De uivariaties

De uivariaties

De ui heeft er vrijwillig, dat klinkt mooier dan noodgedwongen, van afgezien zich te verplaatsen. Hij laat zich verhuizen. Teken van goed gesitueerde komaf. Zelf zijn gedaante gekozen. Wenste geen wispelturig acrobaat te zijn maar liever standvastig middelpunt.

Het gebeurt rondom hem. Ook als hij eenmaal in de pan zit, dan nog wordt die constatering geen geweld aangedaan. In het centrum, in het midden van de hachee zit altijd de ui. Te lachen in zijn uivuistje.

Soms denk ik op dezelfde weg te zijn als hij. Op zoek naar een minder beweeglijke staat.

Vooral wanneer ik mijzelf heimelijk bewonder om mijn in tijd en ruimte gerekte trage bewegingen, mijn weloverwogen en niet luid opklinkende voetstappen overdag, en evenzo niet al te omstandig en bijna geruisloos omdraaien in bed, ’s nachts uiteraard, terwijl je dan alles juist veel beter hoort.

Nooit aan iemand verteld. Behalve ooit eens aan een ui zelf, in de tijd dat ik er niet aan dacht een schijnbaar willekeurige ui iemand te noemen.

Het allermooist is,

’s nachts in bed liggen en een oog open en dicht doen en je verheugen in het gebrek aan geluid.

Er is werkelijk niets te horen, een oog openen of sluiten is zowel de meest geringe daad als de allerstilste die er is, zeker in verhouding tot het resultaat. In het halfduister staat een reus over je heen gebogen en je ziet hem niet. Oog open en je ziet hem.

Mijn albino ui stemde daar destijds mee in. Al merkte hij op dat er ook individuen zijn die zich met belangrijker dingen bezighouden. Voor zover hij eraan dacht mij een individu te noemen.

Ik bracht de ui naar voren, blank en vlezig zoals hij daar lag — een levend stilleven — dat ik mij ook wel in de zwarte ui van Jean Floressas des Esseintes had willen verdiepen, vermits deze ergens te vinden ware geweest, maar dat ik niet verder was gekomen dan de wijn met de kleur van licht verbrande uischil.