De uivariaties

De uivariaties

Wij hebben rare dingen thuis. Zo is daar een plat vlak, waarop als je even niet oplet, en ook wel eens na het plotseling ontwaken uit al te drieste hersenpirouette, als door een engel of engelares tijdens de vlucht gedropt, de vreemdste materie verzeild raakt.

Laatste aanwinst bezat de schijn van een kleine tak, maar was eigenlijk meer een twijg. Waaraan zo'n zeven vruchten. Tint tussen abrikoos en reine claude. De boeken zouden het amber noemen. Hard van omhulsel. Ovaal.

Ovalesque bijna. Liefhebbers van de term mogen eivormig zeggen. Verse dadels. Dat is best aardig. De wereld kent zoveel gedroogde en halfgedroogde dadels dat een onvoorzichtig mens het bestaan van verse dadels bijna dreigt te ontkennen. Hier zijn ze dan toch maar. Alleen nog niet rijp.

Maar zie toe, de aanvankelijke hardheid van het omhulsel verwordt al snel tot kleine uitvergroting van te lang gewassen vingerhuid. Elke dag iets meer. Dat zegt genoeg. Noemden de spitsvondige Grieken de dadel al niet vingervrucht ofwel dactylon? Ja, dat deden ze.

Het mag sommigen, en het is alweer het soort sommigen als de vorige keer, duidelijk zijn dat ons na deze vruchtvolle transformatie meer te wachten staat. De levende toekomst van de dadel zit in een klein hoekje en voor je het weet is zijn zijn voorbij. Een ander rijk moment is daar. Alles wat mooi was aan de dadel is opeens, in een nieuw ongezien ogenblik, tot blaarvormig bruin vervallen.

De dadel heeft zijn hoogtepunt bereikt. In en rondom zijn evoluten is alles eetbaar geworden. Leve de levende dadel! Al is dat, net als bij zoveel anders, onbegrijpelijk tijdelijk.

Zeven dagen lang at ik elke dag de rijpste der dadels. Die zich, als scheen hij mijn elke ochtend opnieuw geboren wens gehoorzaam, tijdens de stille nacht, weer tot een even kort als kostbare implosie van zoet had verwenteld.