De uitvoerder

Hanns Albin Rauter voerde de taken van SS-leider Himmler uit in Nederland. Zonder enig berouw. Hij was meedogenloos, berekenend, listig en vooral gehoorzaam. Voor zijn slachtoffers een fatale combinatie.

Hanns Albin Rauter onderweg naar het Bijzonder Gerechtshof in Den Haag, april 1948 © Spaarnestad Photo / HH

‘Gitzwarte biografie van de man die zonder enig berouw de taken van SS-leider Heinrich Himmler uitvoerde in Nederland’, zo kondigde uitgeverij Boom enige weken geleden Rauter: Himmlers vuist in Nederland van Theo Gerritse aan. In die aankondiging werden met betrekking tot Rauter verder zinsneden als een ‘tweede Alva’ en ‘meest gevreesde en gehate vertegenwoordiger van de Duitse bezetting in Nederland’ gebruikt. Ik kon niet voorkomen dat ik dacht: maar de man zal toch ook wel iets aardigs hebben gedaan? Theo Gerritse, historicus en journalist, had deze gedachte gelukkig ook. Weliswaar maakt hij in navolging van de oorlogspers, naoorlogse rechtspraak en moderne historici het beeld van Rauter eerst nog zwarter dan zwart, hij vraagt zich in de laatste zin van de inleiding van zijn boek toch af of zo’n eenzijdig oordeel kan kloppen.

Alvorens het antwoord te geven, eerst iets algemeners: het feit, waar ook Gerritse op wijst, dat er opmerkelijk weinig onderzoek gedaan is naar de kopstukken van de Duitse bezettingsmacht. Rijkscommissaris Seyss-Inquart, de hoogste macht in bezet Nederland, is redelijk goed bedeeld. Dat geldt niet voor de vier mannen die direct onder hem stonden. De namen van de meesten van hen zijn zelfs nauwelijks bekend. Wie weet wie Friedrich Wimmer is? Wie kent Fritz Schmidt? Wie Hans Fischböck? Alleen de naam van nummer 4, Hanns Albin Rauter, is bekend. Maar ook niet veel meer dan dat – tot deze studie van Gerritse althans. Hier staat tegenover dat wel de namen bekend zijn van de hoofden van de Sicherheitsdienst en van de Zentralstelle für jüdische Auswanderung (Willi Lages, Ferdinand aus der Fünten, Wilhelm Harster) evenals van enkele anderen (Joseph Kotälla, een van de Drie van Breda), maar dat we eigenlijk alleen weten wat ze misdaan hebben en hoe het hun op basis van die misdaden is vergaan. Van hun leven, achtergrond, motivatie, eventuele twijfels, volharding, berouw en dergelijke weten we bijna niets. De achtergrond van dit ‘niets’ wordt weerspiegeld in een opmerking van Wim van Norden, een van de oprichters van verzetskrant Het Parool, tot Theo Gerritse. Toen deze vertelde dat hij werkte aan een biografie over Rauter luidde de simpele vraag: ‘Is dat wel nodig?’ Gerritse had kunnen antwoorden dat je je hetzelfde kunt afvragen als het over Hitler, Himmler, Goebbels en de rest van de nazibende gaat.

Van de vijf bovengenoemde kopstukken van de Duitse bezettingsmacht in Nederland kwam alleen Schmidt niet uit Oostenrijk, alle anderen wel, Rauter ook. Vandaar de regelmatig gebruikte benaming ‘Donauclub’. Dat is in die zin niet onbelangrijk dat in dat land al vóór de Eerste Wereldoorlog een virulenter en meer algemeen aanvaard antisemitisme bestond dan in Duitsland. Dat antisemitisme zoog Rauter (net als zijn landgenoot Hitler) al in zijn studententijd in zich op. Gecombineerd met de frontervaring en de frustratie van de nederlaag raakte hij al op jonge leeftijd (Rauter is van 1895) ervan overtuigd dat het leven eerst en vooral strijd is: tegen het andere en vóór het eigene. ‘Dasein oder nicht dasein’, zoals Gerritse een van de hoofdstukken van zijn boek noemt. Daar ging het om. ‘Dann wird man hart’, zoals Rauter zelf in het slotwoord van zijn proces met verwijzing naar het Verdrag van Versailles zei. Hij voegde eraan toe dat hij begreep dat een dergelijke hardheid moeilijk in te voelen is voor mensen die gedurende meer dan een eeuw geen oorlog hebben meegemaakt en geen vernedering als die van Versailles hebben ervaren – Nederlanders dus. Maar voor hem en zijn generatie zag de wereld er wél zo uit: keihard.

Bij de ervaring van een in antisemitisme gedegenereerd vijanddenken, de Eerste Wereldoorlog en Versailles kwam voor Rauter vervolgens – het is ’t bekende verhaal – de naoorlogse ervaring van de Freikorpsen en de jaren durende ‘burgeroorlog’ met zowel de vijand op links als de concurrent op rechts. Omdat deze burgeroorlog uiteindelijk op niets uitliep, zocht Rauter begin jaren dertig toenadering tot de nationaal-socialisten, eerst die in Oostenrijk, daarna in Duitsland. Kort na Hitlers machtsovername vestigde hij zich ook definitief in het buurland om te strijden voor wat vanuit eigen land onmogelijk te verwezenlijken leek: een groot Duitsland, de droom die door de Eerste Wereldoorlog om zeep was gebracht. Aldus belandde Rauter op het spoor dat hem uiteindelijk in Nederland bracht.

In Nederland kreeg Rauter als commissaris-generaal de post veiligheid. Tegelijkertijd vervulde hij de functie van Höhere SS- und Polizeiführer. In eerstgenoemde functie was hij onderdeel van het burgerlijk bestuur en ondergeschikt aan Seyss-Inquart, in de tweede hoogste man van de Nederlandse SS, baas van alle Duitse en Nederlandse politiediensten en ondergeschikt aan Himmler. ‘Naarmate de oorlog vorderde en Seyss-Inquart steeds meer een beroep moest doen op het politionele onderdrukkingsapparaat van zijn commissaris-generaal voor de veiligheid’, schrijft Gerritse, ‘werd d[i]e speelruimte [van Rauter] steeds groter, waardoor zijn controle over het Nederlandse politieapparaat en het Openbaar Ministerie een formeel karakter kreeg.’ Hier ligt, heel in het kort, de verklaring voor de enorme macht die Rauter uitoefende en voor de grote betekenis die hij speelde in de geschiedenis van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Daarmee hadden Nederland, de Nederlanders en met name de Nederlandse joden het niet getroffen want Rauter was, als gezegd, niet alleen keihard, hij was ook door en door loyaal c.q. gehoorzaam aan de man die vermoedelijk de grootste schoft was binnen de Hitler-bende: Himmler.

‘De beklaagde wist van de bezettingstijd tien maal meer af dan zijn rechters. Die voorsprong buitte hij tot het uiterste uit’

Terwijl Himmler dweepte met allerlei semi-mystieke poespas dweepte Rauter slechts met zijn plicht. ‘Politieke vergezichten en eigenstandige ideeën over de toekomst van Nederland had Rauter niet, althans hij liet zich er niet op betrappen’, schrijft Gerritse in de conclusie van zijn boek en vervolgt: ‘Al het onderzoek voor deze biografie heeft niet één brief, radiotoespraak, document, interview of kattenbel opgeleverd die een indicatie in die richting geeft. Rauter achtte zichzelf slechts uitvoerder van bevelen, en verder ontbrak het hem aan ambitie en creativiteit. Nederland moest deel worden van een Groot-Germaans rijk, niet omdat hij dat had bedacht maar omdat Himmler zich daarover had uitgesproken.’

