minder schadelijk voor de publieke dienstverlening. Rutte zei onlangs uitdagend dat zijn derde kabinet meer investeert dan destijds het kabinet onder leiding van Joop den Uyl, de pvda’er die zich erop liet voorstaan de meest linkse regering ooit te leiden. Dat neemt niet weg dat de hoofdlijn van het beleid blijft: kort houden, die overheid.

Volgens de econoom Anton Hemerijck, oud-decaan aan de VU en tegenwoordig hoogleraar politieke wetenschappen en sociologie aan het European University Institute in Fiesole, is dit de fout die Nederland na het uitbreken van de financiële crisis van 2008 maakte: ‘Het heeft een financieel-economische koers die tijdens een eerdere crisis, in de jaren tachtig, zinvol en zinnig was opnieuw toegepast, hoewel de omstandigheden onvergelijkbaar zijn. Rutte en zijn kabinetten hebben de vorige oorlog gevoerd.’

In de jaren tachtig kampte Nederland met de naweeën van de uitgedijde verzorgingsstaat, waardoor er iets grondig mis was gegaan met de structuur van de economie. De overheid legde naar verhouding een te groot beslag op het nationaal inkomen, met een hoge belastingdruk als gevolg, en de lonen waren te hoog. De lasten kwamen voor een onevenredig groot deel voor rekening van bedrijven, die daardoor kampten met uit de hand lopende kosten, dalende winsten en een ondermijnde concurrentiepositie.

‘Dat krijg je op een gegeven moment niet meer kloppend’, vat Hemerijck de toestand samen. De werkloosheid steeg snel: het laatste deel van de babyboomgeneratie meldde zich op de arbeidsmarkt terwijl de bedrijven juist werk afstootten. Het geld werd minder waard, als gevolg van een stijgende inflatie. ‘Stagflatie’ was de dekkende term voor deze crisistoestand, waarin ook nog eens het aantal mensen die in de wao belandden het miljoen naderde. Arbeidsongeschikt waren zij bij lange na niet allemaal: de wao, een relatief hoge uitkering zonder beperkingen in de duur, was voor ondernemers een aantrekkelijke mogelijkheid om minder productieve werknemers op een schappelijke wijze uit het arbeidsproces te loodsen, met goedvinden van de vakbonden. De gelegenheid maakte hier de dief.

‘De mogelijkheden voor de competente burgers zijn verruimd, maar voor anderen zijn extra barrières opgeworpen. Zij voelen zich in de steek gelaten’

Het saneringsbeleid dat Nederland in die tijd met succes uitvoerde is sindsdien een eigen leven gaan leiden als het enige juiste. Daardoor ontstond de mythe dat, ongeacht de omstandigheden, de overheid altijd het probleem is, waartegen alleen het neoliberale recept van meer markt, minder overheid werkt. Hemerijck: ‘In 2008 bleek hoe krachtig die mythe is. Europa, Nederland voorop, is een crisis die zijn oorsprong had in het financiële systeem gaan bestrijden alsof zij een herhaling van de structuurcrisis uit de jaren tachtig was. Outsiders waren de dupe van dat neoliberale mismanagement: de zuidelijke lidstaten, jongeren, vrouwen, langdurig werklozen. Zij droegen de last van de crisis en haar naschokken.’

Na de miljardeninjecties om de banken te redden, zegt Hemerijck, wist Nederland niet hoe snel het weer moest voldoen aan de eisen die de eurolanden in het Stabiliteits- en Groeipact stellen aan de hoogte van het financieringstekort (maximaal drie procent van het nationaal inkomen) en de staatsschuld (maximaal zestig procent). Hemerijck: ‘Ons land is de crisis te boven, maar dat herstel had beter gekund, met minder hardvochtige gevolgen voor het sociale beleid, als het rustiger aan had gedaan met de bezuinigingen. Nederland is een economie met diepe zakken, dus het kan wel wat hebben. Nu zijn de kosten van de crisis onnodig afgewenteld op de verzorgingsstaat en is er minder geïnvesteerd in de volgende generaties dan had gekund.’

De balans van de dertigjarige neoliberale vergissing is dat zij de sociale rechtsstaat, een van de grote ordenende systemen van de samenleving, in een benauwende beknelling heeft gebracht. In Groter denken, kleiner doen schrijft Tjeenk Willink dat een beleid dat ‘de zwaarste lasten op de sterkste schouders legt’ een van de verwachtingen is die mensen van de overheid hebben en in een democratische rechtsorde ook mogen hebben. Spiegelbeeldig impliceert dit uitgangspunt dat mensen met minder kansen in het leven moeten kunnen terugvallen op de overheid voor een steun in de rug. Ook dat behoort tot de kerngedachten van de sociale rechtsstaat. Vandaar de zorgplichten die hij de overheid oplegt in de sfeer van werkgelegenheid, bestaanszekerheid, leefmilieu, gezondheidszorg en onderwijs.

In zijn nieuwe boek Veenbrand analyseert scp-directeur Kim Putters hoe onder invloed van het neoliberalisme de sociale scheidslijnen zich verdiepen. Hij schrijft: ‘Zonder breder welvaartsperspectief zullen oude scheidslijnen zich verdiepen, tussen mensen die geld, kennis en invloed hebben en degenen voor wie dat niet geldt.’ Tjeenk Willink concludeert: ‘De mogelijkheden voor de competente burgers zijn verruimd, maar voor anderen – vaak degenen die het meest afhankelijk zijn van publieke dienstverlening – zijn extra barrières opgeworpen. Zij voelen zich in de steek gelaten.’

