De uivariaties

De uivariaties

Op onze eilanden hebben 999 architecten meer dan 1001 verschillende bouwwerken doen verrijzen. Er zit ook een viswinkel tussen. Ik vroeg om een zure haring. «Verkopen we niet», zei het vismeisje stroef.

In noodgevallen denk ik iets sneller. Ach wee, taber nakelbacil natuurlijk. Hoeveel mensen al? Enige oplossing is het Noordzeekanaal open te gooien en bij aflopend tij de reeds onbehoorlijk aangetaste kadavers snel het land uit zien te krijgen. Tijdens het langsdrijven kan de naaste familie afscheid nemen. Kosten worden voor de helft door het rijk gedragen.

«Lusten ze niet», zei de bevallige landmeermin. «Panharing ook niet.» Te laat om de toonbank vast te grijpen. Al wegzakkend zwom mijn eetbaar leven voorbij. Geheel gegrondvest op panharing, zoals ik nu — op een haartje na achteraf — kon vaststellen.

Ik zag mijn moeder in de keuken en haar zelfgebakken, met zelf gesneden uien verrijkte, zelf in de azijn gelegde panharing. In het contact met mijn zuster over de telefoon was panharing een regelmatig terugkerende topic geweest. Voorbij, voorbij!

De schoon geschubde deerne zag dat ze mijn aandacht te pakken had. «Zure leverworst», zei ze. Ze keek opeens heel vies, alsof er een dun plakje bij haar naar binnen werd geschoven. Ik begreep. Mijn laatste schijf had ik nog maar twee weken geleden gescoord, onder het Stedelijk. Anselm Kiefer nog aan toe! Wat was dat een zure leverworst! Zou die privati sering nu nog enige zin hebben?

«Spekbokking.» Ze ging ongenadig tot het uiterste. «Een halve gaat nog wel, maar…» Met neergeslagen ogen concentreerde ik mij op mijn Palladiums, mijn vrolijke stappers waarin ik een paar oude sokken wist met daar op twee blote meiden nog geschilderd door Gauguin.

Snel herwon mijn blik de vertrouwde scherpte en daarin daagde een gevuld plateau met het opschrift sprot. Dat lustten we dus nog wel dus: sprot. «Mag ik een half ons?» vroeg ik. Hoewel ik van huis uit niet al te gek ben op sprot.