Hoofdcommentaar

De uitslag van de test

HET IS EEN JAARLIJKS terugkerend ritueel: zodra de uitslag van de Citotoets bekend is, volgt er een rondje klagen. Uit opportune redenen hechten ouders, docenten, onderzoekers en politici wel of geen waarde aan het belang van de Citotoets. NRC Handelsblad kopte vorige week braaf: ‘Nu kan Mohammed naar ’t gym’, om aan te geven dat de Citoscore nu eindelijk tegenwicht biedt aan discriminatie van slimme allochtonen bij het schooladvies. Want telkens weer valt te horen dat er een verband is tussen etniciteit en onderadvisering. Als dat waar is, dan is dat pijnlijk. En ongewenst. Je kunt als minister nog zo streven naar hogere percentages allochtonen in leidinggevende functies, zoals bij de politie, wanneer het al mis gaat aan de basis – het onderwijs – dan is er geen goed opgeleid aanbod om überhaupt te kunnen selecteren.
Maar klopt het dat allochtonen worden achtergesteld? Net als de Citotoets zouden harde cijfers hierop een antwoord moeten geven. Wat blijkt: rond de onderzoeken zelf hangt ruis. Twee jaar geleden presenteerde de gemeente Amsterdam het rapport Basisschooladviezen en etniciteit, waarin geconcludeerd werd dat met name Marokkaanse en Turkse leerlingen een lager advies krijgen dan hun Citoscore aangeeft. Het onderzoek veroorzaakte grote verontwaardiging en leidde tot weer een ander onderzoek, nu van het ministerie van Onderwijs, waaruit naar voren kwam dat er landelijk géén sprake is van systematische onderwaardering, eerder van het omgekeerde: overwaardering. De Algemene Onderwijsbond onderschreef deze conclusie, nadat de bond het Amsterdamse onderzoek nader had bekeken. ‘Het beeld dat nu ontstaat dat allochtonen en masse een lager advies krijgen, is onjuist. De conclusies van het rapport zijn kraakhelder. Over de gehele linie is er geen systematische onderadvisering bij verschillende etnische groepen. In de categorie overadvisering geldt dat dit bij allochtonen vaker voorkomt.’
Bestuurslid Liesbeth Verheggen zei dat het rapport van de Amsterdamse gemeente niet goed wordt gelezen, terwijl mensen buiten het onderwijs er wel mee aan de haal gaan. ‘Op basis van een uit zijn verband gerukte passage in een conceptrapport conclusies trekken en presenteren als harde feiten doet het onderwijs in Nederland en iedereen die iedere dag als onderwijzer of onderwijsondersteuner met kinderen bezig is, geen goed.’
Dat neemt niet weg dat Verheggen ook wees op een ander probleem, dat niet zozeer met etniciteit, als wel met klasse te maken heeft. Ze zei: ‘Veel interessanter is het om te kijken naar de rol van sociaal-economische factoren. Blijkbaar hebben de sociaal zwakkeren, of dat nu allochtonen of autochtonen zijn, minder mogelijkheden om voor hun kinderen een dusdanig klimaat te scheppen dat zij op een havo- of vwo-niveau kunnen komen. Minder in ieder geval dan kinderen met hoogopgeleide ouders.’
Dat is het échte pijnpunt. En dat verschil manifesteert zich ook omgekeerd: de assertieve hoogopgeleide ouder die met een tegenvallende Cito-uitslag op hoge poten naar school trekt om de leerkracht de oren te wassen. Want hún briljante kind heeft natúúrlijk, ondanks vele voorbereidende bijlessen, ondergepresteerd bij de test – faalangst, stress, noem maar op. Ze doen er alles aan om hun kind vooral niet op het vmbo te krijgen. Deze kinderen krijgen de hoge verwachtingen van hun ouders op zich geprojecteerd. Ook dat zijn soms individuele drama’s, die net zo erg zijn als Mohammed en Fatima die met een score van 550 op de havo belanden.