De blinde kaart

De uivariaties


Bladerdeeg is mooi en ook worst mag er wezen. Met de eigen mens is dat anders. Wie ziet zichzelf? Alsof hij naar een worst kijkt? Was ik weer. Kon ik mij in mijn beste ogenblikken al voorstellen in een door wie dan ook verlaten bos te lopen, het was evenmin moeilijk om mij daar een loodrecht spiegelend watervlak bij voor te stellen. De observatie van Ernst Mach. Met andere woorden. Waarin ik naar mijzelf, als was het de smalende tronie van Henri de Lagardère (die ook nog lang niet dood is), keek.


Boven de boord, vlak boven de boord ging het al mis. Behalve natuurlijk wanneer ik mij als roerdomp in dreighouding opstelde. Maar daar dacht ik nooit tijdig genoeg aan.


Het in mijn hals gekraste schroefdraad was het ergste nog niet.


Eveneens werd ik weinig beïndrukt door een enkele poot van horizontaalkraai. Want meer nog stond mijn kop vol met voetsporen van griffioen, afgeschampte klauw van grootoorvleermuis, aantijgingen van hitsige bonobo en duimafdruk van het uit de doden gewekte kersenbonbondier. Overal waar ik liever een leuk en intiem hoekje van de dierentuin te San Diego had gezien. Met geur en al.


Die verticale, licht diagonaal doorbuigende, strepen op mijn voorhoofd had ik formeel nog nooit eerder opgemerkt. Kleine dwarse lijnen ook, alsof een pienter kaboutertje er de schets voor een te timmeren tafeltje in had gegrift, een klein tafeltje met licht verzwikte pootjes. Het was niet bijzonder lelijk maar ook niet heel erg mooi. Ik trok mijn wenkbrauwen omhoog en riep: ‘Tafeltje strek je!’


Denk maar niet dat er iets gebeurde.


Het werd daarentegen nog erger. Dus gebeurde er wel degelijk iets. Waar anders een rode streep te zien is, zodra anderen zich in de buurt wagen die mij daarbij ook nog om gewichtige antwoorden bidden, kwam nu een geheel op z’n Zoutkamps ingericht huiskamertje te voorschijn.


Ik bleef nog even bezig. Tot op de lange duur (waar ik alleen nooit serieus in heb geloofd) alle groeven, plooien en met wisselende oogmerken in mij gegrifte patronen, van achillespees tot kruin over mijn brandschone lichaam verdeeld, mij net zo vertrouwd waren als de blinde kaart van de veenkoloniën.