De uivariaties

De uivariaties

Het was in de gelukkige vleestijd.

In onze stad had je toen een restaurant waar de biefstukken genummerd waren.

Je kunt aannemen dat ze bij nummer één waren begonnen, maar inmiddels waren ze veel verder. In de duizenden liep het. Soms stond in de krant dat iemand de vijftigduizendste biefstuk op zijn bord had gekregen. Met foto. Altijd van een zwart-witte oma of een zwart-witte opa. Met zwart-witte biefstuk.

Overdag neem ik waar,

’s nachts beleef ik.

«De schoonheid van de mooiste Soutine weegt niet op tegen die van een naakte vleeshaak.» Nog niet eens de meest boude uitspraak die ik tijdens zo’n pikzwarte fantasmagorie te verduren had. Ook daarmee zou het eens afgelopen moeten zijn.

Iets oudere onverlichten onder ons zullen zich herinneren hoe, in de tijd dat de maan zo rond was als een matze van De Haan uit Enschede en de roodborstjes onophoudelijk tegen het raam tikten en zijzelf met kapotte bromtol op het trottoir zaten, er een vers bebloede reus over ze heen stapte die een heel kwart koelijk tegelijk de winkel in droeg.

De eveneens vermiljoen gepollockte slager stond als kant en klare Rodin achter zijn hakblok en zag, zonder ooit een blauwdruk onder ogen te hebben gehad, daarin niets anders dan het lendelapje wat er alleen nog maar uitgebeiteld moest worden.

Huidige tussentijdse slagerij heeft alles voorgevormd en handig klaarliggen, waarbij voorkeur voor ongezouten reehieltjes, schildpadhersens in roze martini, panklare paardenuier en zwanenspek voor op de croissant, in het oog springt.

Naarmate de afglijding vordert, zal het overgrote deel van ons exquis kookgerei tweede nut krijgen als medisch instrument of verpleegartikel. Ik kom erop omdat ik in de allerlaatste droomnacht opvallend veel baat had bij het deksel van een kleine roestvrijstalen soeppan. Met nieuwe snel binders strak tegen de ruggengraat gesnoerd.

Verder bleef J.J. Rousseau van mening dat in elke vlees eter een potentiële kannibaal schuilt.