Geschiedvervalsing en verraad

De uitverkoop van 68

De heilige drijfjacht tegen de geest van 68 berust op geschiedvervalsing. Maar de generatie 68 treft wel blaam: de babyboomers hebben hun idealen verkocht en zijn naar het establishment overgelopen.

Een geest waart door Europa — de geest van 68. Alle machten van de westerse wereld hebben zich tot een heilige drijfjacht tegen deze geest verbonden: de conservatieven, klein christelijk rechts, de liberalen en hun sociaal-democratische bondgenoten van de neoliberale «Derde Weg». Er is alom sprake van zedelijk verval. De klachten zijn bekend: het zelfzuchtige individualisme van het ik-tijdperk, het hedonisme van de consumptiecultuur, onverschilligheid jegens de medemens, de platte commercialisering van seksualiteit in de media, de ontwrichting van het gezin als hoeksteen van de samenleving. Schuldig aan dit zedelijk verval zou met name de geest van 68 zijn en haar goedbedoelde hippie-idealen, zoals daar zijn: individuele zelfontplooiing, tolerantie jegens anderen, seksuele bevrijding en een kritische houding tegenover traditioneel gezag.

Deze heilige drijfjacht tegen de geest van 68, waarvan figuren als Joschka Fischer en Daniel Cohn-Bendit de bekendste slachtoffers zijn, neemt veelal de vorm aan van een neoconservatieve tegenbeweging. De Amerikaanse verkiezingen van november 2000 werden door de aanhangers van George W. Bush en zijn «conservatisme met compassie» nadrukkelijk gepresenteerd als een referendum over de geest van 68 en diens incarnatie, de rondneukende Bill Clinton.

In Nederland is er de neoconservatieve beweging rond mensen als de Leidse rechtsfilosoof Andreas Kinneging en CDA-parlementariër Hans Hillen, die het huidige zedelijk verval dat zij aan de geest van 68 wijten, het hoofd willen bieden door terug te keren naar conservatieve waarden als kuisheid, moreel elitisme en respect voor autoriteit.

De geest van 68 en zijn hippie-idealen lijken echter het slachtoffer van een schijnproces te zijn geworden. De zelfontplooiing van het individu dat met levensstijlen experimenteert om zo zijn echte ik te vinden, is wat anders dan het zelfzuchtige individualisme van het materialistische yuppendom. Tolerantie jegens anderen is wat anders dan de onverschilligheid van het geatomiseerde individu dat het niets uitmaakt wat anderen doen zolang hij er zelf maar geen last van heeft. De kritische houding van de mondige burger is wat anders dan de opportunistische houding van de calculerende burger die zich niets aan de overheid gelegen laat liggen zolang hij daarmee ongestraft kan wegkomen. En seksuele emancipatie, het doorbreken van bekrompen taboes om tot een gezonder seksleven te komen, is wat anders dan de commerciële uitbuiting van seksualiteit door reclame, seksindustrie en media, met als wanstaltig hoogtepunt het televisieprogramma Seks voor de Buch.

Het huidige zedelijk verval is dus niet te wijten aan de idealen van 68 zelf; het is veeleer te wijten aan de neoliberale pervertering van die idealen in de jaren tachtig en negentig, een punt dat onderbelicht blijft in de recente aandacht voor de erfenis van 68. In de jaren zestig en zeventig waren deze idealen nog ingebed in een linkse moraal van solidariteit en anti-kapitalisme. In de jaren tachtig en negentig echter moest deze linkse moraal onder invloed van politici als Reagan, Thatcher en Lubbers wijken voor de neoliberale moraal van meer marktwerking en minder verzorgingsstaat. Als gevolg daarvan konden de idealen van 68 alleen overleven als ze werden losgesneden van hun linkse wortels en vervolgens werden aangepast aan de werking van de markt en het bijbehorend winststreven. Alleen zo konden de idealen van 68 verkeren in hun neoliberale parodieën. Dat wil zeggen, alleen zo kon individuele zelfontplooiing verworden tot zelfzuchtig individualisme, tolerantie tot onverschilligheid, seksuele emancipatie tot commercialisering van seks, en de mondige burger tot calculerende burger. De heilige drijfjacht tegen de geest van 68 berust dus op een sterk staaltje geschiedvervalsing.

Dat de geest van 68 geen blaam treft, betekent echter geenszins dat de generatie 68 vrijuit gaat. De neoliberale pervertering van de idealen van 68 is mede te wijten aan de sell out van de babyboomers die in de jaren zestig en zeventig volwassen zijn geworden en in de daaropvolgende decennia massaal tot het establishment zijn overgelopen. In de jaren tachtig verruilden zij hun lange haren, weedpijpen en Che Guevara-posters voor hoge posities in het bedrijfsleven en de politiek. Schrijnend voorbeeld is de verwording van de PvdA, die van tamelijk linkse partij onder Den Uyl veranderde in een representant van het neoliberalisme, en die onder Kok niet schroomde om het regeringsbed te delen met aartsrivaal VVD. De idealen van 68 zijn door de generatie 68 zelf verraden en in de uitverkoop gedaan.