Ook Kees Schuyt beschrijft een verbroken verbinding tussen de overheid en de mensen die op haar zijn aangewezen. ‘Het drama voltrekt zich in de lagere middenklasse: de hard werkende onderwijzers, de verpleegkundigen, de politieagenten, de gezinnen waarin een van de partners werkt en de ander niet. Wie zijn de rijksten in onze samenleving? Dat zijn de dinki’s: de stellen met een dubbel inkomen en no kids, werkzaam in die geïnternationaliseerde financiële wereld die zich van nationale grenzen en belangen niets meer aantrekt. Zij zijn ongeremd hun gang gegaan en hebben daarvoor van de overheid ook volop de ruimte gekregen.’

Volgens Putters is het gevolg dat de ongelijkheid groter wordt, niet alleen in financiële mogelijkheden maar ook in levenskansen. Het vooruitgangsgeloof, vanouds een drijvende kracht van de samenleving, is daardoor tanende. Putters: ‘Voor minder weerbare mensen is de toegang tot zorg, onderwijs, betaalbare huisvesting, kinderopvang, universiteit, goed voedsel minder goed verzekerd dan voor mensen met geld en mogelijkheden. Het gevolg: grotere ongelijkheid. De nieuwe banen en het hogere salaris lijken gereserveerd voor degenen die zich redden, voor de anderen neemt de onzekerheid toe.’

Met een begrip dat hij ontleent aan Max Weber spreekt Schuyt van een ‘polarisatie van levenskansen’. ‘De verwachting van mensen was altijd dat ze op een fatsoenlijk peil zouden kunnen leven en dat hun kinderen het goed zouden hebben’, zegt hij. ‘Voor degenen met goede levenskansen is die verwachting ongeschonden. Zij staan steeds verder af van degenen voor wie dat vooruitzicht van een fatsoenlijk levenspeil en van toekomstkansen voor de kinderen onzeker is geworden. Aan die kant van de samenleving groeit de onvrede – en wel zo sterk dat ze inmiddels in ressentiment is geëscaleerd.’

Het gevolg is een sluipende segregatie, waardoor het leven van welgestelden steeds verder gescheiden raakt van dat van de anderen. In een samenleving waarin een ongetemd kapitalisme de ongelijkheid vergroot, raken we volgens de Amerikaanse Harvard-filosoof Michael Sandel de plekken kwijt die voorheen mensen met uiteenlopende sociale achtergronden en levensstijlen samenbrachten. In het boek Niet alles is te koop typeert hij dat proces als de ‘skyboxificatie’ van de samenleving. De publieke sfeer, schrijft hij, wordt beroofd van de domeinen waarin de beter gesitueerden en lagere klassen als het ware vanzelf gedeelde ervaringen opdeden, de broedplaatsen van onderling vertrouwen.

Dorien Pessers schetst een nog wat dreigender perspectief. ‘Wat gebeurt er, moet je je afvragen, in een samenleving die langdurig in staat is geweest om de beloofde gelijkberechtiging waar te maken, maar waarin nu krachten tot ontwikkeling komen waardoor sommigen in hun rechten worden gemarginaliseerd? Dan krijg je sociale splijtingen. Uiteindelijk zal die polarisatie zich tegen de samenleving keren. De sociale onrust wordt groter, de onderlinge haat neemt toe, de tegenstellingen worden scherper. En altijd zullen zulke spanningen ergens een uitweg zoeken.’

Het is niet goed voor het vertrouwen in de democratie en het rechtsgevoel als de een zich nergens zorgen over hoeft te maken en de ander zich door de overheid in de kou gezet voelt. Met de toenemende onzekerheid die het neoliberalisme teweegbrengt in het bestaan van mensen blijkt het dus ook een nefaste invloed te hebben op het derde grote systeem dat de samenleving ordent: de democratische rechtsstaat.

De democratische geest was altijd gebaat bij het vooruitgangsgeloof. Het vertrouwen van mensen in de verbetering van hun lot dempte spanningen en controverses in de maatschappij. Een systeem evenwel dat de gewekte verwachtingen van burgers fnuikt is een prooi voor partijen die de onvervulde verlangens benutten als wapen voor hun eigen doel. Al gauw wordt de democratische rechtsstaat dan het mikpunt, als de vermeende bron van het ongenoegen. Dat slome, logge stelsel dat met zoveel belangen rekening moet houden en altijd maar weer zoekt naar het compromis in plaats van ferm te handelen.

Het populisme voedt zich met dat ongenoegen. Het bijvoer is de nostalgie naar een verleden waarin alles beter beloofde te worden. Dat geeft het populisme een dubbel, paradoxaal karakter. Het teert op dat verlangen naar de jaren waarin het vooruitgangsgeloof nog algemeen was, maar reageert daarop met politiek die zich tégen de vooruitgang keert. De oude tijd kan worden teruggehaald, belooft het populisme, door met het eigen land op solotoer te gaan en Nederland om te vormen tot een eiland waar we weer onder elkaar zijn. Het is een symptoom van een crisis in de democratische rechtsstaat als dat soort illusiepolitiek aanhang krijgt. Dat maakt de urgentie van een herstel van het sociaal contract tussen de overheid en haar burgers des te groter.


Volgende week: hoe het sociale contract tussen overheid en burger kan worden hersteld