Kunst: ‘Magisch Centrum’

De uitvinding van de zitzak

Adri Hazevoet, lichtshow in Paradiso, circa 1970 © Adri Hazevoet

Hebben de ‘jaren zestig’ echt plaatsgevonden? Kennelijk. In het najaar van 1967 werden bijvoorbeeld in het Vondelpark in Amsterdam ‘love-ins’ georganiseerd. Op 1 oktober gingen zij van start met een ‘lief-in’, een week later gevolgd door een ‘seks-in’. Je vraagt je af wat voor weer het was, in oktober 1967, maar vooruit. Van de tentoonstelling Amsterdam Magisch Centrum kan niet gezegd worden dat het de reputatie van het tijdvak al te kritisch ondervraagt. Hier wordt voortgeborduurd op twee oude aannames, namelijk dat Amsterdam tussen 1967 en 1970 een speerpunt was in de wereldwijde hippierevolutie, en dat het Stedelijk Museum daar – waar het althans de kunstenaars betrof – een belangrijke rol in speelde.

Het Stedelijk zegt hier een overzicht te presenteren van ‘grensoverschrijdende ontwikkelingen’ en ‘Amsterdam als laboratorium voor vernieuwingen in kunst en maatschappij’, maar daarin is men, per definitie, onvolledig (en hier en daar slordig: de Damslapers werden bijvoorbeeld niet in 1967 door knokkende matrozen naar het Vondelpark verdreven: dat was in 1970. In april 1967 was er wel een vechtpartij met mariniers in de hal van het Centraal Station, maar dat was met ‘nozems’, niet met hippies).

Een goede vraag is of al dat vrolijke gezuip en gezoen en geblow althans in de kunsten iets opleverde – behalve de uitvinding van de opblaasbare zitzak. Uit de tentoonstelling krijg je de indruk dat er vooral een hoop lol werd gemaakt, en dat ‘kunstenaar’ maar een zeer vaag begrip was. Zo kun je je verdiepen in de vrolijke Insekten Sekte, een los kringetje rond de kunstenaar Theo Kley, dat Lennon en Ono in het Hilton een onderscheiding omhing en zich later ging inzetten voor het milieu in de Waddenzee. Net zo melig was het ‘Eksoties Kietsj Konservatorium’, een muzikaal gezelschap waarin het kunnen trommelen op een gejatte barkruk volstond om mee te mogen doen.

Jeroen Henneman, Stilleven (Royal Flush), 1969 © Stedelijk Museum Amsterdam

De meeste serieuze kunstenaars lieten zich daar kennelijk niet al te veel mee in. In de tentoonstelling zijn een paar opvallend goede werken te zien: Drie bedden van Ben d’Armagnac, bijvoorbeeld, de tekstwerken van Louwrien Wijers, de briljante en geestige constructies van Jeroen Henneman, dat is gelukkig al heel wat. In de beschreven periode is zeker ook een aanzet tot de ‘conceptuele’ kunst te vinden, die van Dibbets, bijvoorbeeld; er is ook een begin te zien van de praktijk van kunstenaars als onderzoekers. Een echt concreet gevolg van het activisme in die jaren is het loskoppelen, althans in Amsterdam, van de vaste patronen in de kunstpraktijk, de disciplines, academies, instituten, fondsen, materialen, podia. Dat heeft veel goeds opgeleverd.

Het niet werkelijk scherp bevragen van die mythe vind ik echter een gemiste kans, omdat dat idee van dat vrijgevochten Amsterdam zo buitengewoon hardnekkig is en het de Amsterdammers soms zo geweldig in de weg zit. Zie het Stedelijk Museum zelf: dat lijdt misschien nog wel het meest onder de doorwerking van die inmiddels zo ernstig bestofte en verkalkte mythe over de ‘unieke’ positie van Amsterdam in de wereld.


Amsterdam Magisch Centrum: Kunst en tegencultuur 1967-1970, t/m 6 januari 2019. Stedelijk Museum, Amsterdam; stedelijk.nl