Het doet denken aan beeld en zelfbeeld van Eichmann, met als belangrijkste verschil dat deze achter het bureau zat terwijl Rauter steeds weer doende was. Daarbij bekommerde hij zich met name om drie zaken: de jodenvervolging, de strijd tegen het verzet en de inschakeling van de Nederlandse bevolking in de Duitse oorlogsindustrie. In alle gevallen was hij niet alleen hard en meedogenloos maar ook berekenend, listig en, dat weer voorop, gehoorzaam. Voor zijn slachtoffers bleek het een fatale combinatie. Deportatie van joden, executie van gijzelaars en sluipmoord (‘Silbertanne’) zijn de drie grootste schandvlekken van Rauters carrière.

In de laatste fase van de oorlog ging Rauter zich steeds meer bemoeien met militaire zaken. Begrijpelijk. De Grote Opdracht dreigde te mislukken, alleen het slagveld kon de gang van zaken nog veranderen. Zo zorgde de naar hem genoemde Kampfgruppe er tijdens Market Garden voor dat de Duitsers niet door het verzet in de rug werden aangevallen. Aan dit alles kwam een plotseling eind door de aanslag op de auto waarin toevallig ook Rauter zat, in maart 1945 bij Woeste Hoeve (bedoeling was de bemachtiging van een vrachtauto, de verzetsstrijders zagen de zware auto die Rauter vervoerde in het donker daarvoor aan). Hij overleefde maar speelde in de laatste maanden van de oorlog geen rol meer. Tot zijn uitlevering aan Nederland in februari 1946 werd Rauter van ziekenhuis naar ziekenhuis gesleept. En ook daarna lag hij gedurende lange tijd vooral in bed, in een cel naast de ziekenzaal van de Scheveningse strafgevangenis.

Ondertussen werd tegen hem het proces voorbereid. Uitgangspunt daarvan was, net als in het geval van Mussert en Blokzijl, uiterst simpel, hoewel juridisch niet sterk. Om het in de woorden van het communistisch dagblad De Waarheid te zeggen: ‘De kogel kan hier slechts voldoening brengen.’ De aanklager, mr. J. Zaaijer, dezelfde ook die verantwoordelijk was voor de doodstraf van genoemde Nederlandse kopstukken, dacht niet anders en ging zelfs zo ver openlijk van een ‘showzaak’ te spreken. De uitkomst stond immers vast. Dat mag zo zijn, het uitgangspunt kwam de rechtsgang en daarmee de waarheidsvinding niet ten goede. Dat werd tijdens het, overigens pas twee jaar later (april 1948) gevoerde, proces pijnlijk duidelijk. Rauter bekende schuld maar toonde geen berouw en kreeg alle gelegenheid zich te rechtvaardigen. Hij was hard geweest maar kon niet anders. Zonder hem was Nederland in een nog veel grotere chaos ontaard. Elders was het zoveel erger geweest. Hij had slechts zijn plicht gedaan. Enzovoort.

‘Rauter verdedigde zich agressief’, schreef Vrij Nederland. ‘Hij smeet met data en getallen. Preciese, concrete, scherpe vragen werden hem nauwelijks gesteld. De beklaagde wist van de bezettingstijd tien maal meer af dan zijn rechters. Die voorsprong buitte hij tot het uiterste uit.’ Onbevredigend dus. Maar goed, de uitkomst stond dus al vast en Rauter had zich daar ook bij neergelegd. Vandaar dat hijzelf het was die, staande voor het executiepeloton, ‘vuur’ riep. De uitvoerders werden zo verrast dat zij gehoorzaamden.

Het zal niet verbazen dat Gerritse niet meegaat in alle scheldkwalificaties die in de afgelopen zeventig jaar van Rauter gegeven zijn. Hij verkiest de analyse van een psychiater met wie hij in de loop van het onderzoek een aantal gesprekken voerde en die stelt dat Rauter eerst en vooral lid was van wat je een ‘geperverteerde jezuïetenorde’ zou kunnen noemen. Het was hem slechts om één ding te doen: die orde dienen, koste wat het kost.