De uivariaties

De uivariaties

Eerst dit. In kleine dorpen waarvan de fijn gekartelde Bretonse namen, half verteerd als minieme botschaafsels tussen de kiezen, in mijn hersenpan zijn blijven steken, at ik warme bloedworst. Of peren in koude azijn. Zo vaak als ik maar kon. Geduldig het moment afwachtend dat ik daar nooit meer trek in zou hebben.

In een van die charmant uitgesmeerde gehuchtjes woonde ik zelfs een wedstrijd bij in het eten van zo veel mogelijk bloedworst. Koude worst, en dat om elf uur ’s morgens. Zie je even glashelder waar de beschaving ons heeft gebracht. Je hebt er veel onbenoembare reserve bij nodig. Tijdens die, ten aanschouwen van een schamel handje toeschouwers verrichte, prestatie zette een forse mededingster in de gedaante van een ouderwetse boerenmeid het allerzuurste puntje op de i. Door, na bijna een strekkende meter worst, slechts één keer «La vie est belle!» te roepen. Het dreunt nog na. Ik heb desondanks mijn nauwelijks besmeurde passie voor bloedworst aller landen nooit onder stoelen of banken gestoken.

Tot en met de kelder van Château Neercanne, waar ik een keer naast Miss IJsland zat. Of tegenover. Geeft niet. Een gebeurtenis waar je je moeilijk op voor kunt bereiden. Was ook niet nodig. En al bleef zij er zelf ijskoud onder, zij kon heel boeiend over vis vertellen. Alle geheimen van IJslandse vis werden mij ontsluierd.

Daarna ik. Iets over onze cultuur natuurlijk. Ik ging er voor zitten, wierp een blik op de grootste vetplant in het vertrek, en stak twee wijsvingers tegelijk omhoog. «Stamppot van rauwe andijvie is geen stamppot van rauwe andijvie als er geen uitgebakken spek in zit!»

Zij luisterde aandachtig, met haar mooie IJslandse ogen. Aan het eind van het recept, daar waar ik de bijbehorende bloedworst uit de pan prikte, stonden ze opeens vol tranen.

Soms vraagt men mij wel eens: «Waar denk je aan bij stamppot van rauwe andijvie?»