De uivariaties

De uivariaties

Het kon een leuke middag worden. Nog maar net de boerenmarkt betreden of een levendige dialoog tussen mij en de bestgeklede columnist was al op gang.

Dode geit onder de zuring, daar ging het over. Niet echt iets voor beginnelingen.

Ondanks dat staan geiten bekend om hun gevoel voor humor. Evenals Bretonnen. Liep ik met een geit over de markt, ik zou zeker weten dat hij zou glimlachen. Geiten glimlachen eigenlijk altijd. Dat mijn denkbeeldige geit — overigens wel opgedeeld in de tinten ranzige cacaoboter en aangetaste omber — zou glimlachen om de daar uitgestalde tuiltjes lavas en hysop leek mij onwaarschijnlijk. Natuur inclusief verschijningvormen is humorloos. Uit de blik op een suggestief geschapen cactus valt soms een grijns te persen, het overige wat groeit en bloeit scoort opmerkelijk laag op de schaal van Pagliacci.

Deze fictieve geit nu, kon ook lezen. Bij de slagerskraam gekomen, waar een andere illusoire geit wellicht een enkele traan zou laten, glimlachte mijn geit. Omdat daar stond geschreven: «paté van geit».

Dat het ooit zo ver heeft mogen komen. Mijn geit was plaatsvervangend blij.

Een gesteldheid die ik uit nooddruft ook wel ken. Los daarvan lazen wij de vermelding dat de ter paté voorgemalen geit daarna met behulp van het appeldestillaat calvados weer aan elkaar was geplakt. Daar kwam die goedlachse Breton om de hoek kijken. We vormden alles bij elkaar een vrolijk groepje, dat al snel de aandacht van veel omstanders trok en kreeg.

Vroegen zij ons waarom wij zo’n schik hadden, dan antwoordden wij eenvoudig: paté van geit. Althans, tot het moment dat onze wijze geit daar snedig en nog eenvoudiger: geit van paté van maakte. Toen de danig belezen Breton ons alsnog een Buñuel-variant verkocht: «Dieu est dans l’homme comme le chèvre est dans le pâté», was er helemaal geen houden meer aan. Ik weet nauwelijks hoe we zijn thuisgekomen; geit, Breton en ik.