Dit verraad was des te trouwelozer omdat het veelal gekleed ging in de idealen waaraan het verraad werd gepleegd: het zogenoemde links lullen, rechts zakken vullen. Juist omdat de overgang van individuele zelfontplooiing naar zelfzuchtig individualisme zo subtiel is, lag het voor de hand om het laatste te rechtvaardigen met een beroep op het eerste.

Veelzeggend in dit verband is de echtscheidingsgolf van de jaren negentig waarin vooral mannen van middelbare leeftijd hun gezin in de steek lieten onder het mom van zoeken naar zichzelf terwijl ze alleen maar op zoek waren naar een lekker jong ding. En wat te denken van een Menno Buch, die zich op het ideaal van seksuele bevrijding durft te beroepen ter rechtvaardiging van zijn commerciële uitbuiting van het seksleven van zielige en veelal psychisch labiele mensen?

Of van de mondigheid van burgers die zich schaamteloos verzetten tegen de komst van een asielzoekerscentrum in hun wijk? Of van de tolerantie van het relativisme dat wordt gebruikt om onverschilligheid te maskeren? «Vrouwenbesnijdenis is in die culturen nou eenmaal gangbaar, en wie zijn wij om dat te veroordelen?»

Dat de idealen van 68 vaak werden gebruikt om hun neoliberale pervertering te maskeren, verklaart wellicht waarom velen het huidige zedelijk verval abusievelijk toeschrijven aan de geest van 68 in plaats van aan haar eigenlijke oorzaak: de opkomst van het neoliberale marktdenken. Maar er is meer aan de hand. Dat de geest van 68 door christelijk rechts of de liberalen voor de bron van alle ellende wordt gehouden, is niet verwonderlijk: zij hebben sowieso al hun eigen motieven om de kritische en anti-kapitalistische geest van 68 uit te bannen.

Maar de tegenwoordige kritiek op de geest van 68 wordt tevens gespuid door leden van de generatie 68 zelf, door dezelfde babyboomers die toentertijd op Woodstock marihuana hebben gerookt, het Maagdenhuis hebben bezet en tegen de imperialistische oorlog in Vietnam hebben gedemonstreerd. Maar men zou toch beter moeten weten — de babyboomers zouden toch als geen ander moeten inzien hoezeer de idealen van 68 verschillen van hun neoliberale verdraaiingen uit de jaren tachtig en negentig?

Deze zelfkritiek van de generatie 68 wordt echter volkomen duidelijk in het licht van het verraad dat zij aan haar eigen idealen heeft gepleegd door na de opstandige jaren zeventig massaal te kiezen voor goedbetaalde posities in het establishment. Als de babyboomers op een eerlijke manier hun eigen rol in het ontstaan van het huidige zedelijk verval onder de loep zouden nemen, dan zouden zij niet zozeer hun idealen uit 68 als wel hun latere sell out aan de markt als de belangrijkste oorzaak moeten aanmerken. Zij zouden dan met de neus op hun eigen verraad aan de geest van 68 worden gedrukt.

Makkelijker dan je fouten van nu onder ogen te zien, is het om de fouten toe te geven die je eventueel in een vroeger leven hebt gemaakt. Om de pijn van een kritisch zelfinzicht te vermijden, leggen de baby boomers dan ook alle schuld bij hun voor malige ikken uit 68: «Ach ja, we waren toen nog jong en onbezonnen en deden een hoop domme dingen, maar nu hebben we gelukkig ons leven gebeterd…» Een van de boegbeelden van 68, Jean-Paul Sartre, zou dit hebben doorzien als «mauvaise foi» — kwade trouw: het jezelf bedotten om je eigen verantwoor delijkheid te ontlopen.

De geest van 68 maakte deel uit van de Verlichting die sinds de zeventiende eeuw in het Westen plaatsvindt, de strijd van de autonome en rationele mens tegen het van bovenaf opgelegde juk van traditionele en vaak irrationele autoriteiten. De culturele revolutie van de jaren zestig en zeventig was nodig om af te rekenen met het ondemocratische regentendom, de discriminatie van vrouwen en homo’s, en de repressieve en dubbele seksuele moraal van de jaren vijftig. Natuurlijk zijn de 68’ers in hun strijd vaak te ver doorgeschoten; het fenomeen partnerruil verdiende het om samen met het oranje formica-meubilair op de schroot hopen van de jaren zeventig te belan den.

Maar daarbij moet worden aangetekend dat sommige excessen van de 68’ers nodig waren om de maatschappij blijvend te veranderen; om de koers van een samenleving recht te trekken moet je soms radicaal naar de andere kant doorbuigen. Het huidige neoconservatisme, met zijn pleidooi voor moreel elitisme en respect voor traditionele autoriteiten, dreigt echter de fundamentele verworvenheden van de jaren zestig en zeventig, ja zelfs van de Verlichting als zodanig ongedaan te maken. Tegen het neoconservatieve antwoord op het zedelijke verval in onze samenlevingen kunnen we ons daarom niet krachtig genoeg verzetten. Als we dit zedelijke verval willen aanpakken, dan gaat het dus niet aan om de geest van 68 uit te bannen. Wat we wel moeten doen is de geest van 68 bevrijden uit de neoliberale toverlamp die hem op dit moment gevangen houdt.

Peter Sas (1970) is als filosoof verbonden aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam.