De uivariaties

De uivariaties

Vraag mij naar datgene wat ontbreekt. Verscheidene keren per icosiljard jaar zal ik zeggen: zuurkoolsoep. Terwijl ik mijn ogen geroutineerd van links naar rechts laat rollen. Zoekende beweging of anderszins.

De verwonderde uitroepen om mij heen in slordige stilte gesmoord, zal ik het woord herhalen. Met een kleine pauze tussen de delen: zuur-kool-soep.

Sommigen verlaten het vertrek, anderen schuiven hun stoel juist dichterbij.

«Vertel!» hijgen hun geheven wenkbrauwen. De juiste beginzin is het halve verhaal. Ik overweeg. En verwerp. Alhoewel er van zuivere waarheid sprake was. Maar waarom waarheid? Het verhaal gaat voor.

Wakker werd ik en dacht aan zuurkoolsoep. Denken is begeren. Begeren is niet verliefd op denken maar soms vallen ze elkaar aan het eind toch snikschreiend in de armen.

Zuurkoolsoep vraagt om een delicate, om niet te zeggen, breekbare basis. Zoals aan te treffen in een doublet van sjalotten. In boter verhitten en blus sen met een handvol dobbelstenen onttrokken aan een zachtzure appel.

Driehonderd gram zuurkool toevoegen, niets van witte wijn of kruiden daarin, want zelfs afgespoeld onder koud water. Vandaag willen wij streng zijn. De vuurproef is inmiddels bereikt. Waar staat de ciderfles? Cider is van huis uit een melancholieke drank. Ligt zelden pronkend vooraan in de schappen. Ik weet een fletse nering in een kleine klimmende straat in Keraudic en Plélauff waar ze er goed in zijn. Dat is napraten. In ieder geval, zoveel cider en kipbouillon erbij tot de zaak geheel onder staat en na toevoeging van een theelepel gekneusd karwijzaad, een blad laurier, een vijftal jeneverbessen en peper en zout deze samenstelling een klein uur aan haar lichtwarme lot overlaten. Wat beweren ze nog meer in zuurkoolland? Dat je het door de molen kunt halen, dat je er ter verfijning room aan kunt toevoegen. Zelfs dat je er geroosterde coquilles Saint-Jacques in kunt laten drijven.

Van die dingen, ja?