De uivariaties

De uivariaties

Toen de trompettist Louis Armstrong na de nacht van 6 juli 1971 ’s morgens niet meer wakker werd en een arts officieel zijn dood constateerde, werd dat onmiddellijk de hele wereld over geseind. Mij bereikte de tijding via de televisie, terwijl ik een broodje stond te eten bij Plein 24. Op de hoek van het Leidseplein, waar je naar oude joodse gewoonte nog gratis thee kreeg, en zelfs kloeke groene olijven voor vijf cent per stuk werden verkocht.

Behalve ikzelf was er alleen nog een Amerikaans echtpaar aan een succulent belegd Amsterdams kadetje bezig. Ik vertaalde het bericht voor ze, en voor enkele ogenblikken waren ze gepast onthutst. De laatste keer dat ik aan de luitjes uit Nantucket of Albuquerque dacht, was omdat de naam van banjospeler Johnny St. Cyr in mijn oren klonk. En even later die van Lil Hardin, de vrouw van Armstrong, die zo krachtdadig en melodieus piano speelde.

Dit is de eerste keer dat ik daar weer aan terugdenk. Op deze hoogte is het mogelijk al voor de derde keer die olijf weer op te pakken en mittelerweile uit te komen bij ons vroegere nogal ruim met huwbare dochters bedeelde gezin.

Onze familie at graag olijven. Het mag daarom niet vreemd heten dat zusterbegerige kandidaatvrijers na binnenkomst daar een schoteltje van kregen voorgezet, en naarmate zij zich er doorheen aten, was dat van invloed op hun puntental. Tenminste, dat is het verhaal. Ik kan niet ontkennen dat ikzelf de olijf altijd al naast al het andere eetbare heb geplaatst. Eet ik een olijf dan heeft dat toch steeds weer iets van een olijf-Erlebnis. Zie ik een olijfboom, dan weet ik wat de bedoeling was.

De enige bedevaart ooit ondernomen, leidde naar de oudste olijfboom in Frankrijk. In een zeer onopgepoetst gehucht in de nabijheid van Roquebrune. Per taxi. Niet verder dan vanuit de dichtstbijzijnde stad. Aan gesnuffeld, paar takken gestolen. Dat was eigenlijk alles. Maar ik ben erbij geweest.

Diepste olijfervaring vond in Italië plaats. Hoog in de heuvels. Kruiwagens rijpe vette zwarte olijven de molen in, pit en al. Ronde matten vol dikke lagen olijvenvlees- en pitpulp op elkaar gestapeld gingen onder de pers. Uit de op elkaar geklemde kaken druipt het vocht, de vetste tranen van de wereld. Ze noemen ze echt zo: lagrime. Droeve glans die alle kanten op spat.

Op de vierkante meter ernaast heb ik die tranen geproefd. Niet zout, maar bitter. Knijpen je keel dicht. Daar ben ik ook bij geweest.

Zou ik de olijf opnemen in mijn galgenmaal? Je weet niet in wat voor stemming je dan bent. Ik hoef het mij nu niet af te vragen. Merk het tegen die tijd vanzelf wel. Ben er nog niet bij geweest. Als laatste wens wel de mollige olijven van Plein 24.